Psalm 26:1-5
Het is waarschijnlijk dat David deze psalm geschreven heeft toen hij vervolgd werd door Saul en zijn aanhangers, die om enige schijn van recht te geven aan hun onzinnige woede hem voorstelden als een zeer slecht man, en hem valselijk beschuldigden van vele grote misdaden en van ergerlijk wangedrag, zij hulden hem in de huiden van wilde dieren, ten einde acht op hem te kunnen maken. De onschuld zelf is geen beschutting voor de naam, schoon zij het wel is voor de borst, tegen de pijlen van de laster. Hierin was hij een type van Christus, die tot een smaad van mensen was gemaakt en aan Zijn volgelingen heeft voorzegd dat ook tegen hen allerlei kwaad valselijk gesproken zal worden. Zie nu wat David doet in dat geval.
I. Hij beroept zich op Gods rechtvaardig oordeel, vers 1 "Doe mij recht, Heere. Wees Gij rechter tussen mij en mijn vervolgers; tussen de vervolger en de armen gevangene; breng er mij af met ere en maak hen te schande die mij valselijk beschuldigen." Saul, die zelf opperrechter was in Israël, was zijn vijand, zijn tegenstander, zodat hij in een geschil of twistgeding met hem zich op niemand kon beroepen dan op God zelf. Wat betreft zijn overtredingen tegen God, bidt hij: Heere, ga niet in het gericht met Uw knecht, Psalm 143:2; gedenk mijn overtredingen niet, Psalm 25:7 Daar vraagt hij God om genade, maar wat betreft zijn overtredingen tegen Saul, vraagt hij aan God om recht, zijn twistzaak te twisten zoals in Psalm 43:1 Of wel, hij kan zich niet rechtvaardigen tegen de beschuldiging van zonde, hij erkent dat zijn ongerechtigheid groot is, en hij is verloren indien God in Zijn oneindige barmhartigheid hem niet vergeeft, maar wel kan hij zich rechtvaardigen tegen de beschuldiging van geveinsdheid, en hij heeft reden om te hopen, dat hij, naar luid van het verbond van de genade, tot hen behoort, die kunnen verwachten gunst bij God te vinden. Aldus heeft de vrome Job dikwijls erkend gezondigd te hebben en toch aan zijn oprechtheid vastgehouden. Voor hen, die vals beschuldigd worden, is het een troost dat er een rechtvaardig God is, die vroeg of laat hun onschuld aan het licht zal brengen, een troost ook voor allen, die oprecht zijn in de Godsdienst dat God zelf getuige is van hun oprechtheid.
II. Hij onderwerpt zich aan het onfeilbaar onderzoek, vers 2 Proef mij, Heere, en verzoek mij, zoals goud getoetst wordt, of het van het zuivere allooi is. God kent ieders waar karakter, want Hij kent de gedachten en bedoelingen des harten en ziet door elke vermomming. David bidt: Heere, beproef mij, hetgeen aanduidt dat het hem zeer welgevallig was, dat God hem kende en dat hij waarlijk begerig was om aan zichzelf ontdekt te worden en ook om aan geheel de wereld ontdekt te worden. Zo oprecht was hij in zijn toewijding aan zijn God en in zijn trouw aan zijn vorst-terwijl hij verdacht werd ten opzichte van die beide zaken een veinsaard te zijn dat hij wenste een venster in zijn boezem te hebben, zodat al wie wilde in zijn hart kon zien.
III. Plechtig betuigt hij zijn oprechtheid, vers 1 "ik wandel in mijn oprechtheid; mijn wandel is in overeenstemming met mijn belijdenis." Het is tevergeefs om te roemen op onze oprechtheid, tenzij wij bewijzen dat wij door Gods genade in oprechtheid hebben gewandeld en dat onze wandel in de wereld in eenvoudigheid en Godvruchtige oprechtheid was.
Hij brengt verscheidene bewijzen bij van zijn oprechtheid, hetgeen hem aanmoedigde op de Heere te vertrouwen als zijn rechtvaardige rechter, die zijn rechtvaardige zaak zal beschermen en voorstaan, met de verzekerdheid dat hij er met ere zal afkomen, (daarom zal ik niet wankelen) en dat diegenen niet zullen overmogen, die beraadslagen om hem van zijn hoogheid te verstouten, zijn geloof te doen wankelen, zijn naam te schandvlekken en zijn komst op de troon te beletten, Psalm 62:5 Zij, die oprecht zijn in de Godsdienst, kunnen op God vertrouwen dat zij niet zullen wankelen, niet van hun Godsdienst zullen afvallen.
1. Hij hield God en Zijn genade bestendig voor ogen, vers 3.
a. Hij streefde naar Gods gunst als zijn doel, zijn hoogste goed. Uw goedertierenheid is voor mijne ogen. Het zal een goed bewijs zijn van onze oprechtheid, indien wij hetgeen wij doen in de Godsdienst, doen uit een beginsel van liefde tot God en omdat wij goede gedachten van Hem koesteren als de beste van alle wezens en de beste vriend en weldoener, en uit een dankbaar besef van Gods goedheid jegens ons in het bijzonder, die wij ons leven lang ondervonden hebben. Als wij Gods goedertierenheid voor onze ogen stellen als ons voorbeeld, dat wij trachten na te volgen navolgers van Hem zijnde in het goede, 1 Petrus 3:13, als wij haar ons voor ogen stellen als een drijfveer en aanmoediging om onze plicht te doen, en bevreesd zijn om jets te doen, waardoor wij Gods gunst zouden kunnen verbeuren, en in zorg zijn om ons te bewaren in Zijn liefde, dan zal dat niet alleen een goed bewijs zijn van onze oprechtheid, maar een groten invloed op ons hebben om ons erin te doen volharden.
