Psalm 63:1-3
Het opschrift, vers 1, zegt ons wanneer de psalm geschreven was, namelijk toen David in de woestijn van Juda was dat is: "in het woud Hereth," 1 Samuël 22:5, of in "de woestijn Zif," 1 Samuël 23:15.
1. Zelfs in Kanaän, een vruchtbaar land, dat dicht bevolkt was, waren nog woestijnen, plaatsen, die minder vruchtbaar en minder bewoond waren dan andere plaatsen. Zo zal het wezen in de wereld in de kerk, maar zo zal het niet wezen in de hemel, daar is het één en al stad, één en al paradijs, en geen woeste grond, daar zal de wildernis bloeien als een roos.
2. Van de besten en dierbaarsten van Gods heiligen en dienstknechten kan soms het lot in de woestijn zijn, dat hen aanduidt als eenzaam en verlaten, in een staat van beproeving en gebrek, van onvastheid en omzwerving, niet wetende wat te doen.
3. De ontberingen en moeilijkheden van een verblijf in de woestijn, moeten ons niet ontstemmen, zodat wij onbekwaam zijn om heilige liederen te zingen, ook daar is het onze plicht en ons belang om blijmoedig gemeenschap met God te onderhouden. Er zijn psalmen, die geschikt zijn voor een woestijn, en wij hebben reden om God te danken dat het de woestijn van Juda is, waarin wij ons bevinden, niet de woestijn Sin.
In deze verzen wekt David zich op om God aan te grijpen:
I. Door een levend werkzaam geloof. O God Gij zijt mijn God. In al ons bidden tot God moeten wij het oog op Hem hebben als God en onze God, en dat zal in onze woestijntoestand onze troost zijn. Wij moeten erkennen dat God is, dat wij spreken tot iemand, die werkelijk bestaat, ons nabij is, als wij zeggen: o God, dat een ernstig woord is, jammer dat het zo dikwijls als stopwoord wordt gebruikt. En wij moeten Zijn gezag over ons erkennen en Zijn recht van eigendom in ons, en onze betrekking tot Hem. "Gij zijt mijn God, de mijne door de schepping, en daarom mijn rechtmatige eigenaar en regeerder, de mijne door het verbond en door mijn eigen toestemming." Wij moeten dit zeggen met groot welbehagen ten opzichte van onszelf, en dankbaarheid aan God, als degenen, die vast besloten zijn er bij te blijven: o God, Gij zijt mijn God.
II. Door Godvruchtige genegenheid ingevolge de keus, die hij gedaan heeft van God, en het verbond, dat hij met Hem gemaakt heeft.
1. Hij besluit God te zoeken en zijn gunst en genade Gij zijt mijn God en daarom zal ik U zoeken, want "zal niet een volk zijn God zoeken?" Jesaja 8:19. Wij moeten Hem zoeken, Zijn gunst begeren als ons hoogste goed, met Zijn eer te rade gaan als ons voornaamste doeleinde, wij moeten zoeken met Hem bekend te worden door Zijn woord, en zoeken genade van Hem te verkrijgen door het gebed. Wij moeten Hem zoeken:
A. Vroeg, in de dageraad, met de uiterste zorg, als degenen, die vrezen Hem te zullen missen, wij moeten met Hem onze dagen beginnen, iedere dag met Hem beginnen-ik zoek U in de dageraad. B. Ernstig, vurig. "Mijne ziel dorst naar U mijn vlees verlangt naar U, mijn gehele mens is hierdoor bewogen, hierdoor aangedaan, hier, in een land dor en mat, zonder water."
Merk op:
a. Zijn klacht over het gemis van Gods genadige tegenwoordigheid. Hij was in een land, dor en mat, zo beschouwde hij het, niet zozeer omdat het een woestijn was, als wel omdat het op verre afstand was van de ark, van het Woord en de sacramenten. Deze wereld is een land, dor en mat, vermoeid, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord dat is zij voor de wereldlingen, die er hun deel in hebben, zij zal hun geen ware voldoening schenken, dat is zij voor de Godvruchtigen, die er hun doorgang in hebben, zij is een dal van Baca, zij kunnen er zich weinig van beloven.
b. Zijn sterk aandringen om die tegenwoordigheid Gods: Mijn ziel dorst, verlangt naar God. Zijn gemis maakte zijn begeerte zoveel sterker, hij dorstte als het gejaagde hert naar de waterstromen, met niets minder kon hij zich vergenoegen. Zijn begeerten klommen schier tot ongeduld, hij verlangde, hij smachtte, hij kwijnde totdat hem de vrije toegang tot Gods inzettingen weergegeven was. Godvruchtige zielen zien met heilige minachting neer op de wereld en zien met een heilige begeerte op tot God.
2. Hij verlangt God te genieten. Wat is het, waar hij zo vaak, zo hartstochtelijk naar verlangt? Wat is zijn bede en wat is zijn verzoek? Het is dit: Uw sterkheid en Uw eer te zien, zoals ik U in het heiligdom heb aanschouwd, vers 3. Dat is:
a. Haar hier in de woestijn te zien, zoals ik haar in de tabernakel gezien heb, haar te zien in het verborgen zoals ik haar in de plechtige vergadering gezien heb." Als wij het voorrecht van de openbare inzettingen ontberen, dan moeten wij begeren en er naar streven om in onze afzondering dezelfde gemeenschap met God te onderhouden die wij in de grote vergadering gehad hebben. Een binnenkamer kan in een heiligdom worden veranderd. Ezechiël had de visioenen van de Almachtige in Babel en Johannes op het eiland Patmos. Als wij alleen zijn, kunnen wij de Vader met ons hebben, en dat is genoeg.
b. "Om haar weer te zien in het heiligdom, zoals ik haar daar vroeger gezien heb." Hij verlangt uit de woestijn gebracht te worden, niet om zijn vrienden weer te zien en wederom de genoegens van het hof te smaken, maar om weer toegang te hebben tot het heiligdom, niet om er de priesters te zien en de ceremoniën van de eredienst, maar om Uw sterkheid en eer te zien, Uw heerlijke sterkheid, of Uw machtige eer, die genomen is voor al de eigenschappen en volmaaktheden Gods, "opdat ik moge toenemen in mijn bekendheid er mee, en er de lieflijke indrukken van ontvangen mag in mijn hart." Zo "de heerlijkheid des Heeren te aanschouwen, dat ik naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worde," 2 Corinthiers 3:18. Dat ik Uw sterkheid en eer moge zien, hij zegt niet zoals ik deze gezien heb, maar zoals ik U gezien heb. Wij kunnen het wezen Gods niet zien, maar wij zien Hem door in het geloof Zijn hoedanigheden en volmaaktheden te zien David verlustigt zich in de herinnering van dit gezicht, het waren kostelijke ogenblikken, die hij doorbracht in gemeenschapsoefening met God, hij beminde het om daar nog aan te denken maar hij betreurde het verlies ervan en verlangt dat zij hem wedergegeven zei worden. Wat de verlustiging geweest is, en de begeerte is, van Godvruchtige zielen in hun deelnemen aan en hun bijwonen van de plechtige inzettingen, is er God in te zien en Zijn sterkheid en eer.