11. En hij zei verder tot mij: "U moet, nu u zo tot profeet bent gesteld ook voor de geschiedenis van het rijk van God, die nu begint en van uw persoonlijk leven zo verwijderd is, weer, evenals u dat reeds heeft gedaan voor de vroegere periode, in
Hoofdstuk 8, 9 behandeld, profeteren, door de gezichten, die van nu aan u zullen worden getoond, te beschouwen en neer te schrijven. U moet het nu doen voor vele volken en natiën (
Hoofdstuk 7:9) en talen en koningen, die verder in de geschiedenis van de Kerk zullen voorkomen, opdat ook datgene, wat hen aangaat, openbaar wordt.
Een profeet van de Heere wordt niet door een alleen uitwendige opdracht, maar door een inwendig werkelijk verstaan, door diep in het binnenste mee te voelen, door levendig belangstellen in de Messiaanse geschiedenis en de daarmee verbonden lotgevallen van de volkeren, tot een waar profeet", Over de betekenis van hetgeen voorvalt kan volgens dit en hetgeen bij Ezechiel 3:3 is gezegd, geen twijfel zijn. Johannes wordt daardoor ook voor die volken, waarover in Hoofdstuk 11:19 gesproken wordt, tot profeet geroepen. Hem wordt de inhoud van het boekje, dat over deze volken handelt, met het boekje zelf als een geestelijk voedsel ingegeven, die eerst in sap en bloed bij hem moet veranderen, voordat hij de inhoud kan weergeven. Bij zo'n handeling komt de mond tweemaal in aanmerking: hij neemt eerst het voedsel in het lichaam op en hij geeft vervolgens, wat de buik daaruit aan voedingsstoffen heeft getrokken, met het profeteren weer. Voor deze, voor de mond, is het boekje beide keer zoet, zowel bij het ontvangen als bij het weergeven en alleen voor de buik is het bij de geestelijke verwerking en toe-eigening bitter. De aankondiging van de engel in Vers 9 en het bericht van de ziener in Vers 10 worden zo wat betreft de afwijking van elkaar eenvoudig daardoor verklaard, dat de ziener zich beperkt tot het in ontvangst nemen, de engel daarentegen het weergeven op het oog heeft. In deze volgorde "zoet, bitter, zoet" ligt nu ook tevens een afbeelding van de inhoud van het boekje, dat wat de aanvang betreft, in zoverre het in Hoofdstuk 11 van een tempel van God en van aanbidders daarin en van twee voorspellende getuigen in de geest en in de kracht van Mozes en Elia spreekt, zoet is, daarna in het midden het bericht van het doden van de beide getuigen bitter wordt, maar aan het einde door de wederopwekking van de getuigen zich weer zoet betoont. Zoals later bij de uitlegging zal blijken, hangen ook werkelijk begin en einde in het bijzonder met de mond, het midden daarentegen met de buik samen. Want omdat Johannes volgens zijn geheel persoonlijk leven tot het volk van Israël behoort, kan hij enigermate slechts met Israëlitische mond de voorspelling opnemen en weergeven. En inderdaad is Israël dat volk, waarvan de profetie van het boekje in Hoofdstuk 11 zowel uitgaat, omdat Vers 1-6 geheel Oud-Testamentische van inhoud zijn, als waartoe zij in Vers 11, 12 terugkeert. De verwerking van het boekje in de buik geschiedt daarentegen in het belang van die volken. tot welker profeet de ziener hier gesteld is en waarmee hij door de daad van opeten als het ware geamalgameerd wordt. Voor deze volken heeft hij zeker iets bitters te proeven, omdat het tot een vernietiging van hun Kerk komt door hetgeen de anti-christelijke geest ervan maakt (Hoofdstuk 11:7, 10). Beschouwen wij dan nu de verhouding van het boekje in de hand van de engel tot het inwendig en uitwendig beschreven boek in de hand van God, waarop ons in Hoofdstuk 5:1 vv. werd gewezen! In dit laatste, het voorname gedeelte van het boek, zagen wij een symbool van het hele profetische woord van de Heilige Schrift. De inhoud daarvan was de ziener wel bekend, het hoefde hem niet te worden voorgelezen. Het openen ervan, om er in te kunnen lezen, had integendeel slechts de betekenis van een voltrekken van zijn voorspellingen, waaruit men het daarin gezegde nu ook eerst werkelijk verneemt, in zoverre men het nu juist kon opvatten en er zich over kon verheugen. Maar de ontvouwing was onmogelijk geworden in de hand van de heilige en rechtvaardige God. Nadat Israël de maat van zijn zonde had volgemaakt, het verbond van de genade had vernietigd en zo de belofte had opgeheven, moesten nu oordelen komen, zoals die sinds lang reeds waren aangekondigd door de profeten van het Ouden Testaments (1-4e zegel) en vervolgens nader zijn bepaald door de dreigende voorspelling van Christus zelf (5, 6e zegel) en achter deze oordelen lag in de hand van de goddelijke gerechtigheid eigenlijk niets meer dan de eeuwige verwerping in de hele verdoemenis van het uitverkoren volk, zodat het met 7 zegels gesloten boek zich nooit zou hebben kunnen oprollen en zijn heil voor Israël en de hele wereld zou kunnen ontwikkelen. Maar de goddelijke gerechtigheid wil het boek niet in haar hand houden; het moet niet komen tot een volvoeren van de 6 eerste zegels op die wijze, dat als zevende volgt wat zo-even werd genoemd. Daarom biedt God het boek aan degene ter opening van de zegels aan, die de oordelen met zo'n wending in Zijn hand kan nemen, dat zij wel volkomen vervuld worden tot bevestiging van de profetie en tot