7. a) De rechtvaardige neemt kennis, in het bijzonder van de rechtszaak der armen, en beslecht ze met liefde, wijsheid en rechtvaardigheid; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet; hij kan het recht niet verstaan en wil zich ook gene genoegzame moeite geven, de rechtzaak te onderzoeken, en dit wel het minst, waar het die eens armen betreft.
a) Job 29:16. De begeerte om in alles recht te doen verheldert den blik; het tegendeel verduistert hem. -Elk mens, bij wien deze begeerte leeft, krijgt daardoor in alle zaken dezes levens een juister inzicht, hij kan zich namelijk in den toestand van den onderdrukte en in het onrecht, dat hem aangedaan wordt, verplaatsen; terwijl zulks voor den goddeloze, die alles naar den uitwendigen schijn beoordeelt, verborgen blijft, waardoor hij er gemakkelijk toe komt, den arme te onderdrukken..
Hier heeft men de tegenstelling tussen het doen van den rechtvaardige en van den goddeloze, ten opzichte van het recht der armen en geringen. De rechtvaardige, zegt hier de Schrift, erkent het recht van den arme, maar de goddeloze heeft daarvoor geen oren, heeft er geen begrip van, dat de arme evenzeer een schepsel Gods is, dat God niet alleen den rijke, maar ook den arme heeft gemaakt, dat daarom de arme ook hierop recht heeft, als een schepsel Gods behandeld te worden. Een woord van veel gewicht voor alle eeuwen, en ook voor onzen tijd.