1. Een lied Hammaälôth (
Psalm 120:1 ).
Het begin aan ons bedevaartsboekje werd gevormd door een lied (Psalm 120), dat, zo als wij gezien hebben, gezongen werd door de naar Jeruzalem optrekkende feestkaravanen, wanneer zij de grenzen van Samaria voorbijtrokken; met het tweede lied betrokken zij hun nachtleger te Jericho, en met het derde (Psalm 122) waren zij, na het afleggen van hun dagreis tussen Jericho en Jeruzalem, onder de poorten der heilige stad aangekomen en rangschikten zij zich tot een plechtigen optocht naar den tempel. Gedurende den optocht zelven was men gewoon de volgende negen liederen (Psalm 123-131) te zingen en herinnerde men zich de noden en verzoekingen, door welke de gemeente had moeten doorgaan na het terugkeren uit de Babylonische ballingschap tot aan de herstelling van tempel en staat, maar ook de Goddelijke belofte, met welke zij zich ten tijde van hun verdrukking hadden kunnen troosten; zij bedachten, hoe zij, terwijl zij het roepen tot den Heere en het wachten op Hem geleerd hadden, tot waren ootmoed en tot stille gelatenheid en zo op den enigen weg des heils gekomen waren. Met Psalm 182 trokken, gelijk het schijnt, ten tijde van het avondoffer de karavanen den tempel binnen en woonden daarop den godsdienst bij. Het voorlaatste lied (Psalm 133) was bijzonder geschikt, om op iedere der verscheidene feestdagen aangeheven te worden, wanneer weer ene heilige feestelijke vergadering had plaats gevonden en den zegen van de gemeenschap der heiligen tot bewustzijn had gebracht. Dit bedevaartsboekje wordt eindelijk door een lied gesloten (Psalm 134), dat, gelijk wij niet betwijfelen, den afscheidsgroet aan den tempel bevat, door de feestgenoten na het volbrengen van den laatsten godsdienst in den heiligen feesttijd aangeheven. Het werd tot de Priesters en Levieten gericht, die, al was de feestvierende gemeente uit elkaar gegaan en elke karavane den volgenden morgen naar hare woonplaats in het heilige land teruggaan, toch zonder ophouden in den tempel verder dienden, en zelfs des nachts op hun posten bleven. Deze knechten des Heeren konden ook weer de gemeente, die feest gevierd had, niet uit elkaar laten gaan en naar hun vaderland laten terugtrekken, zonder haar enen zegengroet tot afscheid mede op den weg te geven. De Psalm is door dien geestelijken zanger vervaardigd, die het bedevaartsboekje verzamelde en tot een zo wel geordend geheel rangschikte, terwijl hij bij de liederen van David (Psalm 122, 124, 131, 133) en Salomo (Psalm 127, 132) en van zijnen onmiddellijken voorganger (Psalm 120, 121, 123, 125, 126, 128) noch drie producten van zich zelven (Psalm 129, 130, 134) voegde (Ezra 4:24 ), en ook hier zowel den trapsgewijzen voortgang van gedachten, die de liederen Hammaälôth kenmerkt, als hun daarmee zamenhangend dramatisch karakter op het oog heeft. (Nehemia 1:3 Aanm).
I. Vers 1, 2. Het koor der gemeente richt tot de priesters en Levieten, die in den tempel achterblijven, bij haar afscheid van het heiligdom, de aansporing om ijverig en getrouw te dienen, en onafgebroken den Heere aan te roepen. Zij zelf verlaat nu weer voor een geruimen tijd de heilige plaats, en alsdan komt het den priesters en Levieten toe, het werk, dat onder het volk van God nooit rusten mag, verder voort te zetten.
Ziet 1), looft (woordelijk zegent) 2) den HEERE, alle gij knechten des HEEREN, gij die, om Hem te dienen en Zijnen naam te loven (Deuteronomium 10:8), en dagelijks de godsdienstige verrichtingen te doen plaats hebben (Hebreeën 10:11), zelfs allen nacht in het huis des HEEREN staat (1 Kronieken 9:33)
1) Het "ziet" is uit den vorigen Psalm overgenomen en wordt nu ook in het afscheidslied gehoord, nadat het op iederen dag van den feesttijd het gezang der gemeente heeft geopend; daar was het (Psalm 133:1) een heenwijzen naar het begin van iets tijdelijks, hier wijst het op een plicht, "die uit het ambt voortvloeit.".
2) Den Heere "zegenen" is wat de zaak aangaat, zoveel als: "Hem loven en prijzen; het is echter beter het wordt te behouden, omdat het "de Heere zegene u" in Vers 3 daarom terugslaat..
3) Na middernacht nam de hoofd-portier de sleutels van den binnensten tempel en ging hij met enige priesters door het kleine poortje in de brandpoort. In den binnensten voorhof verdeelde zich deze menigte van wachters in twee hopen, ieder met een brandenden fakkel-de ene wendde zich naar het westen, de andere naar het oosten-en zo gingen zij den voorhof rond, of alles voor den dienst van den volgenden dag gereed was. Bij de bakkerskamer (van welke niet nauwkeurig kan gezegd worden, waar die geweest is) ontmoetten zij elkaar en riepen elkaar toe: "alles is goed"; intussen stonden ook de overige priesters op, baadden zich en trokken hun ambtsklederen aan, dan gingen zij in de vierkante kamer, van welke de ene helft de vergaderzaal van het Sanhedrin was, (zie Gasith in de bij Matth 4:7) waar onder de leiding van een hoofd over de loting en van een gerechtelijk persoon, het priesterlijk dienstwerk van den volgenden dag (Lukas 1:9) verdeeld werd..
Gelijk een morgen- en avondpsalm in den gewijden bundel voorkomen, zo hebben we hier een nachtpsalm voor de Priesters, die des nachts het huis des Heeren bewaakten, opdat alles gereed zou zijn, wanneer des morgens vroeg de dienst een aanvang nam. 2. Heft onder de voortdurende godsdienstplechtigheden, opdat deze gene dode werken zijn, maar aan hun bestemming voldoen, uwe handen op naar het heiligdom, het allerheilige, waar de Heere boven het verzoendeksel troont (Psalm 5:8; 28:2; 138:2), en looft (zegent) den HEERE.
Waken en bidden behoort bij elkaar en is het werk van alle vromen; de geordende dienaren van het heiligdom moeten zich daarin door de gemeente niet laten beschaamd maken..
Het bewustzijn in Gods heilige ordeningen te staan en te arbeiden, is dikwijls niet hij hen, die het bovenal moesten bezitten. Een herder moet meer dan anderen vaststaan; hij moet, zoals niemand anders in heilige tucht wandelen, en naar de eeuwige ordeningen Gods zijn gehele leven richten.
Het "opheffen der handen" is ene eigenaardige beschrijving van het gebed; daar het een gewoon gebruik was, om onder het bidden de handen opwaarts te heffen, hetzij naar het heiligdom, waar God Zijn troon had, hetzij naar den hemel, waarvan het heiligdom ene afbeelding was. Daarenboven stelt het opheffen der handen de voornaamste gemoedsgestalten voor, welke tot een waar gebed behoren. Door deze plechtigheid gaf men te kennen, dat men bij zich zelven arm, afhankelijk en hulpeloos was, dat men God als den milden Gever van alles goeds beschouwde, dat men alles van Hem begeerde en gelovig verwachtte, dat men vrijmoedig tot Hem kwam, en dat men bereid was, om zich aan Hem te onderwerpen..
3.
II. Vers 3. Het koor van Priesters en Levieten antwoordt met een zegengroet en laat de gemeente naar hare woningen gaan.