Jesaja 24:16-23
Deze verzen spreken, evenals de vorige, duidelijk
I. Van vertroosting tot de heiligen. Zij kunnen door de rampen van de plaatsen, waar zij wonen, tot de uiterste delen van de aarde gedreven worden, of misschien ter wille van hun Godsdienst genoodzaakt zijn daarheen te gaan, maar daar zullen zij zingen, niet zuchten, van daar hebben wij psalmen gehoord, en het is ons een troost ze te horen, te horen dat Godvruchtige mensen hun Godsdienst met zich medenemen zelfs tot in de verste landen, te horen dat God hen daar bezoekt, en hen aanmoedigt om te hopen dat Hij hen vandaar vergaderen zal, Deuteronomium 30, 4, en aldus is hun lied tot verheerlijking des Rechtvaardigen, het woord staat in het enkelvoud, en er kan de rechtvaardige God mee bedoeld zijn, die rechtvaardig is in alles wat Hij over ons gebracht heeft, dit is de Heere te verheerlijken in de vuren-of, de bedoeling kan ook wezen: Deze psalmen strekken tot eer of tot sieraad van hen, die ze zingen. Wij doen onszelf de grootst mogelijke eer aan als wij ons bezighouden met God te eren en te verheerlijken. Dit kan zien op het zenden van het Evangelie tot de uiterste einden van de aarde. zo ver als dit door ons bewoonde eiland in de dagen van de Messias waarvan de blijde boodschap wederkaatst wordt in psalmen, die vandaar gehoord worden, uit kerken, die daar geplant zijn, tot eer en heerlijkheid van de rechtvaardigen God, in overeenstemming met het lied van de engelen: Ere zij God in de hoogste hemelen, en ere zij allen rechtvaardigen mensen, want het werk van de verlossing was verordineerd tot onze ere eer de wereld was.
II. Van verschrikking tot de zondaren, zichzelf en anderen vertroost hebbende met het vooruitzicht op een behouden overblijfsel, keert hij nu terug om te treuren over de ellende, die als een machtige bergstroom zal losbreken over de aarde. Edoch nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! vers 16. De blote gedachte eraan verteert mij, maakt mij mager. Hij voorziet:
1. Het algemeen heersen van de zonde, dat de ongerechtigheid de overhand zal hebben vers 16. De trouwelozen handelen trouwelooslijk, dat is zelf reeds een oordeel, en het brengt God er toe om nog andere oordelen te zenden
a. De mensen zich trouweloos jegens elkaar, er is geen trouw in de mens, er heerst een algemene oneerlijkheid. De waarheid, die heilige band van de samenleving, is weggegaan, en er is niets dan trouweloosheid in van de mensen handelingen. Zie Jeremia 9:l, 2.
b. Zij zijn allen trouweloos jegens hun God, met betrekking tot Hem en hun verbond met Hem zijn de kinderen van de mensen allen trouweloos in hun handelingen, en hebben zeer trouwelooslijk gehandeld met hun God door van hun trouw aan Hem af te wijken, dit is de oorsprong en dit is de verzwaring van de zonde van de wereld. En als de mensen trouweloos zijn geweest jegens hun God, hoe kunnen zij dan trouw zijn jegens elkaar?
2. Het algemeen heersen van de toorn en van Gods oordelen wegens deze zonde.
A. Van tijd tot tijd zullen de inwoners van de aarde vervolgd worden van de ene plaats naar de andere, door het een of ander onheil, vers 17, 18. De vrees en de kuil en de strik, vrees voor de kuil en de strik is over hen, waar zij ook zijn, want de kinderen van de mensen weten niet in welk kwaad zij plotseling verstrikt kunnen worden, Prediker 9:12. Deze drie woorden schijnen gekozen te zijn als een sierlijke woordspeling, of, zoals wij het nu minachtend noemen, een gerinkink van woorden: pachad, pachas, pach, zo luiden zij in het Hebreeuws, maar de betekenis is duidelijk vers 18, namelijk, dat "het kwaad de zondaars zal vervolgen," Spreuken 13:21, dat de vloek de ongehoorzamen zal treffen, Deuteronomium 28:15, dat zij die gerust zijn omdat zij aan het een oordeel zijn ontkomen, niet weten hoe spoedig een ander over hen komen kan. Hetgeen, waarmee deze profeet al de inwoners van de aarde dreigt, wordt door een andere profeet tot een deel gemaakt van de oordelen over Moab, Jeremia 48:43, 44. Maar het is een gewoon voorbeeld van de rampspoedige staat van het menselijk leven, dat, als wij het een kwaad zoeken te vermijden wij in een ander vervallen, dat nog erger is, en dat het einde van de ene moeilijkheid, de ene benauwdheid, dikwijls het begin is van een andere, zodat wij het minst veilig zijn, als wij het meest gerust zijn.
