6. Als wij, zoals dat door zo menigeen geschiedt, die zich uitwendig aan de kerk houdt, zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en wij desalniettemin in de duisternis wandelen, dan liegen wij, want het licht heeft geen gemeenschap met de duisternis (
2 Corinthiërs 6:14) en wij doen dan de waarheid niet, wij doen juist het tegendeel van hetgeen met Gods wil en wezen overeenstemt.
De spreekwijze "als wij" wordt door het gehele hoofdstuk van vers tot vers herhaald.
Door de communicatieve ("wij en hypothetische ("als vorm krijgt de rede aan de ene zijde een verschonende fijnheid, aan de andere zijde een meer algemene betrekking en werking. Wat de apostel in de tweede helft van de zin zegt, verheft hij tot een algemeen geldende uitspraak, als hij het in de eerste helft aangenomen geval door de cummunicatieve pluralis "als wij" inleidt: als wij ik en de apostelen niet uitgesloten, van mij tot de minste lezer van de brief zeggen enz. "dan liegen wij" enz.
Terwijl Johannes uit de vroeger uitgesproken stelling: "God is licht en geen duisternis is in Hem", de eerste gevolgtrekkingen maakt, behaagt het hem om de sterke tegenspraak, de handtastelijke leugen aan te wijzen, die er in ligt, als wij voorgeven, met God, die licht is, gemeenschap te hebben en daarbij zelf wandelen in duisternis, die volstrekt niet in God is. Wij zijn veel meer, juist daarom, omdat in God volstrekt geen duisternis is, gewoonlijk van de gemeenschap met Hem gescheiden.
De negatieve zin "en doen de waarheid niet", is niet maar enkel herhaling van dezelfde gedachte maar geeft tevens iets nieuws te kennen; want evenals het "liegen wij" op het "zeggen" slaat zo ook het "doen de waarheid niet" op het "in de duisternis wandelen. "
De waarheid is in de mens een drijfveer, die zich door haar hele omzetting in daad en leven, in het aanzijn van de mens zelf bevredigt. De waarheid bezitten en haar niet bezitten als een kracht, die het leven hervormd, is niet slechts een toestand, die met zichzelf in tegenspraak is, maar ook vol smart een voortdurende onderdrukking van het zoeken van de waarheid, door aan zichzelf wezen en bestaan te geven.
Toen wij door het geloof met Christus verenigd werden, traden wij in zo'n volkomen gemeenschap met Hem, dat wij één met Hem en Zijn en onze belangen dezelfde werden. Wij hebben gemeenschap met Christus in Zijn liefde. Wat Hij bemint, beminnen wij. Hij heeft de heilige lief en wij insgelijks. Hij heeft zondaars lief zo ook wij. Hij heeft het arme stervende mensengeslacht lief en smacht van verlangen om de woestijn van de aarde in het hof van de Heere hervormd te zien en wij met Hem. Wij hebben gemeenschap met Hem in hetgeen Hij verlangt. Hij verlangt de eer van God en wij arbeiden ervoor. Hij wenst dat de Zijnen met Hem mogen zijn, waar Hij is en wij verlangen ook om daar met Hem te zijn. Hij verlangt de zonde te verdrijven en wij strijden onder Zijn banier. Hij verlangt, dat de naam van Zijn Vader door alle schepselen bemind en aangebeden mag worden en wij bidden dagelijks: Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede, zoals in de hemel, zo op de aarde. Wij hebben gemeenschap met Christus in Zijn lijden. Wij zijn niet aan het kruis genageld en wij sterven geen wrede dood, maar wanneer Hij bespot wordt, worden wij bespot; en het is een liefelijke zaak om voor Zijn naam bespot te worden, veracht te worden, omdat wij de Meester volgen en de wereld tegen ons te hebben. De discipel is niet boven zijn Meester. In onze mate hebben wij gemeenschap aan Zijn arbeid en dienen onze medemensen om woord van de waarheid en door werken van de liefde. Ons voedsel en onze drank is evenals de Zijne, de wil te doen van Degene, die ons gezonden heeft en Zijn werk te volbrengen. Wij hebben ook gemeenschap met Christus in Zijn vreugde. Wij zijn gelukkig in Zijn heerlijkheid en verblijden ons over Zijn verhoging. Heeft u ooit die vreugde gesmaakt? O, gelovige! Er is geen reiner, heerlijker vreugde aan deze zijde van de hemel, dan dat de blijdschap van Christus in ons vervuld wordt, opdat onze vreugde volkomen zij. Zijn heerlijkheid wacht ons om onze gemeenschap te voltooien, want Zijn gemeente zal als Zijn beminde bruid met Hem op Zijn troon zitten.