Psalm 145:1-9
Het opschrift: Een lofzang van David, kan te kennen geven, niet alleen dat hij de schrijver ervan was, maar dat hij er zich bijzonder in verlustigde en hem dikwijls gezongen heeft, hij vergezelde hem overal waar hij heenging. In dit eerste gedeelte van de psalm worden Gods heerlijke hoedanigheden bezongen, zoals in het laatste gedeelte Zijn koninkrijk en het bestuur er over.
Merk op:
I. Wie gebruikt zullen worden om Gode eer te geven.
1. Wat anderen ook mogen doen, de psalmist zelf zal overvloedig zijn in de lof van God. Tot dit goede werk wekt hij zichzelf hier op en zijn hart is er verruimd in. Wat hij doet, dat zal hij doen, daar hij er al meer en meer voldoening in vindt, het was zijn plicht, zijn verlustiging.
Merk op:
A. Hoe hij dit werk zelf uitdrukt, Ik zal U verhogen en Uw naam loven, vers 1 "Ik zal goed van U spreken, gelijk Gij U bekend gemaakt hebt, en daarin zal ik mijn eigen hoge gedachten van U uitdrukken, en trachten dezelfde gedachten op te wekken in anderen." Als wij met eer van God spreken, dan wordt dit genadiglijk verklaard en aangenomen als een verhogen van Hem. En wederom, in vers 2 Ik zal U loven en Uw naam prijzen. Die herhaling geeft de vurigheid te kennen van zijn liefde voor dit werk, de vastheid van zijn voornemen om er overvloedig in te zijn, en zijn veelvuldig volbrengen van dit voornemen. Wederom: vers 5, Ik zal uitspreken de heerlijkheid van de eer Uwer majesteit, en vers 6, Uw grootheid, die zal ik vertellen. Hij wil de eer geven aan God, niet alleen in zijn plechtige Godsdienstige verrichtingen, maar ook in zijn gewone gesprekken. Indien het hart vol is van God, dan zal uit de overvloed daarvan de mond spreken, bij alle gelegenheden met eerbied spreken tot Zijn lof. Welk onderwerp van gesprekken kunnen wij vinden, dat edeler en ruimer, aangenamer en nuttiger is, dan de heerlijkheid van God?
B. Hoe hij zijn besluit uitdrukt, om erin te volharden.
a. Hij zal standvastig zijn in dat werk: Te allen dage zal ik U loven. Het loven van God moet ons dagelijks werk wezen. Geen dag moet voorbijgaan, al is het ook nog zo'n drukke dag of zo'n treurige dag, zonder God te loven. Wij moeten het als het meest noodzakelijke van ons dagelijks werk beschouwen en de kostelijkste van onze dagelijkse genietingen. Iedere dag zegent God ons, doet Hij ons wel, daarom is er reden dat wij Hem iedere dag zullen loven, wel van Hem zullen spreken.
b. Hij zal er mee voortgaan, ik zal Uw naam loven in eeuwigheid en altoos vers 1, en wederom in vers 2. Dit geeft te kennen:
Ten eerste. Dat hij besloten had voort te gaan met dit werk tot aan het einde zijns levens, door geheel zijn eeuwigheid in deze wereld. Ten tweede. Dat de psalmen, die hij geschreven heeft, door de kerk gebruikt zullen worden om God te loven tot aan het einde der tijden, 2 Kronieken 29:30.
Ten derde. Dat hij hoopte God tot in alle eeuwigheid te loven in de andere wereld. Zij, die er hun voortdurend werk van maken op aarde, zullen er hun eeuwige zaligheid in vinden in de hemel.
2. Hij twijfelt niet of ook anderen zullen ijverig zijn in dit werk.
a. "Zij zullen er nu mee instemmen, zij zullen er zich met mij in verenigen, als ik Uw grootheid vertel, zullen zij de kracht Uwer vreeslijke daden vermelden vers 6. Zij zullen de gedachtenis van de grootheid Uwer goedheid overvloedig uitstorten, vers 7. Zij zullen God loven met sierlijke vloeiendheid, schoner en beter dan de verwonderlijkste welsprekendheid. Davids ijver zal velen tot ijver aansporen.
b. Zij zullen er mee voortgaan als ik heengegaan ben, en dat wel in onafgebroken opvolging van geslachten, vers 4. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen. Het geslacht dat heengaat zal ze vertellen aan het opkomend geslacht. Zij zullen verhalen wat zij in hun dagen gezien hebben, en wat zij van hun vaders hebben gehoord, zij zullen volledig en nauwkeurig Uw mogendheden verkondigen, Psalm 78:3. En het opkomend geslacht zal het voorbeeld volgen van het geslacht, dat heengegaan is, zodat de dood van de aanbidders van God de aanbidding niet zal verminderen, want een nieuw geslacht zal opstaan in hun plaats om dat goede werk voort te zetten, meer of minder, en tot aan het einde van de tijd, wanneer het overgelaten zal worden om het te doen in die wereld, waarin geen opvolging is van geslachten.
