Efeze 4:17-32
De apostel, zijne vermaning tot wederzijdse liefde, enigheid en eendracht in de voorafgaande verzen geëindigd hebbende, gaat nu over tot ene vermaning tot Christelijke reinheid en heiligheid van hart en leven, en zulks meer in het algemeen, vers 17-24, en in verscheidene bijzondere opzichten, vers 25-32. Hier is de plechtige inleiding: Ik zeg dan dit en betuig het in den Heere. Dat is: aangezien de zaak zo staat en gij zijt leden van Christus' lichaam en deelgenoten aan zulke gaven, bind ik het u op het geweten en wijs het u als uw plicht aan, in den naam des Heeren en door het gezag, dat Hij mij verleend heeft. Merk op:
I. De meer algemene vermaning tot reinheid en heiligheid van hart en leven.
1. Die begint aldus: Dat gij niet meer wandelt gelijk als de andere heidenen wandelen: dat gij voortaan niet meer leeft en u gedraagt als blinde en onwetende heidenen, die geheel en al geleid worden door hun begrip betreffende ijdele dingen, hun afgoden en hun aardse bezittingen, dingen, die in geen enkel opzicht voordelig zijn voor hun zielen en die hun verwachtingen zullen bedriegen. Bekeerde heidenen mogen niet leven als onbekeerde heidenen. Ofschoon zij in hun midden leven, mogen zij niet leven gelijk dezen doen.
A. De apostel neemt hier gelegenheid om de boosheid te beschrijven van de heidenwereld, waaruit de wedergeboren Christenen als brandhouten uit het vuur gerukt zijn. Zij is verduisterd in het verstand, vers 18. Zij zijn ontbloot van alle zaligmakende kennis, ja, onwetend omtrent vele dingen Gods, waaromtrent het licht der rede hen had kunnen onderrichten. Zij zaten in duisternis en hadden die liever dan het licht, en door hun onwetendheid waren zij vervreemd van het leven Gods. Zij waren vervreemd van een leven in heiligheid en hadden er een afkeer van, een leven, niet alleen zoals God eist en goedkeurt en waardoor wij voor Hem leven, maar dat ook naar het leven Gods gelijkt in zijn reinheid, rechtvaardigheid, waarheid en goedheid. Hun gewilde onwetendheid was de oorzaak van hun vervreemd-zijn van het leven Gods, dat aanvangt met licht en kennis. Grote en gewilde onwetendheid is verwoestend voor godsdienst en godvrezendheid. En wat was de oorzaak van hun onwetendheid? Die kwam voort uit de verharding huns harten. Het was niet doordien God zich zelven niet aan hen bekend gemaakt had in Zijne werken, maar omdat zij de onderwijzende stralen van het goddelijk licht niet wilden toelaten. Zij waren onwetend omdat zij het wilden zijn. Hun onwetendheid sproot voort uit den tegenstand en de verharding huns harten, zij weerstonden het licht en verwierpen alle middelen voor verlichting en kennis. Hun geweten was verwoest en verhard. Welke ongevoelig geworden zijn, vers 19. Zij hadden geen gevoel van hun zonden of van de ellende en het gevaar van hun toestand door haar, en daarom hadden zij zich zelven overgegeven tot ontuchtigheid. Zij dompelden zich in hun vleselijke lusten, en door zich aan hare heerschappij te onderwerpen, werden zij slaven en speelballen van zonde en duivel, om alle onreinheid gieriglijk te bedrijven. Zij maakten het tot hun dagelijks werk om alle soorten van onzedelijkheid te plegen, en zelfs de meest onnatuurlijke en monsterachtige zonden, en met onverzadigbare begeerte. Wanneer eenmaal de gewetens der mensen toegeschroeid zijn, dan zijn er geen beperkingen voor hun zonden. Wanneer zij hun hart zetten op de voldoening van hun lusten, dan kan men de afschuwelijkste zinnelijkheid en laagheid van hen verwachten en dan zullen hun afzichtelijke wandaden alle perken te buiten gaan. Dat was het karakter van deze heidenen, maar: B. Deze Christenen moesten zich van zulke heidenen onderscheiden door: Gij hebt Christus alzo niet geleerd, vers 20. Men kan ook lezen: Weest gij niet zo, gij hebt Christus geleerd. Zij, die Christus hebben geleerd, zijn verlost uit de duisternis en onreinheid, waarin de anderen liggen, en, daar zij beter weten, zijn zij verplicht ook beter te leven dan de anderen. Het is een goede beweegreden tegen de zonde, dat wij Christus alzo niet geleerd hebben. Christus leren! Is Christus een boek, een les, een weg, een handeling? De bedoeling is: Gij hebt het Christendom, de leringen van Christus en den levenswandel door Hem voorgeschreven, alzo niet geleerd. Niet zo doen als de anderen doen. Indien gij (sedert gij) naar Hem gehoord hebt, vers 21, Zijn door ons verkondigde leer gehoord hebt, en door Hem geleerd zijt, inwendig en werkelijk door Zijnen Geest. Christus is de les, wij moeten Christus leren, en Christus is de leraar, wij moeten door Hem onderwezen worden. Gelijk de waarheid in Jezus is. Dit kan men op tweeërlei wijze verstaan: "Gij zijt onderwezen in de werkelijke waarheid, zoals Christus die toonde, beide in Zijne leer en in Zijn leven". Of: "De waarheid heeft zulk een indruk op uw harten gemaakt, in uwe mate, als zij het deed op het hart van Jezus". De waarheid van Christus verschijnt dán in haar schoonheid en kracht, wanneer zij verschijnt gelijk in Jezus.
