Jeremia 10:17-25
In deze verzen
I. Dreigt de profeet, in Gods naam, met het naderend verderf van Juda en Jeruzalem, vers 17, 18. De Joden, die in hun eigen land bleven wonen, nadat sommigen in gevangenschap weggevoerd waren, waren zeer zeker, zij meenden een vesting te bewonen, hun land was hun sterkte, en in hun waan, onneembaar maar hier wordt hun gezegd het te verlaten, zij moeten zich gereed maken hun broederen achterna te gaan, en hun eigendommen vast bijeen te pakken: "Raap uw kramerij weg uit het land, " breng uw zaken bijeen, pak ze zo, dat ze de kleinst mogelijke ruimte innemen. "Maakt u dan op en gaat henen, want dit land zal de ruste niet zijn," Micha 2:10. Laat niet verstrooid liggen, wat gij hebt, want de Chaldeën zullen opnieuw over u komen, als de uitvoerders van het vonnis, dat God over u geveld heeft, vers 18, Zie, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, tot nu toe zijn ze, bij enkelen tegelijk, als weggedruppeld, maar nog een gevangenneming zal een grondige opruiming houden, en zij zullen weggeslingerd worden, als een steen uit een slinger, zo gemakkelijk, zo geheel zullen zij weggeslingerd worden, niets zal er van hen achterblijven. Zij zullen met geweld uitgeworpen worden, en in weinig tijds naar een plaats gedreven, die zeer ver is."
Deze vergelijking wordt gebruikt om een volledige vernietiging te kennen te geven in 1 Samuël 25:29. Nog eenmaal zal God hun land schudden en de goddelozen er uit werpen. Hij voegt er aan toe: "en zal ze benauwen, opdat zij het vinden." Hij zal ze niet alleen van hier uitwerpen (het kan zeer goed zijn, dat zij elders op hun gemak konden leven), maar, waarheen zij ook gaan, zal de ellende hen volgen, zij zullen voortdurend in ontsteltenis en benauwing zijn, en wie of wat kan het hun gemakkelijk maken, die God benauwen wil, "opdat zij het vinden," opdat zij mogen voelen, wat zij niet wilden geloven? Hun was vaak gesproken van het gewicht van Gods toorn en hun volkomen onbekwaamheid om die het hoofd te bieden of te verdragen. Hun was gezegd, dat hun zonde hun verderf zou zijn, en zij wilden niet achten noch geloven, wat hun gezegd was, "maar nu zullen zij het vinden", en daarom zal God hen vervolgen met Zijn oordelen, opdat zij het vinden en gedwongen worden het te erkennen.
Merk op, vroeger of later zullen de zondaars het vinden, precies zoals Gods woord hun de zaken heeft voorgesteld, beter niet, en dat de bedreigingen geen bangmakerij waren.
II. Hij laat zien, hoe het volk zijn rampen bitter beweent, vers 19. O wee mij over mijn breuke! Sommigen houden dit voor de eigen klacht van de profeet, niet over zichzelf, maar over de rampen en verwoesting van zijn land. Hij weende voor hen, die zich niet liet overreden over zichzelf te wenen, en sinds er niemand was, die verstand genoeg had om zich bij hem te voegen, weent hij in `t geheim en roept uit: "O wee mij!" In treurige tijden past het ons om treurig van geest te zijn. Maar men kan het ook opvatten als de taal van het volk, als een geheel beschouwd, en daarom sprekend als een enkel persoon. De profeet legt hun de woorden in de mond, die zij behoorden te zeggen, of zij ze wilden zeggen of niet, hun zou reden gegeven worden om ze te zeggen. Sommigen onder hen zouden zichzelf zo bewenen, en allen zouden ten laatste gedwongen worden het te doen.
