Psalm 80:1-8
In de naam van de kerk wendt de psalmist zich hier in het gebed tot God ten behoeve van de tegenwoordige treurige toestand van Israël.
I. Hij bidt om Gods gunst voor hen, vers 2, 3, die is alles in alles voor het heiligdom, wanneer dit in verwoest en verlaten toestand is, en die moet in de eerste plaats worden gezocht.
Merk op:
a. Als hoedanig hij in zijn gebed God beschouwt, namelijk als de herder van Israël, die hij "de schapen van Zijn weide" genoemd heeft, Psalm 79:13, onder wiens leiding en zorg Israël zich bevond, zoals schapen onder de zorg en leiding zijn van de herder. Christus is de grote en goede herder, aan wiens hoede en zorg wij in het geloof de schapen kunnen toevertrouwen, die Hem gegeven waren. Hij leidt Jozef als een kudde, vers 2, in de beste weiden en buiten de weg des gevaars. Indien Jozef Hem niet even gehoorzaam volgt als de schapen hun herder volgen, dan is dit zijn eigen schuld. Hij woont tussen de cherubim, waar Hij bereid is smeekbeden te ontvangen, en aanwijzingen te geven, het verzoendeksel was tussen de cherubim, en het is zeer troostrijk om in het gebed tot God op te zien, als zittende op een troon van de genade, en dat dit voor ons zo is, hebben wij te danken aan de grote verzoening, want het verzoendeksel was de genadetroon.
b. Wat hij van God verwacht en begeert: dat Hij gehoor zal geven, luisteren zal naar het geroep hunner ellende en van hun gebeden, dat Hij blinkende zal verschijnen in Zijn eigen heerlijkheid en ten gunste van Zijn volk, dat Hij zich tonen zal, hen met goedheid zal aanzien, dat Hij Zijn kracht zal opwekken en haar zal aanwenden, het was geweest alsof zij sluimerde: "Heere, wek haar op", er was veel tegenstand tegen Zijn zaak, en de vijanden dreigden haar te overweldigen, Heere, wek des te meer Uw kracht op, en kom tot onze verlossing. Wees een krachtige hulp voor Uw volk, Heere, doe dit voor het aangezicht van Efraïm, Benjamin en Manasse", dat is: "voor de ogen van al de stammen Israëls, laat hen het zien tot hun overtuiging en voldoening." Misschien worden deze drie stammen genoemd omdat het de stammen waren, die het eskadron vormden van het leger Israëls, dat op hun tocht door de woestijn het naast op de tabernakel volgde, zodat voor hen de ark van Gods sterkte zich verhief om hun vijanden te verstrooien.
2. Hij klaagt over Gods misnoegen tegen hen.
a. God was toornig, en dat vreest hij meer dan wat het ook zij, vers 5. Het was grote toom, hij vreesde dat God toornig was tegen het gebed Zijns volks, niet alleen dat Hij toornig was in weerwil van hun gebeden, door welke zij hoopten Zijn toorn van hen af te wenden, maar dat Hij toornig was op hun gebeden, hoewel het Zijn eigen volk was, dat ze bad. Dat God toornig is op de zonden Zijns volks en op de gebeden van Zijn vijanden, is niet vreemd, maar dat Hij toornig zou zijn op de gebeden Zijns volks, dat voorzeker is wel vreemd. Hij stelde niet slechts uit om ze te verhoren (dat doet Hij dikwijls in liefde), maar Hij was misnoegd op hen. Indien Hij werkelijk toornig is op de gebeden Zijns volks, dan kunnen wij er zeker van zijn dat het is omdat wij kwalijk bidden Jakobus 4:3. Zij bidden, maar zij worstelen niet in het gebed, hun bedoelingen zijn niet goed, of er is de een of andere verborgen zonde, die aangehouden wordt, zij heffen geen reine handen op, maar heffen handen op met toorn en twijfel. Maar het is misschien slechts hun vrees, Hij schijnt toornig te zijn op hun gebed, terwijl Hij het in werkelijkheid niet is, want aldus wil Hij hun lijdzaamheid en hun volharding in het gebed op de proef stellen, zoals Christus de Kananese vrouw op de proef heeft gesteld toen Hij zei: "Het is niet betamelijk het brood van de kinderen te nemen enden hondekens voor te werpen."
b. Het was toorn, die lang aanhield: "Hoe lang zult Gij toornig zijn? Wij zijn voortgegaan met bidden, en toch ziet Gij ons toornig aan."
Die tekenen van Gods misnoegen, die zolang aanhielden, waren hun tot smart en tot schaamte.
a. Tot smart, vers 6. Gij spijst hen met tranenbrood, van dag tot dag eten zij hun spijs in tranen, dat is de edik, waarin hun bete gedoopt is, Psalm 42:4. Er waren hun tranen te drinken gegeven, niet slechts nu en dan een teug uit die bittere beker, maar in overvloedige mate. Er zijn velen, die hun tijd doorbrengen in smart, die toch hun eeuwigheid zullen doorbrengen in vreugde.
b. Het was hun tot schaamte. Door hen toornig aan te zien heeft God hen hun naburen tot een twist gesteld, zij streden er om wie hen het meest aan verachting zou blootstellen, en zij werden zo goedkoop en gemakkelijk hun tot een prooi gemaakt, dat de twist er alleen over liep wie van hen het genot en voordeel zou hebben van hen te beroven en te plunderen. Hun vijanden lachten onder elkaar als zij zagen in welk een schrik en angst zij verkeerden, de ellende, waartoe zij gebracht waren, en de teleurstellingen, die zij hadden ondervonden. Als God misnoegd is op Zijn volk, dan moeten wij verwachten hen in tranen te zien, terwijl hun vijanden juichen en triomferen.
3. Hij bidt vurig om bekerende genade, teneinde Gode welbehagelijk te worden. O God, breng ons weer, vers 4. O God van de heirscharen, breng ons weer, vers 8, en laat dan Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden. Het is het refrein van het lied, want wij hebben het wederom in vers 20. Zij zijn zich bewust dat zij van God en hun plicht zijn afgedwaald, zich terzijde hebben afgewend op zondige wegen, en dat dit God er toe gebracht heeft om Zijn aangezicht voor hen te verbergen en hen over te geven in de handen hunner vijanden, en daarom begeren zij hun werk te beginnen van de rechte zijde: "Heere, wend ons tot U in de weg van bekering en verbetering van ons leven, en dan zult Gij ongetwijfeld tot ons wederkeren in een weg van genade en verlossing."
Merk op:
a. Er is geen heil dan in Gods gunst. "Laat Uw aanschijn lichten, laat ons Uw liefde hebben en het licht Uws aangezichts, en dan zullen wij verlost worden.
b. Er is geen gunst van God te verkrijgen tenzij wij tot Hem bekeerd worden. Wij moeten van de wereld en het vlees wederkeren tot God, en dan zal Hij Zijn aanschijn over ons doen lichten.
c. Er is geen bekering tot God dan door Zijn eigen genade. Wij moeten onze handelingen aanstellen om ons tot God te bekeren, Hosea 5:4, en dan ernstig bidden om Zijn genade. "Bekeer me, en ik zal bekeerd zijn", pleitende op die genaderijke belofte, Spreuken 1:23,. "Keert u tot Mijne bestraffing, zie Ik zal Mijn Geest ulieden overvloedig uitstorten." Het gebed hier is om een nationale bekering, naar deze methode moeten wij bidden om nationale zegeningen, opdat hetgeen verkeerd is verbeterd zal worden, en dan zullen onze grieven spoedig worden hersteld. Nationale heiligheid zal nationaal geluk verzekeren.