Psalm 94:1-11
In deze verzen hebben wij
I. Een plechtig beroep op God tegen de wrede verdrukkers van Zijn volk, vers 1, 2. Dit spreekt genoeg verschrikking tot hen, dat de gebeden van Gods volk tegen hen gericht zijn, die dag en nacht tot Hem roepen om wraak over hun tegenstanders, en zal Hij hun niet haastelijk recht doen? Lukas 18:3, 7.
Merk hier op:
1. De titels, die zij aan God geven ter bemoediging van hun geloof bij dat beroep. O God van de wraken, en Gij, Rechter van de aarde. Wij kunnen met vrijmoedigheid een beroep op Hem doen, want:
a. Hij is Rechter, opperste Rechter, alleen Rechter, van wie ieder oordeel voortkomt. Hij, die de wet geeft, spreekt overeenkomstig die wet over ieder mens een oordeel uit naar zijn werken. Hij heeft voorzeker magistraten verordineerd, die onder Hem wrekers moeten zijn, Romeinen 13:4, maar Hij is de opperste wreker, aan wie de magistraten zelf rekenschap verschuldigd zijn. Zijn troon is de laatste toevlucht, (het laatste ressort, zoals de wet zegt) voor de verdrukte onschuld. Hij is de algemene Rechter, niet slechts van deze of die stad, dit of dat land maar Rechter van de aarde, van de gehele aarde, niemand is vrijgesteld van Zijn rechtsgebied, noch kan tegen een beroep op Hem aangevoerd worden dat het "coram non judice" is dat het beroep gedaan wordt op iemand, die rechterlijk onbevoegd is.
b. Hij is rechtvaardig, gelijk Hij macht en gezag heeft, om onrecht te wreken zo is dit ook Zijn aard, Zijn eigenschap Zijn eer. Ook dit ligt opgesloten in de titel, die Hem hier gegeven is, en met zo grote nadruk is herhaald. O God van de wraken, die niet zult toelaten, dat macht altijd zegeviert over recht. Dit is een goede reden, waarom wij onszelf niet moeten wreken, want God heeft gezegd: Mijne is de wraak, en het is een grote vermetelheid om zich Zijn kroonrecht aan te matigen en op Zijn rechterstoel te gaan zitten, Romeinen 12:19. Laat dit hen verschrikken die onrecht doen, hetzij met een bedekte hand om niet ontdekt te worden, of met opgeheven hand, om niet bedwongen of tegengestaan te worden. Er is een God, wiens de wrake is, die hen gewis ter verantwoording zal roepen, en laat het hen, die onrecht lijden, aanmoedigen om het in stilte te dragen, zich aanbevelende en overgevende aan Hem, die rechtvaardig oordeelt.
2. Wat het is, dat zij van God vragen:
a. Dat Hij zich verheerlijken zal, eer zal verkrijgen voor Zijn naam. Goddeloze vervolgers dachten dat God zich had teruggetrokken, de aarde had verlaten, "Heere", zeggen zij, "toon U, doe hen weten dat Gij bestaat, en dat Gij gereed zijt U sterk te betonen ten behoeve van hen, wier hart oprecht met U is." De vijanden dachten dat God overwonnen was, omdat Zijn volk het was, "Heere," zeggen zij, verhef U, wees verhoogd in Uw eigen sterkte. Verhef U om gezien te worden, om gevreesd te worden, en laat niet toe dat Uw naam vertreden wordt." b. Dat Hij de verdrukkers zou vernederen: breng vergelding weer over de hovaardigen, dat is:, reken af met hen voor al hun onbeschaamdheid en de beledigingen, die zij Uw volk hebben aangedaan." Deze gebeden zijn profetieën, die verschrikking spreken tot al de kinderen des gewelds. De rechtvaardige God zal naar verdienste met hen handelen.
II. Een nederige klacht bij God over de hoogmoed en de wreedheid van de verdrukkers, en een ernstige bespreking met Hem over hen, vers 3-6. Waarbij wij hebben op te merken:
1. Het karakter van de vijanden over wie zij klagen. Zij zijn goddeloos, werkers van de ongerechtigheid, zij zijn slecht, zeer slecht, en daarom haten en vervolgen zij degenen, wier godsvrucht hen veroordeelt. Diegenen zijn in waarheid goddeloos, zijn werkers van de ongerechtigheid, dood voor alle eer en deugd, die wreed zijn jegens de onschuldigen en de rechtvaardigen haten.
