Spreuken 16:10
Een Goddelijke spreuk is op de lippen des konings. Wij wensen dat dit als stelling altijd waar was, en het moet ons gebed zijn voor koningen en allen, die in hoogheid zijn dat een Goddelijke spreuk op hun lippen moge wezen, zowel in het geven van orders, opdat zij dit doen met wijsheid, als in het uitspreken van een vonnis, opdat dit in gerechtigheid zij, en die beide liggen opgesloten in het gericht, en dat daarin hun mond niet zal overtreden 1 Timotheus 2:1. Maar dikwijls is het anders, en daarom:
1. Kan het gelezen worden als een gebod, een voorschrift aan de koningen en rechters van de aarde, om wijs en beraden te zijn, laat hen rechtvaardig wezen en regeren in de vreze Gods, laat hen handelen met zoveel wijsheid en nauwgezetheid van geweten, dat er als een heilige Godsspraak zij in alles wat zij zeggen of doen, en dat zij door bovennatuurlijke beginselen worden geleid, laat hun mond niet overtreden in het gericht, want het gericht is Godes.
2. Het kan opgevat worden als een belofte aan alle goede koningen, dat indien zij in oprechtheid Gods eer op het oog hebben, leiding en bestuur van Hem begeren, Hij hun wijsheid en genade zal geven naar evenredigheid van de hoge plaats, die zij innemen, en de macht, die hun gegeven is. Toen Saul tot koning was gezalfd, heeft God hem een andere geest gegeven.
3. Het was waar betreffende Salomo, die dit geschreven heeft, hij had buitengewone wijsheid, ingevolge de belofte, die God hem gedaan had. Zie 1 Koningen 3:28.