Jesaja 51:9-16
In deze verzen hebben wij:
I. Een gebed of God in Zijn voorzienigheid wil verschijnen en handelen ter verlossing van Zijn volk, en ter verdelging van Zijn en hun vijanden: Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, gij arm des Heeren! vers 9. De arm des Heeren is Christus, of God zelf wordt er mee bedoeld, gelijk in Psalm 44:23. "Waak op, waarom slaapt Gij?" De bewaarder Israëls sluimert of slaapt nooit, maar wanneer wij bidden of Hij ontwaken wil, bedoelen wij daarmee of Hij wil doen zien dat Hij waakt over Zijn volk en altijd hun ten goede waakt. De arm des Heeren wordt gezegd te ontwaken, wanneer Gods macht zich meer dan gewoonlijk sterk betoont ten voordele van Zijn volk. Wanneer onze hand of arm verdoofd is, zeggen wij dat hij slaapt maar hij is ontwaakt wanneer hij tot handelen uitgestrekt wordt. God behoeft niet door ons herinnerd of aangevuurd te worden, maar Hij geeft ons verlof om dus nederig Hem te vragen om zulke openbaringen van Zijn macht als strekken kunnen tot Zijn eigen verheerlijking. "Doe uw sterkte aan," dat is: toon uw sterkte, verschijn in uw sterkte gelijk wij in onze klederen voor de dag komen, Psalm 21:13. De kerk ziet dat haar zaak slecht staat, haar vijanden zijn talrijk en machtig, haar vrienden klein in aantal en zwak, en daarom kan zij voor haar bevrijding alleen op de sterkte Gods rekenen. Ontwaak als in de verleden dagen, dat is: handel nu voor ons gelijk Gij in vroegere tijden voor onze vaderen gehandeld hebt, "herhaal de wonderen waarvan zij ons verteld hebben," Richteren 6:13.
II. De gronden, om dit gebod kracht bij te zetten.
1. Zij pleitten op vroegere gebeurtenissen, de ondervindingen van hun voorvaderen en de grote dingen, die God vóór deze gedaan heeft. Mocht de arm des Heeren om onzentwil ontbloot worden, want hij heeft vroeger grote dingen gedaan voor dezelfde zaak, en wij zijn er zeker van dat hij niet verkort of verzwakt is Hij deed wonderen tegen de Egyptenaren, die de zoon Gods tot slavernij brachten en verdrukten, Zijn eerstgeboren zoon, Hij heeft Rahab in stukken gehouwen door de ene verschrikkelijke plaag na de andere, Hij verwondde Farao, de draak, de leviathan zoals hij in Psalm 74:13, 14 genoemd wordt, en bracht hem dodelijke wonden toe. Hij deed wonderen voor Israël, Hij heeft de zee, de wateren des groten afgronds droog gemaakt: zover als nodig was om een pad door de oceaan te banen, opdat de verlosten daardoor gingen, vers 10. God is nooit verlegen om een weg ter vervulling van Zijn beloften aan Zijn volk, maar Hij zal er een vinden of een maken. Vroegere ondervindingen zijn krachtige steunsels voor geloof en hoop, en evenzo goede pleitgronden in het gebed:" Gij hebt! Zult Gij nu niet? Psalm 85:1-6.