2. Een ander deel van deze algemene vermaning volgt in deze woorden: Dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, enz., vers 22-24. Dit is een groot deel van de leer, die u is onderwezen en die gij geleerd hebt. Hier gebruikt de apostel vergelijkingen, ontleend aan kledingstukken. De beginselen, gewoonten en neigingen van de ziel moeten veranderd worden, alvorens er een verandering van levenswandel komen kan. Er moet heiligmaking zijn, welke uit deze twee delen bestaat:
A. De oude mens moet afgelegd worden. De bedorven natuur wordt een mens genoemd, omdat zij, gelijk het menselijk lichaam, uit verschillende delen bestaat, die onderling elkaar steunen en versterken. Het is de oude mens, als de oude Adam, van wie wij haar verkregen. Zij zit in ons innigste wezen en wij brachten haar mede in de wereld. Zij is listig als een oude mens, maar in al Gods heiligen vervallende en inzinkende als een oude mens en op het punt van te verdwijnen. Zij wordt bedorven genoemd, want zonde in de ziel is bederf in al haar vermogens, en indien zij niet gedood wordt, wordt zij dagelijks erger en voltooit onze verwoesting. Door de begeerlijkheden der verleidingen. Zondige neigingen en begeerten zijn verleidende lusten, zij beloven den mens geluk, en maken hem meer en meer ellendig en storten hem in verwoesting, wanneer ze niet onderworpen en gedood worden. Zij moeten daarom afgelegd worden als oude kledingstukken, waarin wij ons schamen gezien te worden, zij moeten afgelegd en vernietigd worden. Deze lusten hadden over hen de overhand in hun vorige wandeling, dat is, tijdens hun toestand van heidendom en onwedergeboren-zijn.
B. De nieuwe mens moet aangedaan worden. Het is niet genoeg bedorven beginselen af te leggen, wij moeten ook goede beginselen aandoen. Wij moeten ze omhelzen, ze huwen, ze in onze harten schrijven, het is niet genoeg op te houden kwaad te doen, wij moeten leren goed te doen. Wordt vernieuwd in den geest uws gemoeds, vers 23, dat is: gebruikt de geschikte en verordende middelen, waardoor uw gemoed, uw geest, gedurig meer vernieuwd wordt. En doet aan den nieuwen mens, vers 24. Door den nieuwen mens wordt bedoeld de nieuwe natuur, het nieuwe schepsel, die door een nieuw beginsel handelt, door weder barende genade, welk een mens in staat stelt om een nieuw leven te leiden, het leven van rechtvaardigheid en heiligheid, dat door het Christendom gevorderd wordt. Deze nieuwe mens is geschapen: of door de almachtige kracht van God, wiens voortbrengsel hij is, uit verwarring en ledigheid waarlijk heerlijk en schoon te voorschijn gebracht. Naar God, in afbeelding van Hem, en in gelijkvormigheid aan dat heerlijk voorbeeld. Het verlies van Gods beeld uit de ziel was des mensen zondigheid en ellende in zijn gevallen toestand, en zijn gelijkenis naar God is de schoonheid, de heerlijkheid en het geluk van het nieuwe schepsel. In ware rechtvaardigheid, jegens de mensen, welke in zich bevat alle plichten van de tweede tafel der wet. En in heiligheid, jegens God, oprechte gehoorzaamheid aan de geboden van de eerste tafel. Ware heiligheid, in tegenstelling van de uitwendige ceremoniële heiligheid der Joden. Ons wordt bevolen dien nieuwen mens aan te doen, en wij doen dat door het gebruik van alle door God verordende middelen, waardoor wij ons benaarstigen die nieuwe schepping deelachtig te worden. Dit is de meer algemene vermaning tot reinheid en heiligheid van hart en leven..
