Psalm 61:1-5
In deze verzen kunnen wij opmerken:
I. Hoe David God sterk aankleeft en zich ten dage van benauwdheid en ellende tot Hem wendt in het gebed. "Wat er ook gebeure, tot U zal ik roepen, vers 3, ik zal niet roepen tot andere goden, maar alleen tot U, niet met U twisten, omdat Gij mij beproeft, mij kastijdt maar tot U blijven opzien, op U blijven wachten, ik zal niet op koele onverschillige wijze tot U spreken, maar met de grootste aandrang en vurigheid van geest, als een, die U niet zal laten gaan tenzij Gij mij zegent." Dat zal hij doen:
a. In weerwil van de grote afstand waarop hij zich bevindt van het heiligdom, het huis van het gebed, waar hij placht heen te gaan om God zijn begeerten kenbaar te maken. "Van het einde van het land, van de verst verwijderde uithoek van het land, zal ik tot U roepen." Waar wij ook zijn, overal kunnen wij vrije toegang hebben tot God, kunnen wij een weg open vinden naar de troon van de genade. De hemel is toegankelijk van alle plaatsen. Ja, omdat ik hier aan het einde van het land ben, in smart en eenzaamheid, zal ik tot U roepen." Hetgeen ons scheidt van onze andere vertroostingen, moet ons zoveel sterker heendrijven naar God, de bron van alle zegeningen en vertroostingen.
b. "Hoewel hij neerslachtig is en zeer treurig, hoewel mijn hart overstelpt is, is het toch niet zo terneergeslagen, of het kan nog opgeheven worden tot God in het gebed. Als het hart niet instaat is om aldus opgeheven te worden, dan is het voorzeker al te zeer ternedergeslagen. Ja, omdat mijn hart op het punt is van overstelpt te worden, zal ik tot U roepen, want daardoor zal het gesteund worden en verlichting verkrijgen." Het wenen moet het gebed opwekken, maar niet doden. Is "iemand in lijden? dat hij bidde," Jakobus 5:13, Psalm 102:1.
2. De bijzondere bede die hij tot God opzond toen zijn hart overstelpt was en hij op het punt was van neer te zinken: Leid mij op een rotssteen, die hoger is dan ik, vers 3, dat is:
a. "Tot de rotssteen, die mij te hoog zou zijn om er op te komen, tenzij Gij er mij op helpt. Heere, geef mij zo'n verzekerdheid en overtuiging van mijn eigen veiligheid als ik nooit zou kunnen hebben, tenzij Uw bijzondere genade zo'n geloof in mij werkt."
b. Op de rotssteen, waar ik verder buiten het bereik ben van mijn moeilijkheden, en dichter bij rust en kalmte, dan waartoe ik door enigerlei kracht of wijsheid van mijzelf komen kan." Gods macht en belofte zijn een rotssteen, die hoger is dan wij zijn. Die rotssteen is Christus, zij, die in Hem zijn, zijn veilig. Wij kunnen op die rotssteen niet komen tenzij God er ons door Zijn macht henenleidt. "Ik zal u in een kloof van de steenrots zetten," Exodus 33:22. Daarom moeten wij ons door geloof en gebed onder de Goddelijke leiding stellen ten einde onder de Goddelijke bescherming te worden genomen.
3. Zijn begeerte naar en verwachting van een antwoord des vredes. In het geloof bidt hij: "God, hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed, " laat mij nu de vertroosting hebben van te weten dat ik gehoord word, Psalm 20:7, en laat mij te bestemder tijd ontvangen hetgeen, waar ik om bid." 4. De grond van deze verwachting en hetgeen hij aanvoert om aan zijn bede kracht bij te zetten. Gij zijt mij een toevlucht geweest, ik heb in U gevonden een rots, die hoger is dan ik, daarom vertrouw ik dat Gij mij op die rots zult leiden." Gelijk de ervaringen van het voordeel om op God te vertrouwen ons moeten aansporen om ons dicht bij Hem te houden zo moeten zij ons aanmoedigen in de hoop dat het niet tevergeefs zal zich. "Gij zijt mij een toevlucht geweest, een sterke toren voor de vijand, vers 4, en Gij zijt nog even sterk, en Uw naam is nog evenzeer als ooit tevoren een sterke toren voor de rechtvaardige." Spreuken 18:10.
5. Zijn besluit om te volharden in de weg des plichts jegens God en in zijn betrouwen op Hem, vers 5..
a. De dienst van God zal hem gestadig bezighouden, daartoe moeten allen besluiten, die verwachten dat God hun toevlucht en sterke toren zal wezen, geen anderen dan Zijn dienstknechten genieten het voorrecht van Zijn bescherming, ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden. David was nu verbannen van de tabernakel, hetgeen zijn zwaarste verdriet was, maar hij is er van verzekerd dat God hem in Zijn voorzienigheid weer tot Zijn tabernakel terug zal brengen, omdat Hij door Zijn genade zo'n genegenheid in hem gewerkt had voor Zijn tabernakel dat hij besloten had die tot zijn voortdurend verblijf te maken, Psalm 27:4. Hij spreekt van zijn verkeren er in in eeuwigheden, omdat die tabernakel een type en afschaduwing was van de hemel, Hebreeën 9:8, 9-24. Zij, die in Gods tabernakel, het huis van de plicht, wonen gedurende hun korte eeuwigheid op aarde, zullen wonen in de tabernakel, die het huis van de heerlijkheid is, gedurende een eeuwigheid, die eindeloos is.
b. De genade Gods en het verbond van de genade zullen zijn voortdurende vertroosting wezen. Ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene van Uw vleugelen, zoals de kuikens warmte en veiligheid zoeken onder de vleugelen van de hen. Zij, die God een toevlucht voor zich gevonden hebben, moeten nog in al hun benauwdheden de toevlucht tot Hem nemen. Zij, die in Gods tabernakel verkeren, hebben het voorrecht en het voordeel dat Hij hen in tijden van benauwdheid daar zal verbergen.