Psalm 82:1-5
I. Wij hebben hier Gods opperbestuur en macht over alle raadsvergaderingen en gerechtshoven uitgesproken en vastgesteld als een grote waarheid, die door vorsten en onderdanen geloofd moet worden, vers 1. God staat als opperbestuurder in de vergadering van de machtigen van de machtige, in "coetu fortis, in de raadsvergadering van de vorst," de opperste magistraat, en Hij oordeelt onder de goden, de mindere magistraten, beide de wetgevende en de uitvoerende macht van de vorsten zijn onder Zijn oog en Zijn hand.
Merk hier op:
1. De macht en eer van magistraten, zij zijn de machtigen, zij zijn dit in gezag, voor het openbare welzijn. Het is een grote macht, die hun toevertrouwd is, en zij behoren machtig te zijn in wijsheid en moed. Zij worden in de Hebreeuwse spraakwijze goden genoemd, voor deze ondergeschikte regeerders wordt hetzelfde woord gebruikt als voor de soevereine Heerser van de wereld. Zij zijn elohim, engelen worden aldus genoemd, beide omdat zij groot zijn in sterkte en macht, en omdat het Gode behaagt van hen gebruik te maken in het bestuur van deze lagere wereld, en magistraten in een ondergeschikte hoedanigheid, zijn ook de dienaren van Zijn voorzienigheid in het algemeen, ter bewaring van vrede en orde in de menselijke maatschappij, en inzonderheid van Zijn gerechtigheid en goedheid in het straffen van boosdoeners en het beschermen van hen die weldoen. Goede magistraten, die beantwoorden aan het doel van de magistratuur, zijn als God, iets van Zijn eer is op hen gelegd, zij zijn Zijn plaatsvervangers en een grote zegen voor ieder volk. "Een goddelijke spreuk is op de lippen des konings," Spreuken 16:10. Maar "de goddeloze heersende over een volk, is een brullende leeuw en een beer, die ginds en weer loopt," Spreuken 28:15.
2. Een goede regeringsvorm aangeduid, namelijk een gemengde monarchie, zoals de onze. Hier is de machtige, de Souverein, en hier is zijn vergadering, zijn geheime raad, zijn parlement, zijn rechterlijke macht, welker leden goden genoemd worden.
3. Gods onbetwistbare soevereiniteit in en over de gehele vergadering van de machtigen gehandhaafd. God staat, Hij oordeelt onder hen, zij hebben hun macht van Hem ontvangen en zijn aan Hem verantwoordelijk, door Hem regeren de koningen. Hij is tegenwoordig bij al hun debatten, gaat alles na wat zij zeggen en doen, en van hetgeen verkeerd gezegd en gedaan wordt zal hun rekenschap gevraagd worden, en dan zal wegens hun wanbestuur met hen afgerekend worden. God heeft hun hart in Zijn hand, en ook hun tong, en "Hij neigt het tot al wat Hij wil," Spreuken 21:1, zodat Hij een veto kan uitbrengen bij al hun besluiten, en Zijn raad zal bestaan, welke raadslagen er ook in het hart van de mensen mogen zijn. Hij maakt het gebruik van hen, dat Hem behaagt, en dient door hen Zijn eigen doeleinden, hoewel hun hart dit niet denkt, Jesaja 10:7. Laat magistraten dit bedenken en van ontzag er voor vervuld worden. God is bij hen in het gericht 2 Kronieken 19:6, Deuteronomium 1:17. Laat onderdanen dit bedenken en er door vertroost worden, want goede vorsten en goede rechters, die welmenend zijn, zijn onder een Goddelijke leiding, en slechte, die nog zulke boze bedoelingen hebben, zijn onder een Goddelijk bedwang.
II. Een last, gegeven aan alle magistraten om goed te doen met hun macht, daar zij er rekenschap van zullen te geven hebben aan Hem, die hen er mee bekleed heeft, vers 3, 4. 1. Zij moeten de beschermers wezen van hen, die blootgesteld zijn aan onrecht, en de schutsheren van hen, die hulp en raad van node hebben. Doet recht de arme, die geen geld heeft om er zich vrienden of voorspraken door te verkrijgen, en de wees, die terwijl hij nog jong is en niet instaat om zichzelf te helpen, reeds allen verloren heeft, die de leidslieden hunner jeugd zouden geweest zijn. Gelijk magistraten in het algemeen vaders moeten zijn van hun land, zo moeten zij dat in het bijzonder van de wezen zijn. Worden zij goden genoemd? Hierin moeten zij volgelingen zijn van Hem, zij moeten de vaders zijn van de wezen. Job was dit, Job 29:12.
