1. Een lied Hammaälôth 1).
1) Wij hebben hier voor ons het eerste der 15 liederen (Psalm 120-134 vlg. 1 Kronieken 25:31 ), die niet alleen ten opschrift hebben een lied (Schir), maar daarbij gevoegd "de opstijging" (hammaälôth)). Deze uitdrukking bevat veel raadselachtigs en is daarom op verschillende wijzen verklaard. De Joodse uitleggers menen, dat die naam daarop ziet, dat deze 15 Psalmen op den avond van den eersten feestdag van `t Loofhuttenfeest (Leviticus 23:43 ) zullen gezongen zijn op de 15 treden van den halvemaan vormigen trap van den tempel, die uit den voorhof der vrouwen naar dien der mannen voerde (Mattheus 4:7 ), terwijl boven in het portaal twee priesters met trompetten stonden en op een geschikt ogenblik met hun geklank invielen. Alsdan zou men eigenlijk moeten overzetten "trappsalmen." Luther brengt de uitdrukking in overeenstemming met de inrichting der Christelijke kerken in de middeleeuwen, volgens welke de priesters, die verplicht waren tot het zingen der Horae, op enige koorstoelen in de ruimte van het altaar, het zogenaamde hoge koor (1 Koningen 6:16), hun plaats hadden, en de zangers uit de leken, die de kerkelijke muziekstukken moesten uitvoeren daarentegen op het orgelkoor tegenover het altaar geplaatst waren. Hij noemt deze Psalmen "liederen in hoger koor." Hierbij heeft hij niet gedacht aan ene stemverheffing (2 Kronieken 20:19), en de liederen als zeer verhevene willen aanwijzen. Dat zijn ze geenszins, integendeel ontbreekt daaraan het vuur der geestdrift en de korte zaakrijke rede, waardoor zo vele vroegere Psalmen zich onderscheiden; integendeel is hun een stille, zachte ernst, een heilige weemoed eigen, ook al gevoelt men nevens den ernst en den weemoed iets lieflijks en teders. Luther zelf heeft aan zijne vertaling de volgende verklaring gegeven: "Ik houd het daarvoor, dat deze Psalmen zo genoemd zijn, omdat zij op ene hogere plaats, in een hoger koor door de Levieten of priesters gezongen zijn." Intussen heeft deze gehele verklaring iets zo uitwendigs, en komt die zo weinig met de betekenis van het woord overeen, dat zij moeilijk de ware kan zijn; bovendien is het minstens twijfelachtig, of de tweede tempel reeds die inrichting met 15 trappen had voordat Herodes dien had laten ombouwen. Integendeel hebben de trappen wel hun ontstaan aan onze Psalmen te danken. Veel beter is ene andere verklaring, die den naam in den zin van pelgrimsliederen opneemt, zodat het opschrift betekent: liederen, die bij het trekken naar Jeruzalem moesten gezongen worden. Hierbij is echter de mening te verwerpen, die aanneemt, dat de liederen gemaakt waren om te zingen bij het terugkeren uit de Babylonische ballingschap, dat in Ezra 7:9 als een optrekken wordt voorgesteld; zij zijn bestemd geweest, niet om voor eenmaal, maar om op verschillende tijden en op onderscheidene tochten gebruikt te worden. Ook David en Salomo hebben enige van deze 15 liederen vervaardigd, voor wier profetische blik de Babylonische ballingschap nog verborgen was. Zonder twijfel is de mening juist, welke deze voor liederen der optochten houdt," d.i. liederen, die door de reizigers, welke telken jare tot de hoge feesten te Jeruzalem heengingen, moesten worden gezongen. Uit Jesaja 30:29 blijkt, dat de pelgrims onder muziek en zang naar de plaats van het heiligdom heentrokken. Nog tegenwoordig ontmoet men in Palestina meermalen gezelschappen van reizigers, die onder weg hun liederen zingen (vgl. Genesis 31:27). Wij hebben bij Ezra 4:24 aangetoond, hoe David er toe kwam, om met het dichten van dergelijke liederen een begin te maken. Men heeft beproefd de 15 nummers van dit reispsalmboek volgens stations te rangschikken. Psalm 120 bij het opgaan uit den vreemde; 121 bij het eerste zien der vaderlandse bergen; 122 bij het intrekken in het heilige land; 123-131 herinneringen en gewaarwordingen, welke op den val en het herstel van het uitverkoren volk doelen; 132 bij het eerste zien der heilige stad; 133 bij het intrekken van haar; 134 bij het ingaan in den tempel. Dit is kunstig bedacht; toch ligt aan de gedachte iets waars ten grondslag, waarvan wij ons bij de verklaring zelf zullen overtuigen.
