15. De goddeloze, heersende over een arm volk, dat hij door list en geweld uitzuigt, is een bij zijnen roof brullende leeuw en een roofgierige beer, die ginds en weer loopt, om buit te zoeken. Ofschoon zulk een goddeloze voor een tijd in uitwendigen voorspoed mag leven, eenmaal zal de grootste ellende, als een noodzakelijk gevolg zijner dwingelandij, hem zeker treffen. 16. Een vorst, die van alle verstand, inzicht en ervaring gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen, ja, hoe onverstandiger hij is, des te drukkender is meestal zijne regering; dit onverstand openbaart zich dikwijls het meest in de keuze van de personen, die onder hem moeten regeren, en die geheel ongeschikt, of zelfs goddeloos zijnde, het volk verdrukken; maar een vorst, die de gierigheid haat, zich niet aan afpersingen tegenover zijne onderdanen schuldig maakt, zal de dagen verlengen; 1) hij bevestigt zijnen troon, en de Heere zal hem ene lange en voorspoedige regering schenken.
1) Het is zo zeer het belang als de plicht de vorsten, dat zij in rechtmatigheid regeren. Derhalve zijn de onderdrukkers en geweldenaars de grootste dwazen der wereld en hebben gebrek aan alle verstand, omdat zij noch hun eigen eer, noch hun gemak en veiligheid raadplegen, en alles aan de heerszucht van ene volstrekte en willekeurige macht opofferen..