2. Zij moeten onpartijdig rechtspreken, rechtvaardig zijn jegens de verdrukte en de arme, aan wie, daar zij zwak en hulpeloos zijn dikwijls onrecht gedaan wordt, en die gevaar lopen van alles te verliezen, indien de magistraten niet "ex officio, ambtshalve" tussenbeide treden tot hun hulp. Indien een arme man een eerlijke rechtzaak heeft, dan moet zijn armoede geen schade of nadeel zijn voor zijn zaak, hoe groot en machtig zijn tegenpartijders ook mogen wezen.
3. Zij moeten hen redden, die reeds de verdrukkers in handen gevallen zijn, vers 4. Rukt hen uit der goddelozen hand, doet hun recht tegen hun tegenpartijen, Lukas 18:3. Dat zijn cliënten, van wie niets te halen valt, geen betaling voor hun bewezen diensten, geen invloed door hun gunst te bewijzen, en toch zijn deze het, voor wie rechters en magistraten belangstellende zorg moeten hebben, met wier welzijn zij te rade moeten gaan, wier zaak zij moeten handhaven.
III. Een beschuldiging, gericht tegen slechte magistraten, die hun plicht veronachtzamen, misbruik maken van hun macht, vergetende dat God in hun midden staat, vers 2, 5.
Merk op
1. Wat de zonde is, die hun hier ten laste wordt gelegd: zij oordelen onrecht, tegen de regelen van de billijkheid en de inspraak van hun eigen geweten, uitspraak doende tegen hen, die het recht aan hun zijde hebben, uit onwil of boosaardigheid, of voor hen, die een onrechtvaardige zaak hebben, uit gunstbetoon en partijdige genegenheid. Onrecht te doen is slecht, maar onrecht oordelen is nog veel slechter omdat het is: onrecht doen onder schijn van recht, tegen zulke daden van onrecht is er geen beschutting voor de benadeelden, maar die het onrecht plegen worden er door aangemoedigd. Het was een even groot kwaad als ieder ander, dat Salomo onder de zon gezien heeft, toen hij "ter plaatse des gerichts goddeloosheid zag," Prediker 3:16, Jesaja 5:7. Zij hebben niet slechts de personen van de rijken aangenomen omdat zij rijk waren, hoewel dat al slecht genoeg is, maar, wat nog veel erger is zij hebben de personen van de goddelozen aangenomen, omdat zij goddeloos zijn, zij hebben hen niet alleen beschermd in hun goddeloosheid, maar hen er nog te meer om bemind en hun belangen bevorderd. Wee u, o land, als uw rechters zodanigen zijn!
2. Wat de oorzaak was van deze zonde. Er was hun duidelijk genoeg gezegd dat het hun plicht was de armen te beschermen en te verlossen, dit werd hun dikwijls gelast te doen, maar toch oordeelden zij onrecht, omdat zij niet wisten en niet wilden verstaan. Zij willen niet horen van hun plicht, zij willen zich de moeite niet geven om hem te bestuderen, of er zich op toe te leggen, zij hebben er geen begeerte naar om de zaken recht te bezien, maar worden geregeerd door eigenbelang, niet door rede of recht, een geschenk in het verborgene verblindt hen de ogen. Zij weten niet omdat zij niet willen verstaan, niemand is zo blind als zij, die niet willen zien. Zij hebben hun eigen geweten overbluft, en zo wandelen zij voort in duisternis, niet wetende, of er zich niet om bekommerende, wat zij doen of waar zij heengaan. Zij, die in duisternis wandelen, wandelen voort naar de eeuwige duisternis.
3. Wat de gevolgen waren van deze zonde: alle fondamenten van de aarde of des lands wankelen. Als het recht wordt verkeerd, welk goed is er dan nog te verwachten? "Het land en al zijn inwoners zijn versmolten," zoals de psalmist van een gelijksoortige toestand gezegd heeft, Psalm 75:4. Het wangedrag van openbare personen is een openbaar kwaad.