2. Hun hoogmoedige wrede houding, waar zij over klagen.
a. Zij zijn onbeschoft, en smaken er genoegen in zich hoog en voornaam aan te stellen. Zij spreken groot en luid, zij snoeven, alsof hun tong en ook hun handen van hen waren, hun in eigendom toebehoorden, en zij aan niemand rekenschap verschuldigd waren van hetgeen zij zeggen of doen, en alsof de dag hun toebehoorde, en alsof zij er niet aan twijfelden, dat zij over God en godsdienst wel zullen zegevieren. Zij, die hoog spreken van zichzelf, snoeven en roemen op zichzelf, hebben de neiging om op harde wijze te spreken van anderen, maar er zal een dag van afrekening komen voor al de harde woorden, die de goddeloze zondaren tegen God en Zijn waarheid, Zijn wegen en Zijn volk gesproken hebben, Judas: 15.
b. Zij zijn goddeloos, hebben er behagen in om Gods volk terneder te werpen omdat zij Gods volk zijn, vers 5. "O Heere zij verbrijzelen Uw volk, breken hun vergaderingen op, verbrijzelen hun bezittingen, hun gezin, doen alles wat zij kunnen om Uw erfdeel te kwellen, te verdrukken, uit te roeien." Gods volk is Zijn erfdeel, er zijn zodanigen, die het om Zijnentwil haten en zoeken te verderven. Dit is een zeer goede pleitgrond bij God in ons bidden voor de kerk. "Heere, het is het Uwe, Uw erfdeel. Gij hebt er een welbehagen in, Gij ontvangt er de schatting van lof en heerlijkheid van in deze wereld. Zult Gij dan toelaten, dat het door deze goddelozen vertreden wordt?"
c. Ze zijn onmenselijk, vinden er behagen in om onrecht te doen aan hen, die het minst in staat zijn zichzelf te helpen, vers 6. Zij verdrukken en verarmen de weduwe en de vreemdeling niet slechts, maar doden hen, veronachtzamen de wezen niet slechts, maken hen niet slechts tot hun prooi, maar vermoorden hen, omdat zij zwak zijn en hulpeloos, en zij hen soms in hun macht hebben. Hen, die zij moesten beschermen tegen benadeling, benadelen zij het meest, misschien wel omdat God hen onder Zijn bijzondere zorg heeft genomen. Wie zou het mogelijk achten, dat iemand uit de kinderen van de mensen zo wreed kon wezen?
3. Een nederig pleiten bij God vanwege de lange duur van de vervolging. Heere, hoe lang zullen zij alzo doen?" En wederom: Hoe lang? Wanneer zal aan deze goddeloosheid van de goddelozen een einde komen? III. Een beschuldiging van atheïsme ingebracht tegen de vervolgers, en een bestraffend vermaan aan hen dieswege.
1. Hun atheïstische denkbeelden worden hier ontdekt, vers 7. Zij zeggen: "de Heere ziet het niet. Hoewel het geroep van hun goddeloosheid zeer groot en luid is, hoewel zij rebelleren tegen het licht van de natuur en de inspraak van hun eigen geweten, hebben zij toch de stoutheid van te zeggen: "De Heere ziet het niet, Hij zal niet slechts kleine fouten voorbijzien, maar ook voor grote misdaden de ogen sluiten." Of wel, zij denken dat zij het zo slim hebben aangelegd, misschien wel onder schijn van gerechtigheid en godsdienst, dat het niet als moord beschouwd zal worden. De God Jakobs hoewel Zijn volk voorgeeft zozeer in Zijn gunst te delen merkt het niet, beschouwt het niet als tegen de gerechtigheid te zijn, of tegen Zijn eigen volk, Hij zal er hen nooit ter verantwoording voor roepen. En zo loochenen zij dan Gods bestuur van de wereld, spotten met Zijn verbond, met Zijn volk, en trotseren het toekomend oordeel.
2. Zij worden hier overtuigd van dwaasheid en ongerijmdheid. Hij, die zegt, hetzij dat Jehovah, de levende God, niet ziet, of dat de God Jakobs het onrecht niet merkt, dat Zijn volk wordt aangedaan Nabal is zijn naam en dwaasheid is bij hem, en toch wordt hier met hem geredeneerd tot zijn overtuiging en bekering, ten einde zijn beschaming te voorkomen, vers 8. Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk, en laat de rede, het verstand, u leiden." De atheïsten doen zich wel voor als vernuftige lieden, als wijsgeren en staatslieden maar in werkelijkheid zijn zij de onvernuftigen onder het volk, indien zij slechts wilden verstaan, zij zouden geloven. God spreekt, door de profeet, alsof Hij dacht dat het lang duurt eer de mensen mensen willen zijn en zich aldus te tonen door verstand en nadenken, "gij dwazen, wanneer zult gij verstandig worden, zo verstandig, dat gij weet dat God alles wat gij zegt en doet ziet en bemerkt, en dan dienovereenkomstig spreekt en handelt, als degenen die er rekenschap van moeten geven?" Er zijn geen mensen zo slecht, of er moeten middelen worden gebruikt om hen tot bekering te brengen, er zijn geen mensen zo onvernuftig, zo dwaas, of het moet beproefd worden of zij niet verstandig gemaakt kunnen worden, zolang er leven is is er hoop.