1. Zij klagen, dat de bezoeking zeer groot is, en het valt hun zeer zwaar die te dragen, te zwaarder, omdat zij niet gewend waren aan ellende en ze nu niet verwachtten: "O wee mij over mijn breuke", niet om wat ik vrees, maar om wat ik voel, want zij zijn niet, als sommigen, meer geschrokken dan bezeerd. Ook is het geen licht zeer, maar een wond, "een plaag", die smartelijk, zeer pijnlijk en zeer dreigend is.
2. Zodat er geen middel is dan geduld. Zij kunnen zichzelf niet helpen, maar moeten stil zitten, en afwachten: en ik had gezegd, als ik wilde klagen over mijn plage, waar zal het toe dienen? "Dit is immers een ziekte, die ik wel dragen zal." Dit is meer de taal van een gedwongen dan van een gewillige onderwerping, van geduld uit noodzaak, dan uit beginsel. Als ik bezocht word, moet ik zeggen: Dit is een euvel, en ik wil het dragen, omdat het Gods wil is, dat ik het doe, omdat Zijn wijsheid het voor mij bestemd heeft, en Zijn genade het mij ten goede zal doen komen. "Dat is het kwade ontvangen uit Gods hand", Job 2:10. Maar te zeggen: "dit is een euvel, dat ik wel dragen zal", omdat er niets aan te doen is dat is een stompzinnig geduld, en bewijst gebrek aan goede gedachten van God, die wij altijd moeten hebben, zelfs onder onze bezoekingen, zeggende, niet alleen: "God kan en zal doen wat Hem behaagt", maar: "Hij doe wat Hem behaagt."
3. Dat het land geheel verstoord en verwoest was, vers 20. Mijn tent is verstoord. Hoewel een sterke stad, blijkt Jeruzalem nu zwak en beweeglijk te zijn als een tent: hun regering is ontbonden, en hun staat is uiteen gevallen, als een tabernakel of tent, die afgebroken wordt en al "de zelen, die haar moesten steunen, zijn verscheurd." Of, met tabernakel kan hier de tempel bedoeld worden, het heiligdom, dat eerst niet anders dan een tabernakel was, en nu zo genoemd wordt, terwijl het toen soms tempel genoemd werd. Hun kerk is verwoest en al haar steunselen ontbreken. Het was een algemene vernietiging van kerk en staat, stad en land, en er was niemand om deze vernietiging teniet te doen. "Mijne kinderen zijn van mij uitgegaan, " sommigen zijn gevlucht, anderen gedood, weer anderen gevankelijk weggevoerd, "zodat zij er niet zijn, " Ik zal wel een verworpeling worden, en omkomen bij gebrek aan schuilplaats, want "er is niemand meer, die mijn tent uitspanne," niemand van mijn kinderen die het gewoon waren te doen voor mij, niemand, die "mijn gordijnen oprichtte, niemand om mij enige dienst te doen." Jeruzalem heeft "niemand van alle de kinderen, die haar zachtkens leidt," Jesaja 51:18.
4. Dat de regeerders geen zorg droegen noch gepaste maatregelen namen, om haar wonden te verbinden, en hun verbroken staat weer op te richten, vers 21 :De herders zijn onvernuftig geworden. Als de tenten, de tenten van de herders, verstoord werden, vers 20, was het aan de herders om er naar te zien: maar het waren dwaze herders. Hun koningen en vorsten hadden in `t geheel geen oog voor het algemeen welzijn, schenen de verwoesting van het land niet te bemerken, maar waren geheel zinloos en verdwaasd. De priesters, de herders van Gods tabernakel, hielpen grotelijks aan de ondergang van de godsdienst, maar deden niets om deze te herstellen. Zij zijn inderdaad "onvernuftig, want zij hebben de Heere niet gezocht," zij hebben zich niet met Hem verzoend en niet tot Hem gebeden, in het bestuur van de zaken hadden zij geen oog voor Hem en Zijn voorzienigheid, zij erkenden niet, dat het oordeel, en verwachtten niet, dat de verlossing van Hem was.