II. Waarvan we Gode de eer moeten geven.
1. Van Zijn grootheid en Zijn grote werken. Wij moeten verkondigen dat de Heere groot is, Zijn tegenwoordigheid is oneindig, Zijn macht onweerstaanbaar, de schittering van Zijn glans ondraaglijk, Zijn majesteit ontzaglijk, Zijn heerschappij onbeperkt, Zijn soevereiniteit onbetwistbaar, en daarom is het ontwijfelbaar dat de Heere groot is, en indien Hij groot is, dan is Hij ook zeer te prijzen, dan moeten wij Hem loven met al wat binnen in ons is, met al onze krachten en met alle mogelijke plechtigheid. Zijn grootheid kan wel niet bevat of begrepen worden, want zij is ondoorgrondelijk, wie kan begrijpen of uitdrukken hoe groot God is? Maar daarom moet zij zoveel temeer geloofd en geprezen worden, als wij door ons onderzoeken en nadenken de bodem niet kunnen vinden, dan moeten wij nederzitten aan de rand en de diepte bewonderen, Romeinen 11:33. God is groot, want
a. Zijn majesteit is heerlijk in de bovenwereld, boven de hemelen, waar Hij Zijn heerlijkheid gesteld heeft, en als wij Zijn grootheid vertellen, dan moeten wij niet nalaten te spreken van de eer van Zijn majesteit, de glans van de heerlijkheid van Zijn majesteit, vers 5, hoe glansrijk Hij schittert in de bovenwereld, zodat de ogen van de engelen zelf er door verblind worden, weshalve zij genoodzaakt zijn hun aangezicht te bedekken, niet in staat zijnde om er de glans van te verdragen.
b. Zijn werken in de lagere wereld zijn heerlijk, Zijn bewaren, onderhouden en besturen van al de schepselen tonen aan dat de Schepper zeer groot is. Als wij dus Zijn grootheid vertellen, dan moeten wij op de ontwijfelbare bewijzen ervan letten en Zijn mogendheden verkondigen, vers 4, spreken van Zijn wonderlijke daden, vers 5, de kracht van Zijn vreeslijke daden, vers 6. Wij moeten God zien, handelende en werkende in alle de zaken van deze lagere wereld, onderscheidene werktuigen worden ervoor gebruikt, maar in alle gebeurtenissen is God de opperbestuurder, Hij is het die alle dingen volbrengt. Veel van Zijn macht wordt gezien in de werkingen van Zijn voorzienigheid, het zijn machtige daden, die door de kracht van geen schepsel geëvenaard kunnen worden, en veel van Zijn gerechtigheid, het zijn vreeslijke daden, ontzaglijk voor de heiligen, vreeslijk voor de zondaren. Alle gelegenheden moeten wij te baat nemen om van deze te spreken, de vinger Gods, Zijn hand, Zijn arm in alles opmerkende, opdat wij er ons over verwonderen.
2. Van Zijn goedheid, die is Zijn heerlijkheid, Exodus 33:19. Daarin roemt Hij, Exodus 34:6, 7, en daar moeten wij Hem de eer van geven, zij zullen de gedachtenis Uwer goedheid overvloedig uitstorten, vers 7. Gods goedheid is grote goedheid, de schat ervan kan nooit uitgeput worden, ja nooit worden verminderd, want Hij zal altijd even rijk zijn in genade als Hij ooit geweest is. Het is een gedenkwaardige goedheid, wij moeten haar altijd voor ogen, altijd in onze gedachten hebben, er de gedachtenis aan bewaren, want zij is waardig om in eeuwige gedachtenis te worden gehouden, en de gedachtenis, die wij hebben van Gods goedheid behoren wij te uiten, wij moeten haar overvloedig uitstorten, als degenen, die er vol van zijn, zeer vol tot overvloeiens toe, en wij moeten begeren, dat anderen er mee bekend gemaakt en er door getroffen zullen worden. Telkenmale als wij van Gods grote goedheid spreken, moeten wij niet vergeten om terzelfder tijd te zingen van Zijn gerechtigheid, want gelijk Hij genadig is om hen te belonen die Hem getrouwelijk dienen, zo is Hij rechtvaardig om hen te straffen, die tegen Hem rebelleren. Onpartijdige en onbuigzame gerechtigheid is even gewis in God als onuitputtelijke goedheid, en van beide tezamen moeten wij zingen, Romeinen 11:22.
A. Er is een fontein van goedheid in Gods wezen, vers 8. De Heere is genadig jegens hen, die Hem dienen, Hij is vol van barmhartigheid voor hen, die Hem nodig hebben, Hij is lankmoedig jegens hen, die Hem beledigd hebben, en groot van goedertierenheid voor allen, die Hem zoeken en hun smeking tot Hem richten. Hij is bereid om te geven en bereid om te vergeven meer dan wij bereid zijn om te vragen, dan wij bereid zijn tot berouw en bekering.
B. Er zijn stromen van goedheid in al de beschikkingen van Zijn voorzienigheid, vers 9. Gelijk Hij goed is, zo doet Hij ook goed. Hij is aan allen goed, aan al Zijn schepselen, van de hoogste engelen tot de nietigste worm, aan allen, behalve aan duivelen en veroordeelde zondaren, die zich buitengesloten hebben van Zijn goedheid. Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.
a. Al Zijn werken, al Zijn schepselen ontvangen de vruchten van Zijn barmhartige zorg en goedheid, zij strekt zich uit over allen, niets dat Hij heeft gemaakt haat Hij.
b. De werken van Zijn genade overschitteren al Zijn andere werken, en maken Hem meer bekend dan al de andere. In niets zal Gods heerlijkheid zo voor altijd uitblinken als in de vaten van de barmhartigheid, die Hij bereid heeft tot heerlijkheid. Aan de Goddelijke goedheid zullen de eeuwige hallelujahs van al de heiligen gewijd zijn.