Psalm 122:1-5
Hier is:
1. Het genot, dat David en andere vrome Israëlieten vonden als zij tot God naderden om de openbare eredienst bij te wonen, vers 1, 2.
A. De uitnodiging, tot hen gericht, was zeer welkom. David zelf was verblijd en hij wenste dat ieder Israëliet zou zeggen dat hij verblijd was, als hij geroepen werd om in het huis des Heeren te gaan. Het is de wil van God, dat wij Hem in samenstemming met elkaar zullen aanbidden, dat velen zich zullen verenigen om tot Hem te gaan in de openbare inzettingen. Wij behoren God te aanbidden in ons eigen huis, maar dat is niet genoeg, wij moeten in het huis des Heeren gaan, om Hem daar onze hulde te brengen en de onderlinge bijeenkomsten niet nalaten. Wij moeten niet alleen samenstemmen met elkaar, maar elkaar opwekken, om naar de openbare Godsverering te gaan. Wij zullen gaan, niet: "ga gij, en bid voor ons, wij zullen tehuis blijven," maar: Wij zullen ook henengaan) Zacheria 8:21, niet: ga gij eerst, en wij zullen u op ons gemak volgen, " of, "wij zullen eerst gaan, en gij zult na ons komen, " maar, "wij zullen tezamen gaan, tot eer van God en tot onze wederzijdse stichting en aanmoediging." Wij zelf zijn traag en achterlijk, en anderen zijn dit ook, en daarom moeten wij elkaar opwekken en opscherpen tot het goede, zoals ijzer met ijzer gescherpt wordt. Zij, die zich verblijden in God, zullen zich verblijden in de oproep en in de gelegenheid om tot Hem te gaan. David zelf, die het even weinig nodig had als wie het ook zij, om in zijn ijver voor de Godsdienst aangespoord te worden, heeft het zo weinig als een belediging opgenomen als hij geroepen werd om in het huis des Heeren te gaan, dat hij er blijde mee was als met een hem betoonde vriendelijkheid. Wij moeten van onze Christelijke vrienden begeren dat zij, als zij een goed werk ter hand genomen hebben, er ons toe zullen oproepen om er hen behulpzaam in te zijn.
B. Hun vooruitzicht was zeer aangenaam. Zij spreken ervan met heilige blijdschap, als in vervoering van vreugde, vers 2. Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem! Als zij, die van het land kwamen, de reis moeizaam vonden, vertroostten zij zich hiermede, dat zij weldra te Jeruzalem zijn zullen, en dat dit hun een vergoeding zal wezen voor de vermoeienissen hunner reis. Wij zullen daar staan als dienaren, het is begerenswaardig een plaatste hebben in Jeruzalem, al is het ook slechts onder hen, die daar staan, Zacheria 3:7, al is het ook op de plaats des dorpelwachters, Psalm 84:11. Wij hebben nu een rustplaats voor de ark, en waar zij is, zullen wij wezen.
2. De lof van Jeruzalem, zoals in Psalm 48:13..
a. Het is de schone stad, niet alleen om haar ligging, maar ook om haar bouw. Ze is gebouwd tot een stad, de huizen staan niet verstrooid, maar belendend aan elkaar, en de straten zijn ruim en fraai. Zij is eenvormig gebouwd, wel samengevoegd, de huizen sterken en steunen elkaar. Hoewel de stad verdeeld was in de boven- en benedenstad, wordt zij toch gezegd wel samengevoegd te zijn, daar de Jebusieten er volkomen uit verdreven waren, en zij dus geheel en al in het bezit was van Gods volk. Zij was een type van de Evangeliekerk die wel samengevoegd is in heilige liefde en Christelijke gemeenschapsoefening, zodat zij geheel als een stad is.
b. Het is de plaats waar geheel Israël samenkomt, de plaats, waarheen de stammen opgaan, de algemene verenigingsplaats, en ze komen samen: Ten eerste om onderricht van God te ontvangen, zij komen tot de getuigenis Israëls, om te horen wat God hun te zeggen heeft, en Zijn orakel te raadplegen.
Ten tweede. Om Gode heerlijkheid toe te schrijven, om de naam des Heeren te danken. Wij allen hebben reden om dit te doen, inzonderheid zij, onder wie de getuigenis Israëls is. Indien God tot ons spreekt door Zijn Woord, dan hebben wij reden om Hem te antwoorden door onze dankzegging. Zie op welke boodschap wij uitgaan, als wij ons tot de openbare eredienst begeven, het is om dankzegging te doen.
c. Het is de koninklijke stad, vers 5. Daar zijn de stoelen des gerichts gezet. Het volk had reden om Jeruzalem te beminnen, omdat daar het recht bedeeld werd door een man naar Gods hart. De burgerlijke belangen des volks waren even goed verzorgd en verzekerd als hun kerkelijke zaken, en zeer gelukkig waren zij in hun gerechtshoven, die in Jeruzalem gevestigd waren, zoals de onze in Westminsterhall.
Merk op: Welk een schoon gezicht het was de getuigenis Israels en de stoelen des gerichts zo dicht bij elkaar te zien, te zien hoe goede naburen zij van elkaar waren. Laat de getuigenis Israëls de stoelen des gerichts besturen, en laat de stoelen des gerichts de getuigenis Israëls beschermen.