II. Nu komt de apostel tot sommige bijzonderheden. Aangezien algemeenheden nooit zeer geschikt zijn om indruk te maken, worden ons opgenoemd de verschillende leden van den ouden mens, die gedood moet worden, de vuile lompen van de oude natuur, die wij afleggen moeten. En evenzo de verscheidene versierselen van den nieuwen mens, waarmee wij onze Christelijke belijdenis moeten bekleden.
1. Legt af de leugen en zorgt dat gij de waarheid spreekt, vers 25. "Daarom", dat is omdat gij zo goed in uw plichten onderwezen zijt, en onder zulke verplichting verkeert om ze uit te oefenen, laat het in uw toekomstig gedrag openbaar worden, dat er een grote en werkelijke verandering in u gewrocht is, vooral door het afleggen van de leugen. Aan deze zonde stonden de heidenen zeer schuldig, zij leerden dat een voordelige leugen beter was dan een nadelige waarheid, en daarom vermaant de apostel hen om met liegen op te houden en met al wat tegenover de waarheid staat. Dat is een deel van den ouden mens, dat afgelegd worden moet, en het deel van den nieuwen mens, dat daarvoor in plaats moet aangedaan worden, is het spreken der waarheid een iegelijk met zijn naasten. Het kenmerk van Gods kinderen is, dat zij zijn kinderen, die niet liegen zullen, die niet durven liegen, maar de leugen haten en verafschuwen. Allen, die genade hebben, maken er geweten van om de waarheid te spreken, en zouden een besliste leugen niet zeggen al konden ze er ook nog zoveel voordeel door verkrijgen. De reden voor waarheidsliefde hier gegeven is: want wij zijn elkanders leden. Wij zijn aan elkaar de waarheid verschuldigd, en zo wij elkaar liefhebben, zullen wij elkaar niet bedriegen of voorliegen. Wij behoren tot eenzelfde lichaam, dat door valsheid en leugen zou ontbonden worden, en daarom moeten wij die vermijden en de waarheid spreken. Liegen is een zeer grote zonde, een bijzonder geweld plegen aan de verplichtingen, die Christenen jegens elkaar hebben, en zeer beledigend en schadelijk voor de Christelijke gemeenschap.
2. Wacht u voor toornige en onbeteugelde hartstochten: Wordt toornig en zondigt niet, vers 26. Dat is ontleend aan de vertaling der LXX van Psalm 4, waar wij lezen: Zijt beroerd, en zondigt niet. Hier is een gemakkelijke inwilliging, want als zodanig, en niet als een gebod, moeten wij het beschouwen. Wordt toornig, God weet dat wij daartoe slechts al te goed instaat zijn, maar wij vinden het moeilijk genoeg de beperking in acht te nemen: zondigt niet. Indien gij te eniger tijd rechtmatige reden hebt om te toornen, zie toe dat gij niet zondigt, en wacht u voor uitbarsting van uw toorn. Om toornig te zijn zonder te zondigen, mogen wij alleen tegen de zonde toornen, en moeten wij meer bezorgd zijn voor de heerlijkheid Gods dan voor ons eigen belang of voor onzen naam. Onze grote en gewone zonde in den toorn is, dat we hem laten ontaarden in gramschap, en die laten blijven, en daartegen worden wij hier gewaarschuwd. Indien gij zijt getergd en uw gemoed grotelijks ontroerd is, en indien gij enige uw aangedane belediging bitter verweten hebt, word dan rustig en kalmeer uw geest voor den nacht, en verzoen u met uw belediger. "Laat de zon niet ondergaan over uwe toornigheid." Indien die in gramschap en verbittering des geestes ontaardt, o zie dan dat gij haar onmiddellijk onderdrukt! Ofschoon toorn op zichzelf niet zondig is, bestaat er toch het grootste gevaar, dat hij het worden zal indien gij hem niet zorgvuldig bewaakt en spoedig onderdrukt. En derhalve, ofschoon toorn kan opkomen in het hart van een wijs man, zo kan hij rusten alleen in het hart van een dwaas. En geeft den duivel geen plaats, vers 27. Zij, die volharden in zondigen toorn en gramschap, laten den duivel in hun harten toe, dulden dat hij op hen de overhand behaalt, totdat hij hen tot kwaad, tot misdadige handelingen vervoert. Geeft geen plaats aan den lasteraar, of valsen beschuldiger (zo lezen sommigen deze woorden), dat is, houdt u doof voor zijn influisteringen, vertelseltjes en lasteringen.