Nog is er ene andere verklaring van de uitdrukking, waarover wij spreken, die evenveel recht heeft als de laatstgenoemde en die wij daarom daarmee verbinden; men verklaart de "liederen der opstijgingen van den eigenaardigen versbouw in deze 15 Psalmen, daar steeds het volgende vers of de volgende afdeling een hoofdwoord of ene hoofdgedachte uit het vorige vers of de vorige afdeling opneemt, en zo de rede, als op een ladder met verschillende sporten tot de hoogte opstijgt, waarnaar zij streeft. Het sterkst zien wij deze trappen-rythmus, die wij ook elders in de Hebreeuwse poëzie aantreffen (vgl. Richt 5:3,5,6 en Jesaja 17:12, 26:5, vv.) in Psalm 121. Deze wordt ook in de andere Psalmen, die tot deze liederen behoren, gevonden..
Niet zonder reden, zegt Delitzsch, laat de verzamelaar op Psalm 119 juist dit lied der opgangen volgen: het sluit zich nauw aan het laatste vers van dien Psalm aan. De vervaardiger van Psalm 119, rondom door afval en vervolging omgeven, vergelijkt zich bij een verloren schaap, dat de Herder moet opzoeken en naar huis halen, zo het niet zal omkomen. Ook de vervaardiger van Psalm 120 is als een schaap midden onder wolven (Mattheus 10:16. Lukas 10: 3). Hij bidt klagende om redding uit zijne vijandige, twistzieke omgeving. Klaar en duidelijk komt daar de zinspeling voor op de vijandige lasteringen, met welke de Samaritanen de uit de ballingschap teruggekeerde Joden vervolgden, toen deze hun deelneming aan den tempelbouw hadden geweigerd (Ezra 4:24 ); door openbare leugenen en valse beschuldigingen wisten zij het zo ver te brengen, dat het bouwen van den tempel verboden werd, en nu klaagt hier de juist uit den nood der ballingschap geredde gemeente, door den mond van enen met den Geest vervulden zanger uit haar midden (wellicht een van de in Ezra 2:41 vermelde kinderen van Asaf) over de op nieuw haar veroorzaakte ellende. Het lied was echter ook in lateren tijd voor degenen, die ter feestviering optrokken, geschikt, wanneer zij op hun reis naar Jeruzalem, uit Galilea langs Samaria moesten omreizen, om den haat der Samaritanen te ontgaan (Lukas 9:51). In sommige Duitse Bijbels vindt men het opschrift: "Stille tranen in Kedar," en zo bespeurt men ook werkelijk, merkt Rieger aan, in dezen Psalm een naar God gekeerd hart, dat zich onder den druk in het jammerdal opheft, en in `t bijzonder de verzoeking, om door boze tongen te worden aangegrepen, overwint.
I. Vers 1, 2. Gedachtig aan de reeds opgedane ervaring, dat het bidden helpt, wendt zich, in hare tegenwoordige, weer zo treurige toestanden, toen leugenaars en lasteraars haar van rondom omringden, de gemeente tot den Heere met de bede om redding ook uit dezen nood.
Ik heb tot den HEERE geroepen in mijne benauwdheid, zo dikwijls ik daarin was, en Hij heeft mij verhoord, 1) dat heeft de bevrijding van de ellende der ballingschap in Babel mij genoegzaam bewezen.
1) Of, ik roep tot den Heere in mijne benauwdheid, zo verhoort Hij mij. Dit wil dan niet zeggen, dat hij nu alleen roept, maar dat hij deze ervaring heeft, dat telkens, wanneer hij tot den Heere riep uit de benauwdheid, de Heere hem verhoorde, en daarom te midden van zijn druk en lijden vertroostte. Ook nu verkeert bij weer in grote ellende. Valse lippen zijn tegen hem opgestaan, valse aanklachten zijn tegen hem ingediend. En daarom zal hij ook nu zijn toevlucht nemen tot zijn Verbonds-God, om van Hem alleen afwending van druk te verwachten.