b. Hij bestuurde zichzelf door het Woord van God als zijn regel. Ik wandel in Uw waarheid, overeenkomstig Uw wet, want Uw wet is waarheid." Zij alleen kunnen het voordeel van Gods goedertierenheid verwachten, die leven naar Zijn waarheid) naar Zijn wetten, die er op gegrond zijn. Sommigen verstaan het van zijn streven om Gods voorbeeld na te volgen in waarheid en getrouwheid, zowel als in goedheid en barmhartigheid. Diegenen voorzeker wandelen wel, die navolgers Gods zijn als geliefde kinderen.
2. Hij had geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, noch met de werkers van die werken, vers 4, 5 Hieruit bleek dat hij wezenlijk trouw was aan zijn vorst, dat hij zich nooit vergezeld heeft met hen, die ontevreden waren met zijn regering, met de kinderen Belials, die hem verachtten 1 Samuël 10:27. Hij was niet in hun complotten; hij vloekte de koning niet) zelfs niet in zijn hart. En het was ook een blijk van zijn trouw aan zijn God, dat hij zich nooit vergezelde met hen, van wie hij reden had te denken dat zij afkerig waren van de Godsdienst, er open vijanden van waren of valse vrienden. Grote zorg om slecht gezelschap te mijden, is beide een goed bewijs van onze oprechtheid en een goed middel om er ons bij te bewaren. Merk hier nu op:
a. Dat dit deel van zijn betuiging beide terugziet op de zorg, die hij totnutoe heeft aangewend in deze zaak, en voorwaarts ziet op de zorg, die hij er nog in aanwenden zal. "Ik heb niet bij hen gezeten, vers 4, en ik zal niet met hen omgaan." Onze goede praktijken tot nu toe zullen blijken zijn van onze oprechtheid, als er een vast besluit mee gepaard gaat om in de kracht Gods erin te volharden ten einde toe en er niet van terug te gaan, en van onze goede voornemens en besluiten voor het vervolg kunnen wij de vertroosting smaken als zij de voortzetting zijn van onze praktijken totnutoe.
b. Dat David het gezelschap meen, niet alleen van goddelozen, maar ook van ijdele lieden; van hen, die geheel overgegeven waren aan werelds vermaak en vrolijkheid, en in wie geen degelijkheid, geen ernst was. Het gezelschap van de zodanige is misschien wel het verderfelijkst voor een Godvruchtige, omdat hij misschien niet zo op zijn hoede is tegen de besmetting van ijdelheid als tegen die van bepaalde goddeloosheid. c. Dat het gezelschap van bedekte lieden of geveinsden even gevaarlijk is als welk ander ook, en evenzeer is te mijden uit voorzichtigheid zowel als uit vroomheid. Boosdoeners wenden vriendschap voor jegens hen, die zij in hun strikken willen lokken, maar zij veinzen; als Zij met hun stem smeken, geloof hen niet.
d. Hoewel hij het soms niet kon vermijden om in het gezelschap van slechte lieden te zijn, wilde hij toch niet met hen omgaan; de zodanige wilde hij niet tot zijn metgezellen kiezen, geen gelegenheid zoeken om met hen bekend te worden. Hij zou hen kunnen ontmoeten of aantreffen, maar hij wilde niet tot hen gaan, geen afspraak tot samenkomst met hen hebben; of, zo hij al met hen samentrof, wilde hij toch niet bij hen neerzitten, hij wilde niet langer in hun gezelschap vertoeven dan volstrekt noodzakelijk was ter afdoening van zaken; hij wilde niet met hen samenwerken, niet spreken zoals zij spraken, niet doen zoals zij deden, zoals zij, die in het gestoelte van de spotters zitten, Psalm 1:1. Hij wilde in geen raadsvergadering met hen zitten om te beraadslagen over wegen en middelen om kwaad te doen, noch in gericht met hen zitten om het geslacht van de rechtvaardigen te veroordelen.
e. Wij moeten niet slechts in onze praktijken slecht gezelschap mijden, maar ook een afkeer hebben van hun beginselen en neigingen. David zegt hier niet alleen: "ik heb de vergadering van de boosdoeners gemeden," maar "ik heb haar gehaat," Psalm 139:21
f. De vergadering van de boosdoeners, hun club hun vereniging, is zeer bijzonder hatelijk voor Godvruchtige mensen. Ik heb eeclesiam malignantiam, de kerk van de boosdoeners gehaat zo heeft het de Vulgata. Gelijk goede mensen in samenstemming elkaar beter maken en dan instaat zijn om zoveel te meer goed te doen zo zullen slechte mensen in verbond met elkaar slechter maken en zoveel te meer kwaad doen. In dit alles was David een type van Christus, die, hoewel Hij zondaren ontving en met hen at om hen te onderwijzen en hun goed te doen, toch overigens heilig, onnozel, onbesmet en afgescheiden van de zondaars was inzonderheid van de Farizeeën, die geveinsden. Zo was David ook een voorbeeld voor Christenen, om, als zij zich bij Christus voegen, zich "te behouden van dit verkeerd geslacht," Handelingen 2:40.