Merk op, "onvernuftig" zijn zij, die de Heere niet zoeken, die zonder gebed en zonder God in de wereld leven. Een ieder is een heilige of onvernuftig. Maar treurig is het inderdaad met een volk gesteld, als zijn herders, die het moesten "weiden met wetenschap en verstand," zelf zo onvernuftig zijn. En wat is het gevolg? "Hun gehele weide is verstrooid, de weide is opengebroken en de schapen zijn verstrooid."
Merk op: Geen goede herders kunnen zij zijn, die niet door geloof en gebed God met zich nemen op al hun wegen. En als de herders onvernuftig zijn, wat kan men dan anders verwachten, dan dat al hun kudden verstrooid zullen worden? Want, "indien de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beide in de gracht vallen." De ondergang van een volk is dikwijls te wijten aan de onvernuftigheid van zijn herders.
5. Dat het bericht van `s vijands nadering zeer vreselijk is, vers 22 :Zie, er komt een stemme des geruchts, van het bericht, dat eerst maar gefluisterd en wijd verspreid werd, daar het nog bevestiging nodig had. Nu blijkt het waar te zijn, maar al te waar, en een groot beven wordt gevoeld uit het land van het Noorden, dat dreigt, al de steden van Juda te stellen tot een verwoesting, een woning van de draken, want zij moeten allen verwachten geofferd te worden aan de hebzucht en de woede van het Chaldeeuwse leger. En wat anders kan een plaats, die zichzelf tot een hol van dieren heeft gemaakt door haar zonde, verwachten, dan tot een woning van de draken gemaakt te zullen worden?
III. Hij keert zich tot God en spreekt Hem aan, daar hij bevindt, dat het geen doel treft, tot het volk te spreken. Het is een troost voor Gods dienaren, dat, als de mensen hen niet horen willen, Hij het wel wil, en tot Hem hebben zij te allen tijde vrije toegang. Laten zij de prediking met gebed sluiten, zoals de profeet, en zij zullen geen reden hebben om te zeggen, dat zij tevergeefs gearbeid hebben.
1. De profeet erkent hier de soevereiniteit en de heerschappij van de goddelijke voorzienigheid dat daardoor, en niet door hun eigen wil en wijsheid, de zaken beide van particulieren en van volken bestuurd en bepaald worden, vers 23 Dit is een artikel van ons geloof, waarvan het zeer gepast voor ons is belijdenis te doen voor de troon van de genade, als wij klagen over een bezoeking of om een gunst smeken: "Ik weet, o Heere, en geloof, dat bij de mens zijn weg niet is, Nebucadnezar kwam niet uit zichzelf naar ons land, maar door het bevel van een goddelijke Voorzienigheid." Wij kunnen uit onszelf niets doen voor onze verlichting, tenzij God met ons werkt en verlossing voor ons beveelt, want "het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte, " ofschoon hij in zijn gang volkomen vrij schijnt te zijn om zijn eigen weg te kiezen. Zij hadden zich een langdurig genot beloofd van hun goederen en bezittingen, maar door treurige ondervindingen werd hun geleerd, dat "bij de mens zijn weg niet is," toen zij door de Chaldeën uitgeworpen werden, de plannen, die men met wijsheid maakt en voor goed- overlegd houdt, worden in een oogwenk vernietigd. Wij moeten dit op onszelf toepassen, en er geloof bijmengen, dat wij niet over onszelf kunnen beschikken, maar onder goddelijk bevel staan, waardoor de afloop vaak een andere wending heeft geheel tegenover gesteld aan onze bedoeling en verwachting. Wij zijn geen meester van onze weg, ook kunnen wij niet denken, dat alles naar onze zin zou gaan, wij moeten ons daarom tot God wenden en in Zijn wil berusten. Sommigen menen dat de profeet dit hier vermeldt met de bedoeling er een strelend gebruik van te maken, namelijk dat bij het Chaldeeuwse leger hun weg niet is en het dus niet meer kan doen dan God hun toestaat, Hij kan deze hoge golven een grens stellen en zeggen: "Tot hiertoe zult gij komen en niet verder." En het is een geruststellende overweging, dat de meest geduchte vijanden "geen macht tegen ons hebben, indien hun die niet van boven gegeven is.