B. De aarde zelf zal in stukken geschud worden, het zal letterlijk zo wezen aan het einde, als alle de werken daarop verbrand zullen worden, en dikwijls is het zo in overdrachtelijken zin, eer dat dit einde er is, "de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, om" toorn neer te gieten, zoals in de algemenen zondvloed, "Hij regent op de goddelozen vurige kolen en zwavel," Psalm 11:6, en de fonteinen van de grote afgrond opengebroken zijnde, zullen de grondvesten van de aarde natuurlijk wankelen, de natuur is uit haar voegen geraakt, alles is in verwarring. Zie hoe sierlijk dit is uitgedrukt, vers 19,. "De aarde zal ganselijk verbroken worden, de aarde zal ganselijk vaneen gescheurd worden, de aarde zal ganselijk bewogen worden, uit haar plaats worden bewogen, God zal de hemelen en de aarde doen beven", Haggai 2:6. Zie de ellende van hen, die hun schat opleggen in de dingen van de aarde en om die dingen geven, er hun hart op stellen, zij stellen hun vertrouwen in hetgeen weldra ganselijk verbroken, ganselijk vaneen gescheurd zal worden, de aarde zal waggelen gelijk een dronkaard, zo ongestadig, zo onzeker zijn al de bewegingen van deze dingen. Wereldlingen wonen erin als in een paleis, als in een kasteel, als in een oninneembaren toren, maar zij zal heen en weer bewogen worden gelijk een nachthut, zo gemakkelijk, zo snel, en met zo weinig verlies voor de groten landheer. Het afbreken van de aarde zal slechts wezen als het afbreken van een nachthut, die het land wel gaarne kwijt wil wezen, omdat zij slechts bedelaars herbergt, weshalve geen zorg wordt gedragen om haar weer op te bouwen, zij zal vallen en niet weer opstaan, maar er zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, waarin niets dan gerechtigheid zal wonen.
Maat wat is het, dat aldus de aarde beweegt en haar doet verzinken? Het is haar overtreding, die zwaar op haar zal zijn. Zonde is een last voor geheel de schepping, zij is een zware last, een last onder welke zij thans zucht, en die haar ten slotte zal doen verzinken. Zonde is het verderf van staten) koninkrijken en geslachten, zij vallen onder het gewicht van die "plaat van lood," Zacheria 5:7, 8.
C. God zal een bijzonderen twist hebben met de koningen en de groten van de aarde, vers 2t. Hij zal bezoeking doen over de heirscharen des hogen in de hoogte, heirscharen van vorsten zijn voor God niet meer dan heirscharen van gewone mensen, wat kon een heirschaar van groten doen met hun verenigde strijdkrachten, als de Allerhoogste, de Heere van de heirscharen, met hen twist, om hun hoogte te vernederen, hun heirscharen te verstrooien en hun bondgenootschappen te verbreken? De hogen, die in de hoogte zijn, die opgeblazen zijn door hun hoogheid en hun grootheid, die denken zo hoog te zijn, dat zij buiten het bereik zijn van alle gevaar, zullen gewaar worden dat God al hun hoogmoed en al hun wreedheid aan hen zal bezoeken, waarmee zij hun naburen hebben geschaad en hun onderdanen hebben verdrukt, zodat deze nu op hun eigen hoofd zal weerkeren. Met de koningen van de aarde zal nu op aarde worden afgerekend, om te tonen dat er waarlijk een God is, die richt op de aarde en aan de hoogmoedigsten van de koningen vergelden zal naar hun doen. Laat hen, die vertreden worden door de hogen van de aarde, zich hiermede vertroosten, dat, hoewel zij hen niet kunnen, niet durven, niet moeten weerstaan, er toch een God is, die rekenschap van hen zal afeisen, en over hen op hun eigen mesthoop zal zegevieren, want de aarde, waarvan zij de koningen zijn, is in Zijn ogen niets meer of niets beters dan dat. Dit is alleen in het algemeen, in het bijzonder wordt voorzegd, vers 22 dat zij tezamen vergaderd zullen worden, gelijk de gevangenen, gelijk schuldig verklaarde, veroordeelde gevangenen tezamen vergaderd worden in een put, of kerkerhol, en daarin strenge gevangenschap opgesloten zijn, de koningen en hogen, die voor zichzelf alle mogelijke vrijheid namen, en er vermaak in vonden om anderen op te sluiten, zullen nu zelf opgesloten worden. Laat de vrije zich niet beroemen op zijn vrijheid evenmin als de sterke zich moet beroemen op zijn kracht, want hij weet niet in welk bedwang hij nog komen kan. Maar na veel dagen zullen zij weer bezocht worden, hetzij:
a. Dat zij bezocht zullen worden in toorn-het is hetzelfde woord in een anderen vorm, dat gebruikt is in vers 21. De Heere zal hen straffen, zij zullen bewaard worden voor de dag van de voltrekking van het vonnis, zoals ter dood veroordeelde gevangenen, en zoals de gevallen engelen "met eeuwige banden onder de duisternis bewaard worden tot het oordeel van de grote dag." Judas, vers 6. Laat dit een verklaring zijn van het uitstel van de goddelijke wraak, het vonnis wordt niet snel voltrokken, omdat de dag van de voltrekking nog niet gekomen is, en misschien niet komen zal dan na vele dagen, maar het is zeker dat de goddeloze bewaard wordt voor de dag des verderfs, en intussen bewaard, behoed blijft, maar "ten dage van de verbolgenheid te voorschijn gebracht zal worden," Job 21:30, x) zo laat ons dan over niets voor de tijd oordelen.
