2 Kronieken 19:5-11
Josafat had alles gedaan wat hij kon om zijn volk goed en Godvruchtig te maken, en nu voorziet hij er hier in om hen, zo mogelijk, door de invloed van een gevestigde magistratuur goed en Godvruchtig te houden.
Hij had predikers onder hen gezonden, om hen te onderwijzen, Hoofdstuk 17:7-9, en die maatregel heeft goed gedaan, maar nu zag hij dat het ook nodig was rechters onder hen te zenden, om de wetten uitgevoerd te zien en om een schrik te zijn voor de kwaaddoeners.
Waarschijnlijk waren er tevoren reeds hier en daar rechters in het land, maar zij hebben of hun werk veronachtzaamd of het volk stoorde zich niet aan hen, zodat aan het doel van de instelling niet werd beantwoord, en daarom was het nodig dat zij gereorganiseerd zou worden, dat nieuwe mannen werden aangesteld, aan wie een nieuwe last werd gegeven. Dat is het wat hier gedaan werd.
I. In de onderscheiden steden des rijks richtte hij lagere gerechtshoven op, vers 5. De rechters aan deze hoven moesten het volk bij de aanbidding Gods houden, de overtredingen van de wet straffen, en in geschillen tussen mens en mens uitspraak doen. Hier is de last, die hij hun gaf, vers 6, waarin wij hebben:
1. De middelen, die hij hun voorschreef om hen dicht bij hun plicht te houden, en deze zijn twee.
a. Grote omzichtigheid: Ziet wat gij doet, vers 6. En wederom: neemt waar en doet het, vers 7, geeft acht op uw werk, wacht u voor vergissingen, weest bevreesd om enigerlei punt van de wet verkeerd te verstaan, evenals van enigerlei feit.
"Van alle mensen hebben vooral rechters het nodig om voorzichtig te zijn, omdat er zoveel van afhangt of zij een rechte beschouwing hebben van de zaak."
b. Grote vroomheid en Godsvrucht. "De verschrikking des Heeren zij op ulieden, dat zal er u van terughouden onrecht te doen Nehemia 5:15 , Genesis 42:18, en u aansporen om ijverig werkzaam te zijn in uw plaats en roeping." Laat het verderf Gods hun een schrik zijn, zoals Job spreekt, Hoofdstuk 31:23, en dan zullen zij voor niemand een schrik zijn dan voor kwaaddoeners.
2. Hij wenst dat zij de beweegredenen in aanmerking zullen nemen, die hen moeten aansporen om getrouw te zijn, en deze zijn drie allen genomen van God.
a. Dat zij van Hem hun opdracht hebben, Zijn dienaren zijn. De gestelde machten zijn door Hem en voor Hem verordineerd. Gij houdt het gericht niet de mens, maar de HEERE, het is uw werk, uw roeping, Hem te verheerlijken, en de belangen van Zijn koninkrijk onder de mensen te dienen.
b. Dat Zijn oog op hen was. Hij is bij u in de zaak van het gericht, om nota te nemen van hetgeen gij doet, en u ter verantwoording te roepen als gij verkeerd doet.
c. Dat Hij het grote voorbeeld is voor alle magistraten: bij den HEERE, onzen God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Magistraten worden goden genoemd, en daarom moeten zij er naar streven Hem te gelijken.
II. Hij vestigde een opperste gerechtshof te Jeruzalem, dat geraadpleegd werd en waarop een beroep gedaan werd voor moeilijke zaken, die voor de lagere gerechtshoven gebracht werden, en dat-om in de taal van onze eigen rechtspleging te spreken-ter laatster instantie besliste.
Dat hof zat te Jeruzalem, want daar waren de stoelen des gerichts gezet, daar zullen zij onder het toezicht zijn van de koning zelf.
Merk op:
1. De zaken, die aan de kennisneming van dat hof onderworpen werden, evenals bij ons waren van tweeërlei aard.
a. De rechtsgedingen van de kroon, die hier zaken des Heeren worden genoemd, omdat de wet van God de wet was van het rijk. Alle misdadigers werd de overtreding van het een of ander deel van deze wet ten laste gelegd, zij werden gezegd te overtreden tegen Zijn vrede, Zijn kroon en waardigheid.
b. Gewone rechtsgedingen tussen mens en mens, hier rechtsgeschillen genoemd, vers 8, en geschil van hun broederen vers 10, geschillen tussen bloed en bloed. Dit verwijst naar Deuteronomium 17:8, tussen het bloed van de verslagene en het bloed van de doodslager.