2. Zij pleiten op beloften, vers 11. Alzo zullen de vrijgekochten des Heeren weerkeren dat is (zo mogen wij aanvullen) Gij hebt gezegd dat zij dat doen zullen, zie Jesaja 35:10. Daar vinden we de belofte dat de vrijgekochten des Heeren, wanneer zij ontslagen zullen zijn uit hun gevangenschap, met gejuich in Zion weerkomen zullen. Wanneer zondaren uit de slavernij van de zonden overgebracht zijn in de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods, dan mogen zij zingende weerkomen als een vogel, die uit de kooi ontkomen is Wanneer de zielen van de gelovigen ontslagen worden uit de gevangenis van het lichaam, komen zij juichende tot het hemelse Zion, want deze belofte zal ten volle vervuld worden, en in die tussentijd mogen wij er op pleiten, zal Hij, die aan het einde zo'n vreugde voor ons bereid heeft, niet in die tussentijd zulke verlossingen voor ons bewerken als onze toestand vereist? Wanneer de heiligen de hemel binnenkomen, gaan zij in in de vreugde huns Heeren. Hun hoofden zijn met onvergankelijke eer gekroond, hun harten met alles-voldoende vreugde vervuld, zij zullen de vreugde en blijdschap verkrijgen, die in dit tranendal nooit voor hen bereikbaar waren. In deze veranderlijke wereld is er slechts een schrede tussen vreugde en droefheid, maar in die wereld zijn zorg en kommer voor altijd weggevlogen, zullen ze nooit terugkeren, ja zelfs niet in zicht komen.
III. Het antwoord, dat onmiddellijk op dit gebed gegeven wordt, vers 12. ik, Ik ben het die u troost. Zij baden om de werkingen van Zijn macht, Hij antwoordt hen met de vertroostingen van Zijn genade, die wel als een vergoeding daarvoor aangenomen mogen worden. Indien God niet gelijk in vroegere dagen de zeedraak verwondt en de zee opdroogt, maar in plaats daarvan onze ziel vertroost onder haar droefenissen, hebben wij geen reden om ons te beklagen. Indien God ons voor het ogenblik niet antwoordt door de reddende sterkte van Zijn rechterhand, moeten wij dankbaar zijn als Hij ons antwoordt, gelijk de engel geantwoord werd met "goede woorden en troostrijke woorden," Zacheria.1:13. Zie hoe God besluit Zijn volk te vertroosten. Ik, Ik ben het. Ik zelf zal het doen. Hij heeft Zijn dienaren geboden het te doen, Hoofdstuk 40:1, maar omdat zij het hart niet kunnen bereiken, neemt Hij zelf het werk in handen Ik, Ik ben het die het doen zal. Zie, hoe Hij zich daar in verheerlijkt, onder zijn eretitels neemt Hij die aan van de God, die de neergebogenen vertroost, Hij verheugt zich daarin zij. die door God vertroost werden zijn inderdaad vertroost, dat Hij het op zich neemt hen te vertroosten is hun reeds een grote vertroosting.
1. Hij vertroost hen, die in vrees zijn, de vrees is een pijniging, die om troost roept, de vrees voor de mens heeft een angel in zich, waarvoor alleen vertroosting ons bewaren kan. Hij vertroost de bevreesden door hen op te beuren, en dat is de rechte wijze om onszelf en anderen te vertroosten. Waarom zijt gij bevreesd en verontrust gij u? vers 12, 13. God, die Zijn volk vertroost, wil niet dat het zichzelf met verpletterende vrees verontrusten zal, zomin voor de smaad van de mensen, vers 7, als voor hun aangroeiende dreigende macht en grootheid, of voor enig kwaad, dat zij tegen Gods volk in de zin mogen hebben. Merk nu op:
A. De ongerijmdheid van zo'n vrees, het is dwaasheid van ons om daaraan toe te geven. Wie zijt gij dat gij vreest? In het oorspronkelijke staat het naamwoord in het vrouwelijke, wie zat gij, o vrouw? De naam van man onwaardig, zo zwak en vrouwelijk is het om aan ontzenuwende vrees toe te geven.
