1. Des konings hart is in de hand des HEEREN als de in weiden, tuinen en velden aangelegde waterbeken, kanalen of grachten in de hand van den landman zijn; Hij neigt het tot al wat Hij, de Heere door Zijne hand tot verkwikking wil toezenden, zo als de landman zonder moeite naar zijn goedvinden aan de beken die richting geeft, waar hij juist het vruchtbaar makende water wil heenleiden (
Hoofdstuk 16:15;
20:2,
8,
26).
Ofschoon het niet onwaarschijnlijk is, dat ook "de lieflijk verkwikkende en zegenende groeikracht verspreidende werking der beekjes als punt van vergelijking kan aangemerkt worden, daar immers het hart van enen koning inderdaad in de hoogste mate tot ene bron van zegen voor vele duizenden kan worden", toch blijft het ook waar, dat zelfs het hart van den dwazen en kwalijk gezinden koning in `s Heeren hand is. -Zo als Hij, die het oog gemaakt heeft, ook noodwendig moet kunnen zien, alzo moet Hij, die den wil gemaakt heeft, ontwijfelbaar ook de kracht hebben, om dien te neigen naar Zijn goeddunken. De ziel is, om zo te zeggen, het roer van de mensen, waardoor ons lichaam en al onze werken als een schip in het midden van het water geregeerd worden; nochthans wordt ook de ziel eens konings niet eens door haar zelf bewogen, voortgedreven en tegengehouden, maar God zit als het ware in de ziel van een ieder aan het roer. Hij regeert en bestuurt haar door haren wil te neigen en tegen te houden, zodat deze aan Zijn raadsbesluit en welgevallen ten dienste staat en die moet vervullen.
Dat is een grote troost; ook hier, waar dikwijls van ééne gedachte, van één besluit het wel of het wee van vele duizenden afhangt, geschiedt niet zonder dat God het weet en toelaat. Niet alleen de daden en de ondernemingen, maar ook de ontwerpen en plannen der koningen zijn aan Zijn toezicht en voorzorg onderworpen; het ontstaan, de voortgang en de gevolgen hangen van Hem, den Alwijze af. Daarom vermanen ook de Apostelen zo dringend tot ene ernstige voorbede voor de koningen, en de kerk heeft van de vroegste tijden af hun vermaning opgevolgd; bijna alle evangelische kerkordeningen schrijven de volgende voorbede voor: "Wil aan alle Christelijke koningen en vorsten Uwe genade verlenen, hun harten, hun raadslagen en handelingen besturen en het door Uwe goddelijke almacht en vaderlijke goedheid daarheen leiden, dat alles tot eer van Uwen Naam en tot welzijn van kerk en vaderland moge gedijen; " en op dezelfde wijze ook voor de bijzondere landsheren..
Ook hier leert de Heilige Geest zo duidelijk mogelijk, dat de Heere immer Zijn raad volvoert, en dat daarom, ja de koningen wel plannen kunnen maken, maar dat de Heere het is, die door hen Zijn raad volvoert en al Zijn welbehagen doet.