Psalm 62:1-8
In deze verzen hebben wij:
I. Davids belijdenis van zijn steunen op God en op Hem alleen, zijn verwachting van alle goed van Hem vers 2. Waarlijk, mijn ziel wacht op God. Nochtans zo vertalen sommigen het woord. Of "Hoe het ook zij, welke moeilijkheden of gevaren ik op mijn weg ook moge ontmoeten, al is het ook dat God mij aanziet met misnoegen en ik ontmoedigingen ondervind in mijn wachten op Hem, toch zal mijn ziel wachten op God", of is stil tot God, zoals het is in het Hebreeuws, zij zegt niets tegen hetgeen Hij doet, maar wacht kalm en rustig op hetgeen Hij doen zal." Wij zijn in de weg beide van plicht en van vertroosting, als onze ziel wacht op God, als wij onszelf en de beschikking van onze zaken blijmoedig overgeven aan Hem, aan Zijn wil en Zijn wijsheid als wij berusten in en ons schikken naar de leidingen van Zijn voorzienigheid, met algehele voldoening en vertrouwen in Zijn gerechtigheid en goedheid. Hoe het ook zij, is niet mijn ziel onderworpen aan God? Aldus de LXX. Dat is zij, dat behoort zij voorzeker te zijn, onze wil moet zich oplossen in Zijn wil. Mijn ziel wacht op God van Hem is mijn heil." Hij twijfelt er niet aan dat zijn heil zal komen, hoewel hij nu bedreigd en in gevaar was, en hij verwacht dat het van God zal komen, van Hem alleen, want "tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte van de bergen", Jeremia 3:23, Psalm 121:1, 2. Ik weet dat het van Hem zal komen, en daarom zal ik geduldig wachten totdat het komt." We kunnen dit toepassen op ons eeuwig heil, dat Gods heil genoemd wordt, Psalm 50:23, dat komt van Hem, Hij heeft het voor ons bereid, en Hij heeft het voor ons weggelegd, laat daarom onze ziel op Hem wachten, om door deze wereld heengeleid te worden naar dat eeuwige heil, de eeuwige zaligheid, op de wijze, die Hem het best dunkt.
II. De grond en reden voor dit vertrouwen, vers 3. Immers is Hij mijn rotssteen en mijn heil, mijn hoog vertrek.
1. Hij is dit menigmaal geweest, in Hem heb ik beschutting gevonden en kracht en hulp, Hij heeft door Zijn genade mij ondersteund onder mijn rampen en moeilijkheden, en mij door Zijn voorzienigheid beschermd tegen de aanslagen van mijn vijanden, mij verlost uit de benauwdheden waarin ik mij bevond en daarom" vertrouw ik, dat Hij mij nog verlossen zal."" 2 Corinthiers 1:10.
2. "Hij alleen kan mijn rotssteen wezen en men heil, schepselen zijn ongenoegzaam, zonder Hem zijn zij niets, en daarom zal ik boven hen zien naar Hem."
3. "Hij heeft door Zijn verbond op zich genomen om dit te zijn. Hij, die de rots van de eeuwen is, is mijn rots, Hij, die de God des heils is, is mijn heil, Hij die de Allerhoogste is, is mijn hoog vertrek, en daarom heb ik alle reden om op Hem te vertrouwen."
III. Het gebruik, dat hij maakt van zijn vertrouwen op God.
1. Vertrouwende op God, is zijn hart vast. "Indien God mijn sterkte is en mijn machtige verlosser, dan zal ik niet grotelijks wankelen, ik zal niet verloren gaan, niet ten verderve gaan, ik kan geschokt worden, maar ik zal niet verzinken." Of, ik zal in mijn eigen gemoed niet grotelijks ontroerd of ontrust worden. Er kan mij schrik worden aangejaagd, maar ik zal niet vrezen voor verschrikking, niet zo, dat ik er mijn ziel niet door zou bezitten. Ik kan in verlegenheid zijn, maar niet in wanhoop, 2 Corinthiers 4:8. Deze hoop op God zal een anker wezen voor de ziel, dat vast en onbeweeglijk is.
2. Zijn vijanden worden gering geacht, op al hun aanslagen tegen hem met verachting nedergezien, vers 4, 5. Als God voor ons is, behoeven wij niet te vrezen wat de mensen tegen ons doen kunnen, al zijn zij ook nog zo machtig en boosaardig.