a. Het is ongeremd om zo te vrezen voor de mens, die sterven zal Wat: vrees voor een mens die sterven zal? Voor eens mensen kind, dat hooi worden zal? Dat zal verwelken, vertrapt worden en opgegeten? De voornaamste en verschrikkelijkste mensen, "die de schrik zijn van de machtigen in het land van de levenden," zijn slechts mensen, Psalm 9, 20, en zullen als mensen sterven, Psalm 82:7, zijn als gras, dat uit de aarde ontspruit en tot de aarde terugkeert. Wij behoren iedere mens te beschouwen als iemand, die sterven zal. Zij, die wij bewonderen, liefhebben en ons vertrouwen geven, zijn mensen, die sterven zullen, laat ons daarom nooit te veel ons in hen verheugen of te vast op hen vertrouwen. Hen, die wij vrezen, moeten wij beschouwen als zwak en sterflijk, en in gedachten houden hoe onwaardig het is voor dienaren van de levende God om bevreesd te zijn voor stervende mensen, die vandaag bloeien en morgen vergaan zullen zijn.
b. Het in ongerijmd om geduriglijk de gehele dag te vrezen, vers 13, onszelf gedurig op de pijnbank te leggen, nooit op ons gemak te zijn of enige vreugde te smaken. Nu en dan moge een gevaar nabij en dreigend zijn, en moge het voorzichtig zijn er voor te vrezen, meer om altijd in angst te verkeren, altijd voor gevaren te vrezen, en te beven op het ritselen van een blad, staat gelijk met onszelf gedurende ons gehele leven aan de dienstbaarheid te onderwerpen, Hebreeën 2, 15, en over onszelf het treurige vonnis te brengen, waarmee gedreigd is in Deuteronomium 28:66, 67. "Gij zult dag en nacht vrezen."
c. Het is ongerijmd om boven noodzaak te vrezen. Gij vreest geduriglijk vanwege de grimmigheid des benauwers. Het is waar dat er een benauwer is, en dat hij een verdrukker is, en woest, en dat hij het voornemen heeft u, zodra de gelegenheid daartoe zich aanbiedt, kwaad te doen, en dat het daarom verstandig zal zijn zo gij op uw hoede blijft. Maar gij zijt zo bevreesd voor hem alsof hij op `t punt stond van u te verwoesten, alsof hij nu onmiddellijk u de keel afsnijden zal en alsof er geen mogelijkheid bestond om dat te voorkomen. Een beschroomde geest is geneigd zich alles op het ergst voor te stellen en het gevaar groter en dreigender te achten dan het werkelijk is. En soms behaagt het God onmiddellijk te tonen hoe dwaas dat is. Waar is de grimmigheid des benauwers? Die is in een ogenblik verdwenen en het gevaar is voorbij nog voor gij u daarvan bewust zijt. Zijn hart is veranderd, of zijn handen zijn gebonden. Farao de koning van Egypte is slechts een gedruis en de koning van Babel is niets meer. Wat is er geworden van al de woedende onderdrukkers van Gods volk die het ploegden en dreigden en het ter verschrikking waren. Zij gingen voorbij en zie, zij waren niet meer. En zo zal het ook deze vergaan.
B. De ondankbaarheid van zo'n vrees. Gij zijt bevreesd voor de mens, die sterven zal, en vergeet de Heere, die u gemaakt heeft, die ook de maker van de gehele wereld is, die de hemelen uitgebreid en de aarde gegrond heeft, en die dus al de heirscharen en al de machten van beide onder Zijn bevelen heeft. Onze onmatige vrees voor de mens is een verborgen vergeten van God. Wij verontrusten ons door vrees voor de mens, wanneer wij vergeten dat er een God boven hem staat, en dat de grootsten van de mensen geen macht hebben, dan die hun van boven gegeven is. Wij vergeten de voorzienigheid Gods, waardoor Hij alle gebeurtenissen verordent en regeert naar de raad van Zijn eigen wil, wij vergeten Zijn beloften dat Hij Zijn volk beschermen zal, en de ondervinding, die wij reeds van Zijn zorg opgedaan hebben en Zijn telkens herhaalde tijdige tussenkomst ten onze behoeve, wanneer wij dachten dat de verdrukker ons nu zou verwoesten. Wij vergeten onze "JHWH-Jireh's", de gedenktekenen van genade op de berg des Heeren. Indien wij er aan indachtig waren om God tot onze vreze te maken, dan zouden wij niet zo dikwijls beroerd zijn voor het zwartkijken van de mensen, Jesaja 8:12, 13. Gelukkig de mens die ten allen tijde God vreest, Spreuken 28:14, Lukas 12:4 5.