Sedert de afval van de tien stammen behoorden alle vrijsteden, behalve Hebron, tot het riek van Israël, en daarom kunnen wij onderstellen dat de voorhoven van de tempel of de hoornen van het altaar voornamelijk als vrijplaatsen gebruikt werden in zo'n geval, en vandaar dat het gerechtelijk onderzoek in zake van manslag aan het hof te Jeruzalem was voorbehouden. Indien de lagere rechters niet konden overeenkomen omtrent de zin van enigerlei wet of gebod, inzettingen of rechten dan had dit hof in het geschil te beslissen.
2. Sommige van de rechters van dit hof waren priesters en Levieten, die het meest geleerd waren in de wet, uitmuntten in wijsheid, en geacht waren om hun rechtschapen karakter, en sommigen waren hoofden van de vaderen Israëls, pairs van het rijk, zoals ik hen zou kunnen noemen, of personen van leeftijd en ervaring, die mannen van zaken waren en het meest geschikt om als rechters op te treden voor feilen, gelijk de priesters het waren voor de zin en betekenis van de wet.
3. De twee hoofden of presidenten van dit hof. Amarja, de hogepriester, nam het voorzitterschap waar in kerkelijke zaken, om het hof te leiden en er de mond van te zijn, of misschien om het laatst geraadpleegd te worden in gevallen, die voor de rechters zelf twijfelachtig waren, en Zebadja, de eerste minister van die staat, had het voorzitterschap in burgerlijke zaken, vers 11.
Aldus is er verscheidenheid van gaven en bedieningen, maar allen van dezelfde Geest en tot welzijn van het lichaam. Sommigen hebben het meest verstand van de zaken des Heeren, anderen van de zaken des konings, geen van hen kan tot de anderen zeggen: ik heb u niet van node, want Gods Israël heeft beide nodig, en een ieder gelijk hij de gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve. Geloofd zij God, beide voor magistraten en leraren, schriftgeleerden en staatslieden, mannen van boeken en mannen van zaken.
4. De mindere beambten van het hof, sommigen van de Levieten (dezulken die geen bekwaamheden hadden, welke hen geschikt maakten om richters te zijn) zijn de ambtlieden voor uw aangezicht, vers 11
Zij moesten de zaken voor het hof brengen, en er voor zorgen dat het vonnis van het hof ten uitvoer werd gebracht. En deze handen en voeten waren even nodig in hun plaats, als de ogen en hoofden (de rechters) in de hun.
5. De last, die de koning hun gaf.
a. Zij moeten wèl toezien dat zij uit een recht beginsel handelen, zij moesten alles doen in de vreze des Heeren, Hem altijd voor ogen hebben, en dan zullen zij getrouw, nauwgezet en met een volkomen hart handelen, vers 9.
b. Zij moeten het tot hun grote en voortdurende zorg maken om zonde te voorkomen, en het volk vermanen dat zij niet schuldig worden aan de Heere boezemt hun vrees in voor zonde, niet alleen als zijnde schadelijk voor henzelf en voor de openbare vrede, maar als zijnde een belediging van God, en wat toorn zou brengen over het volk, indien zij haar bedreven, en over de magistraten, zo zij haar niet straften. Doet alzo en gij zult niet schuldig worden, hierin ligt opgesloten dat zij, die de macht in handen hebben, zelf de schuld op zich laden van de zonde, indien zij hun macht niet gebruiken om haar in anderen te voorkomen of te straffen. "Gij wordt schuldig als gij hen niet weerhoudt van schuldig te worden.
c. Zij moeten handelen met vastberadenheid. "Handelt kloekmoedig en vreest het aangezicht van de mensen niet. Weest kloek en onversaagd en, wie ook tegen u moge zijn, God zal u beschermen, de Heere zal met de goede zijn." Waar Hij een goed man, een goed magistraat vindt, zal Hij een goede God worden bevonden.