3. Hier worden wij gewaarschuwd tegen de zonde van diefstal, de overtreding van het achtste gebod, en vermaand tot eerlijkheid en weldadigheid. Die gestolen heeft, stele niet meer, vers 28. Dit is een waarschuwing tegen alle manieren van oneerlijkheid, door geweld of bedrog. Laat hen, die in uw tijd van heidendom aan deze misdaad zich schuldig maakten, daar niet langer aan misdoen. Maar wij moeten niet alleen tegen deze zonde op onze hoede zijn, wij moeten ook nauwgezet overvloedig zijn in de daartegen-overgestelde deugd. Niet alleen niet stelen, maar arbeiden, werkende dat goed is met de handen. Ledigheid vormt dieven. Chrysostomus zegt: Stelen is het gevolg van ledigheid. Zij, die niet willen werken en zich schamen om te bedelen, stellen zich sterk bloot aan de verzoeking om te stelen. De mensen moeten daarom werkzaam en ijverig zijn, niet in onwettigen weg, maar in enig eerlijk beroep: werkende wat goed is. Werkzaamheid in enig eerlijk beroep houdt de mensen buiten de verzoeking om kwaad te doen. Maar er is nog een reden om vlijtig te zijn, namelijk om daardoor in staat gesteld te worden om goed te doen, zowel als om voor verzoeking bewaard te worden. Opdat hij hebbe mede te delen degenen, die nood heeft. De mensen moeten werken niet enkel om er zelven van te leven, en om eerlijk te leven, maar ook om te kunnen bijdragen in de behoeften van anderen. Merk op: Zelfs zij, die van hun handenarbeid moeten leven, behoren van hun weinigje weldadig te zijn voor hen, die niet werken kunnen. Zulk een noodzakelijke en onvermijdelijke deugd is de liefdadigheid voor de armen, dat zelfs handwerkslieden en dienstbaren en zij, die slechts weinig voor zich zelven hebben, hun penningsken tot dezen schat behoren bij te dragen. God moet het Hem verschuldigde hebben en de armen zijn Zijne ontvangers. Merk verder op: de aalmoezen, die Gode aangenaam zijn, moeten niet het voortbrengsel van ongerechtigheid en roverij zijn, maar van eerlijkheid en vlijt. God haat den roof in het brandoffer.
4. Wij worden hier gewaarschuwd tegen verkeerden omgang, en aangespoord tot hetgeen nuttig en opbouwend is, vers 29. Vuile en onzedelijke woorden en gesprekken zijn vergiftig en besmettelijk, als bedorven en rottend voedsel komen zij voort uit en geven bewijs van grote verdorvenheid des harten van den spreker, terwijl zij de uitwerking hebben van de zielen veler zijner hoorders te bederven. Daarom moeten Christenen zich verre houden van al zulke gesprekken. Dat kan men in het algemeen zeggen van al wat de lusten en hartstochten van anderen prikkelt. Wij moeten niet alleen wegdoen allen bedorven omgang, maar spreken goede reden tot nuttige stichting. Het grote doel van de spraak is stichting van hen, die ons horen. Christenen behoren nuttige samenspreking te bevorderen, opdat zij genade geve dien, die ze horen, dat is opdat ze goed en aangenaam zij voor de hoorders, door inlichting, raad, bepaalde berisping en dergelijke. Het is de grote plicht der Christenen zorg te dragen, dat zij niet beledigen met de lippen, en dat zij allen omgang en samenspreking zoveel mogelijk inrichten ten nutte van anderen. 5. Hier is een andere vermaning tegen gramschap en toorn, met naderen raad tot wederzijdse liefde en vriendelijke houding jegens elkaar, vers 31, 32. Onder bitterheid, en toornigheid, en gramschap worden bedoeld hevige inwendige gevoelens van mishagen tegen elkaar, en bij geroep hebben wij te denken aan hoge woorden, luide bedreigingen en andere onmatige redenen, waarin bitterheid, toorn en gramschap zich lucht geven. Christenen behoren deze ondeugden niet in hun harten te koesteren en hun hun tongen van luid roepen terug te houden. Lastering is alle kwaadsprekerij, belasteren van en verwijtend spreken tegen hen, wie we gram zijn. Onder alle boosheid hebben wij te verstaan de ingewortelde gramschap, die de mensen aanzet om anderen alle