Om de dwaasheid in het licht te stellen van hen, die Gods alwetendheid en gerechtigheid in twijfel stellen, wijst de psalmist:
A. Op de werken van de schepping, vers 9, op de formering van het menselijk lichaam, die gelijk zij bewijst dat er een God is, ook bewijst dat God op oneindige, alles overtreffende wijze al de volmaaktheden heeft in zichzelf, die in enigerlei schepsel worden gevonden. Zal Hij, die het oor plant (en het is geplant in het hoofd als een boom in de grond), niet horen? Voorzeker zal Hij horen, meer en beter dan wij het kunnen. Zou Hij, die het oog formeert (en hoe kunstig het geformeerd is boven enig ander deel van het lichaam, weten de ontleedkundigen, en ze laten het ons weten door hun ontledingen), niet zien? Kon Hij, zou Hij, die volmaaktheid geven aan een schepsel, dat haar niet heeft in zichzelf? De krachten van de natuur zijn ontleend aan de God van de natuur. Zie Exodus 4:11. De kennis van onszelf kan ons goed op weg brengen naar de kennis van God, indien wij door de kennis van ons eigen lichaam en de organen van de zintuigen tot de gevolgtrekking komen dat, als wij kunnen zien en horen, zoveel te meer nog God moet kunnen zien en horen, dan voorzeker kunnen wij dit ook door de kennis van onze eigen ziel en van haar edele gaven en vermogens. De goden van de heidenen hadden ogen en zagen niet, oren en hoorden niet, onze God heeft geen ogen of oren zoals wij ze hebben, en toch moeten wij tot de gevolgtrekking komen dat Hij beide ziet en hoort, omdat wij ons gezicht en gehoor van Hem hebben ontvangen en Hem verantwoordelijk zijn voor het gebruik dat wij er van maken.
B. Hij wijst op de werken van de voorzienigheid vers 10. Zou Hij, die de heidenen tuchtigt wegens hun veelgodendom en hun afgoderij, niet nog veel meer Zijn eigen volk straffen voor hun atheïsme en hun onheiligheid? Zal niet Hij, die de kinderen van de mensen tuchtigt wegens hun verdrukken en verongelijken van elkaar, hen niet straffen, die Zijn eigen kinderen zijn, en zich zo noemen en toch hen vervolgen, die dit in werkelijkheid zijn? Zullen wij niet onder Zijn bestraffing zijn, onder wiens regering de gehele wereld is? Ziet en aanschouwt Hij als Koning van de volken? En zal Hij dan niet nog veel meer als de God Jakobs merken? Dr. Hammond geeft hier een andere en zeer waarschijnlijke betekenis aan: Zal "Hij, die de heidenen onderricht," dat is: hun Zijn wet geeft "niet straffen, " zal Hij hen niet naar deze wet oordelen, en hen ter verantwoording roepen voor hun overtreding ervan? Tevergeefs is de wet gegeven, indien er geen oordelen zal zijn naar deze wet. En het is waar dat hetzelfde woord tuchtigen en onderwijzen betekent, omdat tuchtiging bestemd is om te onderwijzen en tuchtiging moet met veel onderwijs gepaard gaan.
C. Hij wijst op de werken van de genade. Zal Hij, die de mens wetenschap leert, niet weten? Hij heeft niet slechts als de God van de natuur het licht van de rede gegeven, maar als de God van de genade heeft Hij het licht van de openbaring gegeven, de mensen getoond wat ware wijsheid en verstand is, en zal Hij, die dat doet niet weten? Job 28:23, 28. Het stromen van de rivieren is een stellig teken van de volheid van de bron. Indien alle kennis van God komt, dan voorzeker is alle kennis in God. Met deze algemene leerstelling van Gods alwetendheid brengt hij niet alleen de atheïsten tot zwijgen, die zei: "De Heere ziet het niet, vers 7, Hij neemt geen kennis van hetgeen wij doen, " maar hij wekt ook ons allen op om te erkennen dat God kennis zal nemen zelfs van hetgeen wij denken, vers 11. De Heere weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
a. Hij weet inzonderheid die gedachten betreffende Gods oogluikend toelaten van de goddeloosheid van de goddelozen en weet dat zij ijdelheid zijn, en Hij lacht over de dwaasheid van hen, die zich door zulke zotte gedachten stijven in de zonde.
b. Hij kent al de gedachten van de kinderen van de mensen, en weet dat zij meest ijdelheid zijn, dat het verdichtsel van der mensen hart boos is, alleen boos is, en dat wel voortdurend. Zelfs in goede gedachten is er nog een wispelturigheid en onstandvastigheid, die wel ijdelheid genoemd kan worden. Het is zaak voor ons om streng de wacht te houden over onze gedachten, omdat God er zeer bijzonder kennis van neemt. Gedachten zijn voor God woorden, en ijdele gedachten zijn tergingen.