Psalm 64:1-7
In deze verzen stelt David aan God zijn gevaar voor en het slechte karakter van zijn vijanden, om kracht bij te zetten aan zijn bede dat God hem zou beschermen en hen zou straffen.
I. Hij bidt God vurig om hem te bewaren vers 2, 3. Hoor, o God, mijn stem in mijn gebed, vers 2, geef mij hetgeen waar ik om bid, en het is dit: Heere, behoed mijn leven voor des vijands schrik, voor de vijand die ik vrees. Hij bidt om zijn leven, dat hem in bijzondere zin dierbaar is, omdat hij weet dat het bestemd is om zeer dienstig te zijn aan God en zijn geslacht. Als men het op zijn leven toelegt, dan is het niet te denken dat hij ten enenmale zou zwijgen, Esther 7:2,4. En als hij pleit op zijn vrees voor de vijand, dan is dit volstrekt geen verkleining van zijn moed, zijn vader Jakob, die zich vorstelijk had gedragen met God, heeft dit voor hem gedaan, Genesis 32:11. Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand, want ik vrees hem. Behoed mijn leven voor vrees, niet alleen voor de zaak zelf, die ik vrees maar voor de ontrustende vrees ervoor, dit is dan ook eigenlijk de bewaring van het leven want de vrees heeft pijn, inzonderheid de vrees voor de dood, waardoor sommigen hun leven lang van de dienstbaarheid zijn onderworpen. Hij bidt: "Verberg mij voor de heimelijke raad van de boosdoeners, voor het kwaad, dat zij heimelijk onder elkaar beraadslagen, om mij te doen en voor de oproerigheid van de werkers van de ongerechtigheid, die hun krachten verenigen zoals zij zich verenigd hebben in hun rand om mij onheil te berokkenen."
Merk op: De heimelijke raad eindigt in oproerigheid, verraderlijke daden beginnen in verraderlijke bondgenootschappen en samenzweringen. Verberg mij voor hen, dat zij mij niet vinden, dat zij mij niet bereiken. Laat mij veilig zijn onder Uwe bescherming."
II. Hij klaagt over de grote boosheid en goddeloosheid van zijn vijanden. Heere, verberg mij voor hen, want het zijn de slechtste mensen, het is niet voegzaam dat men de ogen voor hen sluit, dat men hen oogluikend laat geworden, het zijn gevaarlijke mensen, die voor niets terugdeinzen, zodat ik verloren ben, indien Gij mijn partij niet neemt en voor mij tegen hen optreedt.
1. Zij zijn zeer boosaardig in hun lasteringen en smaadredenen, vers 4, 5. Zij worden aangeduid als krijgslieden, met zwaard en boog, boogschutters die nauwkeurig mikken heimelijk en plotseling de argelozen vogel schieten, die niet in gevaar denkt te zijn. Maar:
a. Hun tong is hun zwaard een vlammend tweesnijdend zwaard, een ontbloot zwaard, getrokken in toorn, waarmee zij de goede naam van hun naaste snijden, wonden en doden. De tong is een klein lid, maar evenals het zwaard "roemt het grote dingen," Jakobus 3:5. Het is een gevaarlijk wapen.
b. Bittere woorden zijn hun pijlen. Vuile aanmerkingen, smadelijke bijnamen valse voorstellingen, achterklap en laster, de vurige pijlen van de boze, door hellevuur aangestoken. Hun boosaardigheid spant de boog om deze pijlen met zoveel te meer kracht af te schieten.
c. De oprechte is hun doelwit tegen hem is hun gemelijkheid gericht, zij kunnen noch tot hem noch van hem vredig spreken. Hoe beter iemand is, hoe meer hij benijd wordt door hen, die zelf slecht zijn en hoe meer kwaad van hem gesproken wordt. d. Zij gaan hierbij met zeer veel list en behendigheid te werk, zij schieten in het verborgen opdat zij op wie zij schieten, hen niet zullen ontdekken en het gevaar zullen vermijden, want het net wordt tevergeefs gespreid voor allerlei gevogelte. En plotseling schieten zij, zonder iemand behoorlijk te waarschuwen of gelegenheid te geven om zich te verdedigen. "Vervloekt zij hij, die zijn naaste in het verborgene neerslaat in zijn eer en goede naam," Deuteronomium 27:24. Tegen een stoot van een valse tong kan men zich niet inachtnemen.
e. Hierin vrezen zij niet zij zijn zeker van een goede uitslag, en twijfelen niet of zij zullen op die wijze het doel bereiken waarnaar hun boosheid streeft. Of liever zij vrezen de toorn Gods niet, die het deel van een valse tong zal wezen. Zij zijn onbeschaamd en vermetel in het kwaad, dat zij doen aan godvruchtigen, alsof zij daarvoor nooit ter verantwoording geroepen zullen worden.
2. Zij zijn zeer vastberaden in hun boze plannen, vers 6..
a. Zij sterken zich en elkaar in deze boze zaak, en door er zich tezamen voor te verbinden, verbitteren zij elkaar nog te meer en maken elkaar zoveel te stoutmoediger. Fortiter calumniari aliquid adhaerebit. Laster maar toe, iets van de smaad zal wel blijven kleven. Het is slecht om oprecht te doen maar nog slechter is het om er elkaar in te versterken, dat is des duivels werk te doen. Het is een teken dat het hart in de hoogste mate verhard is, als het er dus op gezet is om kwaad te doen en nergens voor vreest. Het is het ambt van het geweten, om de mensen te ontmoedigen in een boze zaak, en als het geweten hierin niet slaagt, dan staat de zaak hopeloos.
b. Zij gaan met zichzelf en elkaar te rade, hoe zij het meeste kwaad kunnen doen en hoe het te doen met de meeste uitwerking. Zij houden sprake van strikken te verbergen. Al hun gemeenschap met elkaar is in zonde, en hoe veilig te zondigen. Zij houden krijgsraad om de meest afdoende middelen te bedenken om kwaad te doen, over iederen strik die zij leggen, is vooruit gesproken, en daardoor werd hij gelegd met al de list van hun verenigd goddeloos vernuft.
c. Zij scheppen behagen in hun atheïstische waan, dat God zelf geen kennis neemt van hun boze praktijken, zij zeggen: Wie zal ze zien Een practisch ongeloof aan Gods alwetendheid is op de bodem van al de goddeloosheid van de goddelozen.
3. Zij zijn zeer bedrijvig in het ten uitvoer brengen van hun plannen, vers 7. Zij doorzoeken allerlei ongerechtigheid, zij geven zich veel moeite om de ene of andere ongerechtigheid te ontdekken, die zij mij ten laste kunnen leggen, zij graven diep en zien zeer ver terug, om maar iets te hebben, waarvan zij mij kunnen beschuldigen." Of, "Zij zijn ijverig om nieuwe middelen te bedenken om mij kwaad te doen, daarvoor stellen zij een nauwkeurig onderzoek in, zij zetten het voort, sparen moeite noch kosten, een Belialsman graaft kwaad. De helft van de moeite, die velen doen om hun ziel in het verderf te storten, zou genoeg zijn om ze te behouden. Zij zijn meesters in de kunst van alle kwaad en verwoesting, want het binnenste van een mens en het hart zijn diep, diep als de hel, arglistig meer dan enig ding, wie zal ze kennen? Door de onverklaarbare boosaardigheid van hun vernuft en van hun wil tonen zij zich in list en boosaardigheid als het echte zaad van de slang.