a. Hij beschrijft hier het karakter van zijn vijanden. Zij stichten kwaad aan, bedenken en ontwerpen het met veel van de arglistigheid van de slang, en dat wel tegen een man, iemand van hun eigen soort, tegen een enkel man, die geen gelijke partij voor hen is, niet tegen hen is opgewassen, want zij zijn velen, zij zetten hun boosaardige vervolgingen voort, hoewel Gods voorzienigheid dikwijls hun schandelijke plannen verijdeld had. Hoelang zult gij dit nog doen? Zult gij dan nooit van uw dwaling overtuigd worden? Zal uw boosheid nooit ophouden? Zij zijn eenstemmig in hun beraadslagingen om een voortreffelijk man van zijn hoogheid te verstouten, een eerlijk man van zijn oprechtheid te doen aflaten, hem in zonde te verstrikken, hetgeen het enige is, dat ons werkelijk van onze hoogheid kan verstouten, een man, die God verhoogd heeft, neer te storten van zijn waardigheid, en aldus tegen God te strijden. Op de bodem van hun boosaardigheid waren nijd en afgunst, Davids bevordering griefde hen en daarom bedachten zij om door zijn karakter te verkleinen en hem zwart te maken (en dat was hem van zijn hoogheid te verstoten) zijn verheffing te verhinderen. Daarom belasterden zij hem, en horen graag dat hem kwaad werd toegeschreven, dat zij zelf wisten onwaar te zijn, maar zij hebben behagen in leugen. En gelijk zij geen gewetensbezwaar hebben om van hem te liegen ten einde hem kwaad te doen, zo hebben zij er ook geen gewetensbezwaar in om bij hem te liegen ten einde het kwaad, dat zij beramen, bedekt te houden en het daardoor zoveel krachtdadiger ten uitvoer te brengen. Met hun mond zegenen zij, zij spreken welwillende woorden tot David, maar inwendig vloeken zij hem, in hun hart wensen zij hem alle kwaad en in het geheim smeden zij komplotten tegen hem, voeren zij kwaad tegen hem in hun schild, waardoor zij hem ten val hopen te brengen. Het is gevaarlijk om ons vertrouwen te stellen in mensen, die aldus vals zijn, maar God is getrouw.
b. Hij leest hun oordeel, spreekt een doodvonnis over hen uit, niet als koning, maar als profeet, gij allen zult gedood worden door de rechtvaardige oordelen Gods. Saul en zijn dienaren zijn door de Filistijnen gedood op het gebergte Gilboa, overeenkomstig deze voorzegging, zij, die het verderf zoeken van Gods uitverkorenen, bereiden slechts verderf voor zichzelf. Gods kerk is op een rots gebouwd, die stand zal houden, maar zij, die strijden tegen haar en haar beschermers, zullen zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur, die, een vermolmd fundament hebbende, wegzinken onder hun eigen gewicht, plotseling instorten, en hen, die zich onder hun schaduw en beschutting gesteld hebben, onder hun puin begraven. David, die zich op God had verlaten, voorziet aldus de terneerwerping van zijn vijanden, en zo trotseert hij hen, en zegt hun dat zij nu maar hun ergst moeten doen.
3. Hij zelf is aangemoedigd om op God te blijven vertrouwen, vers 6-8. Doch gij, o mijn ziel, zwijg Gode, want van Hem is mijn verwachting. Wij moeten onszelf opwekken en aansporen om te volharden in het goede, dat wij doen, en al meer en meer goed te doen, als degenen, die er de weldaad en vertroosting van hebben ervaren. Wij hebben bevonden, dat het goed is om op God te wachten, en daarom moeten wij onze ziel er toe opwekken, om in die voortdurende verwachting van Hem te leven waardoor wij altijd veilig en gerust kunnen zijn. In vers 2 had hij gezegd: van Hem is mijn heil en nu zegt hij: van Hem is mijn verwachting, vers 6. Zijn heil is het voornaamste van hetgeen hij verwachtte, laat hem dat van God hebben, en dan zal hij niets meer verwachten. Zijn heil van God zijnde, zijn ook al zijn andere verwachtingen van Hem. "Indien God mijn ziel wil behouden, zo laat Hem voor al het overige met mij doen wat Hem behaagt, ik zal berusten in Zijn beschikkingen, wetende dat het mij "alles ter zaligheid zal gedijen," Filipp. 1:19. Hij herhaalt, vers 7, wat hij van God gezegd had, in vers 3, als één, die er niet slechts van verzekerd was, maar er een groot welgevallen aan had, en er in zijn gedachten veel bij verwijlde: Hij is immers mijn rotssteen en mijn heil, man hoog vertrek, ik weet dat Hij het is. Maar in vers 3 had hij gezegd: ik zal niet grotelijks wankelen, hier zegt hij: ik zal niet wankelen, in het geheel niet wankelen Hoe meer er met het geloof gewerkt wordt, hoe werkzamer het is, Crescit eundo, het neemt toe door geoefend te worden. Hoe meer wij nadenken over Gods eigenschappen en beloften en onze eigen ervaring, hoe meer veld wij winnen op onze vrees, die, evenals Haman, als zij begint te vallen, voor ons aangezicht vallen zal, en zo zal ons "allerlei vrede bewaard worden. Jesaja 26:3. En gelijk Davids geloof in God toeneemt tot een onwankelbare vastheid, zo neemt zijn blijdschap in God toe tot een heilig triomferen, vers 8. In God is mijn heil en mijn eer. Waar ons heil is, daar is onze eer, immers, wat is ons heil anders dan de eer of heerlijkheid, die geopenbaard moet worden, een eeuwig gewicht van de heerlijkheid. En daar moet ook ons roemen zijn. Laat ons de gehele dag roemen in God. "De rotssteen van mijn sterkte mijn sterke rots, weer ik mijn hoop op bouw en waar ik op steun, mijn toevlucht, tot welke ik heenga als ik vervolgd ben, is in God en in Hem alleen. Ik heb niemand andere, tot wie ik de toevlucht kan nemen, geen ander op wie ik kan vertrouwen, hoe meer ik er over nadenk hoe meer ik tevreden ben over de keus, die ik gedaan heb." Zo "verlustigt hij zich in de Heere en redt op de hoogte van de aarde," Jesaja 58:14.