Psalm 132:1-10
In deze verzen hebben wij Salomo's gebed tot God om Zijn gunst jegens hem en zijn regering, en dat het bouwen van een huis voor Gods naam Hem welbehaaglijk mocht wezen.
Merk op:
I. Waar hij op pleit, op twee dingen.
1. Dat hetgeen hij gedaan had geschied was ingevolge de vrome gelofte, die zijn vader David gedaan had, om een huis te bouwen voor God. Salomo was een wijs man, en toch pleit hij op geen verdienste van zichzelf: "Ik ben niet waardig, dat Gij dit voor mij zult doen, maar, Heere, gedenk aan David, met wie Gij een verbond hebt aangegaan" (zoals Mozes gebeden heeft: Gedenk aan Abraham, de eerste bewaarder van het verbond). "Gedenk aan al zijn lijden, al de rampen en benauwdheden van zijn leven, waar zijn zalving de aanleiding toe was, " of, zijn zorg voor de ark, welk een droefheid het voor hem was, dat de ark slechte in het midden van de gordijnen woonde, 2 Samuël 7:2. Gedenk aan zijn nederigheid en zachtmoedigheid, zo lezen het sommigen, aan al de Godvruchtige liefde, waarmee hij de volgende gelofte gedaan heeft. Het is niet verkeerd om God te vragen te gedenken aan die ons voorgegaan zijn in belijdenis, aan hun beproevingen, hun diensten en hun lijden, aan Gods verbond met hen, aan de ervaring, die zij hebben gehad van Zijn goedheid, aan hun zorg en hun gebeden voor hen, die na hen zouden komen. Wij kunnen het toepassen op Christus, de Zone Davids, en op al Zijn lijden, "Heere, gedenk aan het verbond, gemaakt met Hem, gedenk aan al Zijn spijsofferen, Psalm 20:4, aan al Zijn lijden."
Hij pleit inzonderheid op de plechtige gelofte, ` die David gedaan heeft, zodra hij bevestigd was in de regering en voordat hij nog wel gevestigd was in zijn eigen huis, dat hij een huis voor God zou bouwen.
Merk op:
a. Tegenover wie hij zich verbond. Hij heeft de Heere de Machtige Jakobs, gezworen. Geloften moeten gedaan worden aan God, die partij, belanghebbende, is zowel als getuige. De Heere is de Machtige Jakobs, de God Jakobs, en de Machtige, wiens macht aangewend wordt voor Jakobs bescherming en verlossing. Jakob is zwak, maar de God Jakobs is de Machtige.
b. Waartoe hij zich verbond: om een plaats te vinden voor de Heere, voor de ark, het teken van Zijn tegenwoordigheid. Hij had in de wet herhaaldelijk melding gemaakt gezien van de plaats, die God zou verkiezen om er Zijn naam te stellen, waarheen dan alle stammen zich zouden begeven. Toen hij op de troon was gekomen, was er een zodanige plaats niet. Silo was verlaten, en geen andere plaats was verkoren, en daarom werden de feesten des Heeren niet met de behoorlijke plechtigheid gevierd. "Welnu", zegt David, "ik zal zo'n plaats vinden om de plaats van algemene samenkomst te zijn voor al de stammen Israëls, een plaats ter woning voor de Machtige Jakobs, een plaats voor de ark, waar ruimte zal wezen voor de priesters en het volk, als zij opgaan ter aanbidding des Heeren." c. Hoe ijverig hij ervoor was. Hij wilde zich niet vestigen in zijn nieuwe huis, hij wilde niet slapen op zijn bed, voor hij die zaak enigszins tot stand had gebracht, vers 3, 4. Er was lang over de zaak gesproken maar er was nog niets gedaan, totdat David, toen hij op een morgen uitging om de openbare zaken te behartigen, een gelofte deed, om nog voor de nacht tot een besluit te komen omtrent deze zaak, en de plaats te bepalen, waar de tent gespannen zou worden ter ontvangst van de ark bij het begin van zijn regering of liever, waar Salomo de tempel zou bouwen, die niet bepaald was voor het laatste gedeelte van zijn regering, toen de pestilentie ophield, die gezonden was als straf voor zijn telling van het volk, 1 Kronieken 22:1. Toen zei David: Dit is het huis des Heeren. En misschien was het bij gelegenheid van dat oordeel, dat hij die gelofte gedaan heeft, vrezende dat een van de redenen, waarom God met hem twistte, zijn traagheid was ten opzichte van deze zaak. Als noodzakelijk werk voor God gedaan moet worden, dan is het goed om ons een taak op te leggen, ons aan een tijdsbepaling te binden, omdat wij altijd neiging hebben om uit te stellen. Het is goed om des morgens ons werk voor de dag te regelen, ons verbindende dat wij het doen zullen eer wij gaan slapen, doch met het voorbehoud van Gods wil: zo de Heere wil en ik leef want wij weten niet wat de dag baren zal. inzonderheid in het grote werk van de bekering tot God moeten wij aldus zorgzaam, aldus ijverig zijn, wij hebben goede reden om te besluiten dat wij van de gerieflijkheden des levens niet zullen genieten, voor wij de grond gelegd hebben voor onze hoop op een beter leven.