2. Hij bidt de goddelijke wraak af, dat zij niet valle op Gods Israël, vers 24. Hij spreekt niet voor zichzelf alleen, maar ten behoeve van Zijn volk. Kastijd mij, Heere, doch met mate, niet meer dan nodig is om de dwaasheid uit te drijven, die in ons hart besloten is, niet in Uw toorn (hoe streng de straf ook zij, Iaat het in liefde zijn en bestemd tot ons welzijn en ons ten goede) niet om ons teniet te doen, maar om ons bij U thuis te brengen. Laat het niet zijn naar de verdienste van onze zonde, maar naar de bedoeling van Uwe genade. Merk op: a. Wij kunnen niet in geloof bidden om nooit gestraft te worden, terwijl wij ons bewust zijn straf nodig te hebben en te verdienen, en dat God kastijdt, zovelen Hij er liefheeft.
b. De grote zaak, die wij vrezen moeten in beproeving, is de toorn van God. Zeg niet: "Heere, straf mij niet", maar: "straf mij niet in Uw toorn", want dat zou gal en alsem mengen bij de bezoeking en de ellende die ons te niet zouden maken. Wij kunnen de pijn van Zijn roede dragen, maar niet het gewicht van Zijn toorn.
3. Hij smeekt de goddelijke toorn af tegen de onderdrukkers en vervolgers van Israël, vers 25. Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen. Dit gebed komt niet voort uit een gevoel van boosheid of wraakzucht, ook is de bedoeling niet om God voor te schrijven tegen wie Hij Zijn oordelen moet uitvoeren, en in welke volgorde, maar
a. het is een beroep op Zijn rechtvaardigheid. Alsof hij gezegd had: "Heere, wij zijn een volk, dat U tergt, maar zijn er geen andere volken, die dat nog meer doen? En moeten wij alleen gestraft worden? Wij zijn Uw kinderen, en mogen een vaderlijke straf verwachten, maar zij zijn Uw vijanden, en wij hebben reden te denken, dat Uw verontwaardiging hen treffen moest en niet ons." Dit is Gods gewone methode. De beker die aan Gods volk wordt gereikt, is vol bijmengsels, bijmengsels van genade, maar het grondsop wordt bewaard voor de goddelozen van de aarde, zij "zullen zijn droesem uitzuigende drinken," Psalm 75:9. Het is een voorspelling van Gods oordelen over al de onboetvaardige vijanden van Zijn kerk en koninkrijk. Wanneer het oordeel aldus begint "van het huis Gods, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn, 1 Petrus 4:17. Zie hoe de heidenen beschreven worden, over wie Gods grimmigheid uitgestort wordt.
b. Zij zijn vreemdelingen tegenover God en tevreden, dat ze het zijn. Zij kennen Hem niet en verlangen ook niet Hem te kennen. Het zijn families, die zonder gebed leven, en geen godsdienstoefening houden, zij roepen de Heere niet aan. Zij, die het gebed inhouden, bewijzen, dat zij God niet kennen, want zij, die Hem kennen zullen Hem zoeken en Zijn gunst afsmeken.
c. Zij zijn vervolgers van het volk van God en zijn besloten dat te zijn. Zij hebben Jakob opgegeten met evenveel gretigheid als zij die honger hebben het nodige voedsel eten, ja, met meer, want zij weten niet, wanneer zij genoeg zullen hebben, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest, dat wil zeggen het land, waarin hij leeft, of de tempel van God, die Zijn woning onder hen is.
Merk op, wat de heidenen in hun woede en boosaardigheid tegen het volk van God doen, al maakt hij daarin gebruik van hen als de werktuigen van Zijn straf, zo zal hij ze toch daarom tot het voorwerp van Zijn verontwaardiging maken. Dit gebed is uit Psalm 79:6, 7.