2. Hij vertroost hen die gebonden zijn, vers 14, 15. Zie hier
a. Wat zij voor zichzelf doen. De omzwervende gevangene zal haastig losgelaten worden, opdat hij moge terugkeren naar zijn eigen land, waaruit hij nu verbannen is. Zijn zorg is: dat hij niet zal sterven in de kuil, niet sterven als gevangene door de ongemakken van zijn verbanning, en dat zijn brood hem niet zal ontbreken, zomin het brood dat hem in de gevangenis in leven houdt als de teerkost op de terugweg, zijn stand is lang en daarom haast hij om losgelaten te worden. Nu houden sommigen dit voor zijn gebrek, dat hij wantrouwend ongeduldig naar zijn bevrijding uitziet, Gods tijd niet afwachten kan, maar denkt dat hij verzuimd wordt en zal moeten sterven in de kuil zo hij niet onmiddellijk losgelaten wordt. Anderen rekenen het een eer voor hem, dat hij als de deuren opengeworpen worden, niet treuzelt, maar met alle naarstigheid zoekt naar buiten te komen, Want Ik ben de Heere uw God, hetgeen te kennen geeft: b. Wat God voor hen doen zal, ook als zij niets voor zichzelf doen kunnen. God heeft alle macht in handen om gevangen ballingen te helpen. Hij heeft het woeden van de zee gestild en haar gekliefd, toen haar bruisen meer schrikaanjagend was dan de bedreigingen van trotse, maar machteloze onderdrukkers. Hij heeft de zee betoomd en tot bedaren gebracht, zo lezen sommigen, Psalm 65:7, Psalm 89:9. Dit is niet alleen een bewijs van hetgeen God doen kan, maar een gelijkenis van hetgeen Hij doen kan en zal voor Zijn volk, Hij zal een middel vinden om de dreigenden storm te bedaren, en hen veilig in de haven te brengen. Heere van de heirscharen is Zijn naam, tot in alle eeuwigheid, de naam waarbij Zijn volk Hem sedert lang kent. en even machtig als Hij is om hen te helpen, even gewillig en bereidvaardig is, Hij daartoe, want Hij is uw God, o gevangen banneling, de uwe door het verbond. Dit is een bestraffing voor wanhopende gevangenen, zij mogen niet besluiten dat zij in de kuil omkomen indien zij niet onmiddellijk bevrijd worden, want de Heere van de legerscharen zal hen verlossen wanneer zij in de diepste diepte gezonken zijn. En het is een aanmoediging voor gelovige gevangenen, die, als de bevrijding afgekondigd wordt, geen tijd verliezen. Zij weten dat de Heere hun God is en terwijl zij bezig zijn zichzelf te helpen, kunnen zij er zeker van zijn dat Hij hen ook helpen zal.