kwaad te wensen en aan te doen. Het tegendeel van dit alles volgt: Maar zijt jegens elkaar goedertieren. Dat omvat het beginsel van liefde in het hart, en de uitwendige betoning ervan in een aantrekkelijk, nederig en hoffelijk gedrag. Het betaamt discipelen van Jezus goedertieren jegens elkaar te zijn, want zij hebben geleerd en willen onderwijzen hoe men anderen verplicht. Barmhartig, dat is vol van medelijden, een teder gevoel voor de droefheid en het lijden van anderen, zodat men spoedig tot medegevoel en hulpvaardigheid bewogen wordt. Vergevende de een den ander. Onder Christenen kan aanleiding tot geschil voorkomen, en daarom moeten zij plooibaar zijn en gereed om te vergeven, daarin gelijkende op God zelf, die ons in Christus vergeven heeft, en wel meer dan wij ooit elkaar kunnen vergeven. Bij God is vergeving, en Hij vergeeft om den wil van Christus en op grond van de voldoening door Hem aan de goddelijke gerechtigheid gegeven. Zij, die van God vergeving ontvangen hebben, moeten vergevensgezind zijn en vergeven zoals God vergeeft, oprecht en hartelijk, gaarne en vriendelijk, geheel en voorgoed, op des zondaars oprecht berouw en in gedachtenis aan de bede: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Thans moeten wij opmerken betrekkelijk al deze bijzonderheden, waarop de apostel aangedrongen heeft, dat zij behoren tot de tweede tafel der wet, waaruit de Christenen kunnen leren hoe strikt zij gebonden zijn om de geboden van de tweede tafel te houden, en hoe hij, die daarnaar niet nauwgezet streeft, nooit God in oprechtheid en waarheid kan vrezen en liefhebben, wat hij ook beweren moge. Temidden van deze vermaningen en waarschuwingen voegt de apostel een algemene, vers 30, En bedroeft den Heiligen Gods niet. Door te letten op hetgeen voorafgaat en hetgeen volgt, kunnen wij weten wat den Heiligen Geest Gods bedroeft. In de voorafgaande verzen is aangetoond dat alle slechtheid, vuilheid, liegen, onreine samenspreking, die vuile begeerten en lusten opwekt, den Geest Gods bedroeven. In hetgeen volgt zien wij dat bedorven hartstochten van bitterheid, toorn, gramschap, geroep, lastering en boosheid dezen goeden Geest bedroeven. Daaronder moeten wij niet verstaan dat dit gezegende Wezen eigenlijk bedroefd of verslagen kan worden gelijk wij. Maar de bedoeling van deze vermaning is, dat wij niet tegenover Hem handelen mogen op een wijze, waardoor onze medeschepselen zouden bedroefd en verontrust worden. Wij mogen niets doen, dat tegen Zijn heilige natuur en wil ingaat, wij moeten niet weigeren naar Zijn raadgevingen te luisteren, niet ons verzetten tegen zijn bestuur, al welke dingen Hem zouden reden geven om jegens ons te handelen, zoals mensen handelen jegens degenen, die hen bedroefd en beledigd hebben, dat is zich en hun gewonde vriendelijkheid van dezulken terugtrekken en hen overlaten aan hun vijanden. Noodzaakt den gezegenden Geest Gods niet Zijne tegenwoordigheid en genadigen invloed aan u te onttrekken! Een goede reden waarom wij Hem niet mogen bedroeven is, dat wij door Hem verzegeld zijn tot den dag der verlossing. Er komt een dag der verlossing, het lichaam zal verlost worden van de macht des grafs op den dag der opstanding, en dan zal Gods volk verlost worden van al de gevolgen der zonden, zowel als van alle zonden en ellenden, waarvan zij niet bevrijd worden voor ze uit het graf opgewekt zijn, en dan begint hun volle en algehele gelukzaligheid. Alle ware gelovigen zijn tot dien dag verzegeld. God heeft hen van de anderen onderscheiden, Zijn stempel op hen gezet, en Hij geeft hun het onderpand en de verzekering van een gelukkige en heerlijke opstanding. De Geest Gods is het zegel. In ieder, in wie die gezegende Geest een heiligmaker is, is Hij ook het onderpand van een gelukkigen en heerlijken dag der verlossing, en wij zouden alles verliezen indien God Zijn Heiligen Geest van ons nam.