b. Zij zullen bezocht worden in genade, en uit hun gevangenschap worden bevrijd, en zullen wederom-zo niet hun waardigheid-maar dan toch hun vrijheid herkrijgen. Bij zijn veroveringen heeft Nebukadnezar veel koningen en vorsten tot zijn gevangenen gemaakt, en hen in de gevangenis te Babel opgesloten, onder anderen ook Jojachin, koning van Juda, maar na veel dagen, toen hij het hoofd had neergelegd, heeft zijn zoon hem bezocht en hem in zijn dienstbaarheid enige vriendelijkheid betoond, want het wordt als een voorbeeld van zijn bijzondere vriendelijkheid voor Jojachin genoemd, dat hij "zijn stoel stelde boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren," Jeremia 52:32. Als wij het toepassen op de algemene staat van het mensdom, dan wordt er een omwenteling van toestand mee te kennen gegeven, zij, die hoog waren, zijn gestraft, zij, die gestraft waren, hebben verademing na vele dagen, opdat niemand in deze wereld gerust zij, al is zijn toestand ook nog zo bloeiend, en opdat niemand zal wanhopen, in hoe treurigen toestand hij zich ook moge bevinden.
3. In dit alles eer en heerlijkheid aan God vers 23. Als dit alles plaats heeft, als de trotse vijanden van Gods kerk vernederd worden naar beneden gebracht zijn, dan zal het buiten alle tegenspraak blijken dat de Heere regeert, hetgeen altijd waar is, maar niet altijd even merkbaar is. Als de koningen van de aarde gestraft zijn voor hun tirannie en verdrukking, dan wordt aan geheel de wereld bekend gemaakt dat God de Koning van de koningen is, Koning is boven hen, door wie zij verwinbaar zijn, Koning over hen, aan wie zij verantwoordelijk zijn, dat Hij heerst als Heere van de heirscharen, van alle heirscharen, van hun heirscharen, dat Hij regeert op de berg Zion en in Zijn kerk, tot haar eer en haar welzijn, ingevolge de belofte waarop zij gegrond is, regeert in Zijn Woord en in Zijn inzettingen dat Hij regeert voor Zijn oudsten en voor al Zijn heiligen, inzonderheid voor Zijn dienstknechten, de ouderlingen van Zijn kerk, die hun oog gericht hebben op al de uitgangen van Zijn macht en voorzienigheid, en in al deze gebeurtenissen Zijn hand opmerken. Gods oudsten de oudste discipelen, de ervaren Christenen, die dikwijls als zij in verwarring en verlegenheid waren, in het heiligdom zijn gegaan, in Gods heiligdom in Zion en Jeruzalem, en zich bekend hebben gemaakt met Zijn openbaringen van zichzelf aldaar, zij zullen meer dan anderen zien van Gods heerschappij en soevereiniteit in deze werkingen van Zijn voorzienigheid.
b. Dan zal het blijken dat Hij heerlijk regeert, regeert in zo'n glans en luister, dat de maan schaamrood zal worden en de zon beschaamd zal worden, gelijk de kleinere lichten verduisterd en uitgeblust worden door de grotere. Hoge, aanzienlijke mannen, die dachten zo glansrijk en zo groot een heerschappij te hebben als de zon en de maan, zullen beschaamd worden, als God zal blijken boven hen te zijn, en nog veel meer als Hij tegen hen verschijnt, dan zal hun aangezicht schaamrood zijn, zodat zij Gods naam zullen zoeken. De Oosterse volken aanbaden de zon en de maan, maar als God zo heerlijk zal verschijnen voor Zijn volk tegen Zijn en hun vijanden, dan zullen al deze voorgewende godheden zich er over schamen, dat zij ooit de hulde van hun misleide en verblinde aanbidders hebben ontvangen. De heerlijkheid van de Schepper overtreft oneindig ver de heerlijkheid van het luisterrijkste schepsel. Op de grote dag, wanneer de Rechter van hemel en aarde verschijnen zal in Zijn heerlijkheid, dan zal door Zijn alles overtreffenden glans de zon in duisternis veranderd worden en de maan in bloed.