3. Hij vertroost de Zijnen, die steunen op hetgeen de profeten tot hen gesproken hebben in de naam des Heeren en daarop hun hoop bouwen. Wanneer de uitreddingen, waarvan de profeten gesproken hadden niet zo spoedig kwamen als zij verwacht hadden, of wanneer deze niet zo hoog gingen als ze verwacht hadden, begonnen zij in hun eigen ogen te vervallen. Maar dan worden zij bemoedigd, vers 16, door hetgeen God tot Zijn profeet zegt, en niet alleen tot deze maar tot al Zijn profeten, en niet voornamelijk tot hen, maar tot Christus, de grote profeet. Het is een grote voldoening voor hen tot wie die boodschap gezonden wordt, te horen dat de God van recht en waarheid tot de boodschapper zegt, gelijk Hij hier doet: Ik leg mijn woorden in uw mond, om daardoor de hemel te planten. God nam op zich Zijn volk te vertroosten, vers 12, maar Hij doet het reeds door zijn profeten en door Zijn Evangelie, en opdat Hij het door deze doen zal, zegt Hij ons hier:
a. Dat zijn woord in hen zeer getrouw is. Hij erkent hetgeen zij spreken voor hetgeen Hij hun opgedragen heeft te zeggen en verenigt zich er mee door de woorden: Ik leg mijn woorden in uw mond Die hen ontvangt, ontvangt dus mij. Dit is een grote steun voor ons geloof, dat Christus' leer niet de Zijne was, maar van degene, die Hem gezonden had, en dat de woorden van de profeten en apostelen woorden waren die God hun in de mond gelegd had. Gods Geest openbaarde hun niet alleen de dingen die zij zeggen moesten, maar dicteerde hun hetgeen zij spreken zouden, 2 Petrus 1:21, 1 Corinthiers 2:13. zodat het de ware uitspraken Gods zijn, van de God, die niet liegen kan.
b. Dat het zeer veilig is. Ik bedek u onder de schaduw maner hand, gelijk Hoofdstuk 49:2, hetgeen geldt van de bijzondere bescherming niet alleen van de profeten, maar ook van hun profetieën, niet alleen van Christus, maar ook van het Christendom en van het Evangelie van Christus. Het is niet slechts een getrouw woord Gods hetwelk de profeten ons overgeleverd hebben, maar het zal nauwkeurig bewaard worden ten gebruike van de kerk, totdat alles geheel vervuld zal zijn niettegenstaande de rusteloze pogingen van de machten van de duisternis om het licht te blussen "zij zullen opnieuw profeteren," Openbaring 10:11, indien niet persoonlijk dan in hun geschriften, welke God altijd met de schaduw van Zijn hand bedekt heeft bewaard door Zijn bijzondere voorzienigheid anders zouden zij reeds lang verloren gegaan zijn. c. dat dit woord wanneer het tot vervulling komt, zeer groot zal zijn, en in geen enkel opzicht tekort komen zal bij de grootsheid van de profetie. Ik leg mijn woorden in uw mond, niet om door de vervulling een volk of een stad te planten, maar om de hemelen te planten en de grondslagen van de aarde te leggen, om daardoor voor mijn volk een nieuwe schepping tot stand te brengen. Dit kan niet anders dan zien op het grote werk, dat door het Evangelie van Christus verricht is door de oprichting van zijn heilige godsdienst in de wereld. Gelijk God in de beginne door Christus de wereld gemaakt heeft, Hebreeën 1:2, en door hun de kerk van het Oude Testament gesticht heeft, Zacheria 6:12, zo zal Hij door hem en door het in zijn mond gelegde woord:
Ten eerste. Een nieuwe wereld stichten, opnieuw de hemelen planten en de aarde grondvesten De zonde heeft de gehele wereld in wanorde gebracht, "maar de oude dingen zijn voorbijgegaan en alles is nieuw geworden, " de dingen in de hemel en op de aarde zich verzoend en daardoor in nieuwe betrekking gebracht, Colossenzen 1:20 en door hem en overeenkomstig zijn belofte zien wij uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, 2 Petrus 3, 17, en daarvan geven de profeten getuigenis.
b. Hij zal een nieuwe kerk stichten, die van het nieuwe Verbond. "Hij zal zeggen tot Zion: Gij zijt mijn volk." De kerk van het Evangelie wordt genoemd Zion, Hebreeën 1-2:22, en Jeruzalem Galaten 4:26. En wanneer de heidenen binnengebracht zullen zijn, zal tot hen gezegd worden: Gij zijt mijn volk. Wanneer God grote verlossingen voor Zijn volk bewerkt, en voornamelijk wanneer Hij in de groten dag de verlossing zal voltooien, zal Hij daardoor die kleine verachte handvol mensen, erkennen als Zijn volk, dat Hij verkoren en liefgehad heeft.