2. Dat het ingevolge de verwachtingen was van het volk Israël, vers 6, 7.
a. Het volk vroeg naar de ark, zij klaagden over haar afwezigheid, haar gemis, 1 Samuël 7:2. Zij hebben er van gehoord in Efratha, te Silo, in de stam van Praam, hun werd gezegd, dat zij daar geweest is, maar zij was weg, zij vonden haar ten laatste in de velden van Jaar dat is in de velden van het woud, in Kirjath-Jearim, dat de stad van de wouden betekent. Vandaar heeft geheel Israël haar met grote plechtigheid in het begin van Davids regering gehaald, 1 Kronieken 13:6, zodat Salomo door dat huis te bouwen geheel Israël aan zich verplichtte, zij behoefden nu niet meer uit te gaan om de ark te zoeken, zij wisten nu waar haar te vinden.
b. Zij waren besloten haar te bezoeken. "Laat ons slechts een geschikte plaats hebben, en wij zullen in Zijn woningen ingaan, om Gode daar onze hulde te brengen, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank van Zijn voeten, als onderdanen en smekelingen, hetgeen wij uit gebrek aan zo'n plaats verzuimd hebben te doen in de dagen van Saul, 1 Kronieken 13:3.
II. Waar hij om bidt, vers 8-10.
1. Dat God zich zal verwaardigen, niet alleen om bezit te nemen van deze tempel, die hij gebouwd had, maar er in te wonen. Sta op Heere! tot Uw rust, en laat deze het zijn, Gij, en de ark Uwer sterkte, het onderpand Uwer tegenwoordigheid, Uwer machtige tegenwoordigheid.
2. Dat God aan de dienaren des heiligdoms genade zou geven om hun plicht te doen. Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid laat hen zich rechtvaardig betonen, beide in hun bestuur en in hun wandel, en laat beide naar de regel zijn. Gerechtigheid is het schoonste sieraad van een bedienaar van de Godsdienst. Heiligheid voor God en goedheid jegens alle mensen zijn klederen voor Gods dienstknechten, de noodzakelijkheid waarvan door niemand betwist wordt. "Zij zijn Uw priesters, en zullen dus hun betrekking tot U in oneer brengen, indien zij niet met gerechtigheid bekleed zijn.
3. Dat het volk van God het genot mocht hebben van de behoorlijke bediening van de inzettingen onder hen, dat Uw gunstgenoten juichen, zij deden dit toen de ark naar de stad Davids gebracht werd, 2 Samuël 6:15. Zij zullen het doen als de priesters bekleed zijn met gerechtigheid. Een getrouwe bediening van de Godsdienst is de blijdschap van de heiligen, zij is er de oorzaak van, zij bevordert haar, wij zijn medewerkers Uwer blijdschap, 2 Corinthiers 1:24.
4. Dat Salomo's eigen gebed bij gelegenheid van de inwijding des tempels Gode welbehaaglijk mocht wezen. "Weer het aangezicht Uws gezalfden niet af, weiger mij niet hetgeen waar Ik om gevraagd heb, zend mij niet beschaamd van U weg. Hij pleit er op, dat hij de gezalfde des Heeren is, en daarop pleit hij als type van Christus de grote gezalfde, die in Zijn tussenbeide treden pleit op Zijn bestemming voor Zijn ambt. Hij is Gods gezalfde, en daarom is het dat de Vader Hem altijd hoort.
b. Dat hij de zoon van David is. "Weer mijn aangezicht niet af, om Davids, Uws knechts, wil." En dit is de pleitgrond van de Christen, "Neem mij aan om Christus wil," (onze David) "in wie Gij een welbehagen hebt." Hij is David wiens naam betekent beminde, en wij zijn aangenomen in de Geliefde. Hij is "Gods dienstknecht, die Hij ondersteunt," Jesaja 42:1. Wij hebben geen eigen verdienste om op te pleiten, maar laat ons om Zijnentwil, in wie een volheid is van verdienste, gunst bij U vinden. Als wij bidden om de voorspoed van de kerk, kunnen wij met grote vrijmoedigheid bidden: laat om Christus wil, die de kerk gekocht heeft met Zijn eigen bloed, beide leraren en gemeente hun plicht doen.