bevrediging van de goddelijke gerechtigheid, maar niet de eeuwige verwerping en de hele verdoemenis van het uitverkoren volk tot hun doel stellen, maar een redding in de verzegeling van de uitverkorenen tegen de dag van de toekomst, waardoor het boek met die zaligheid, die het voor ogen stelt, ongehinderd kan worden teweeg gebracht. Die dat kan is Hij alleen, die Zich als het Lam van God, dat de zonde van de wereld draagt, aan het kruis heeft laten slachten; en Hij ontvangt dan werkelijk uit de hand van Zijn Vader het boek om de gerichten over Jeruzalem en het heilige volk te volvoeren (Mattheus 26:64), en brengt ze zo voort, dat na opening van de zes eerste zegels, voordat het tot het zevende komt, eerst een feit plaats heeft, dat betuigt, dat het oordeel niet een middel is tot uitroeiing van het uitverkoren volk, maar alleen een bestraffing en kastijding om de "verkiezing" (Romeinen 11:7) nog tot de laatste vervulling te leiden en een ontelbaar grote schare uit de meest verschillende volken van de heidenwereld voor de tijd van de vervulling terzijde te plaatsen. Terwijl dus het Israël naar het vlees wordt uitzekert, is er reeds een nieuw Israël, dat uit de Geest werd geboren. Het rijk van God gaat met de verwoesting van de heilige stad en van de tempel niet teniet, zodat het op aarde geen dragers meer hebben zou. Het openen van het zevende zegel valt integendeel met een tijdstip samen, dat de hemel in stil gebed kan neerzien op hetgeen bij de nieuw gestichte gemeente van God plaats heeft. Het brengt ook geen verder gericht over Israël, maar laat andere gerichten uitgaan in de zeven bazuinen, die gezamenlijk de heidenen aangaan. Treurig staan echter nu weer de zaken, als deze nieuwe gerichten zo verre zijn voortgegaan, dat de zesde bazuin zich laat horen. Een anti-christelijke richting heeft in twee sterke aanvallen zich meester gemaakt van de heerschappij van de Christelijke Kerk en in zo verre deze nog bestaat, is zij gruwelijk ontaard en tot hardnekkige onboetvaardigheid gekomen. Er moet een nieuw begin worden gesteld, anders is het rijk van God verloren. Maar wat een begin moet dat zijn? Het profetische woord van het Oude Testament geeft daarop geen duidelijk antwoord. Er is daarin een leemte, die een aanvulling behoeft. Bij de profeten wordt zeker het terugkeren van Israël uit Babel, het weer opbouwen van Jeruzalem, de latere openbaring van Christus en de oprichting van het rijk der hemelen met het komen van de heidenen tot het licht van de Joden duidelijk verkondigd, daarnaast ook gewezen op een verharding van de laatste, op een tweede gevangenschap en een wederopname aan het einde tot het volkomen bezitten van de zaligheid. Op het geval, zoals dat nu na het eindigen van de gezichten in Hoofdstuk 4-9 aanwezig is, dat eensdeels Israël is uitzekert en het aan de andere zijde met de Christenen, die uit het Oud-Testamentische verbondsvolk voortgekomen zijn, eveneens gedaan is, alle samenhang met het voorheen dus afgebroken schijnt te zijn, dat geen verdere ontwikkeling van de raadsbesluiten van de genade meer mogelijk is, is nog zo goed als niet gelet, er worden bij de profeten eigenlijk nog in het geheel geen openbaringen over het verder verloop van de gedachten en wegen van God gevonden. Zo wordt een nieuw bijzonder boekje nodig, maar in de hand van Hem, die hier als sterke engel van de hemel neerdaalt, is het boekje open, want Christus heeft reeds in de dagen van Zijn vlees bij het profetische woord van het Oude Testament het Zijne tot aanvulling bijgevoegd, als Hij tot de ongelovige Joden zei (Mattheus 21:43): "het rijk van God zal van u worden genomen en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt. " Hiermee heeft Hij reeds een toekomst voorspeld, waarin zonder alle nader verband met het Oud-Testamentische verbondsvolk op geheel nieuw terrein een Kerk zou worden gebouwd, die, zolang haar tijd duurt, geroepen is om zelfstandig en in elk opzicht die plaats van het Israël, die van het rijk van God is afgezonderd, te vervullen. Deze tijd, in Lukas 21:24 in de bijzondere zin van het woord "de tijd van de heidenen" genoemd, is zeker dadelijk vanaf het begin nauwkeurig afgemeten, opdat Israël niet bovenmatig schade daarbij lijdt die omvat omstreeks de helft van die tijd, die Israël, sinds Abrahams verkiezing tot op het einde van de onmiddellijk uit zijn schoot voortgesproten oude Kerk, het rijk van God heeft in bezit gehad. Het boek in de hand van de engel is dus maar klein, het is een boekje in vergelijking met het grote boek in Gods hand, zoals dat dan eigenlijk slechts de afdeling Hoofdstuk 11:1-14 wij reeds in Hoofdstuk 11:15 v. weer verplaatst worden in het 4de Hoofdstuk, dat de gezichten inleidt en Hoofdstuk 12 tot het volk van het Oude Verbond terugkeert, om vervolgens in de verdere hoofdstukken ons enkel vervullingen van Oud-Testamentische profetie te geven. Verder hangen er aan dit boekje geen zegels, die eerst moeten worden geopend; want de barmhartigheid, die deze heidenen roept (Romeinen 15:9 het ogenblik door geen letten op Israël meer gebonden. Zij kan met geheel vrije hand gedurende de hele tijd haar werk verrichten; ja zo handelen, als wist zij van Israël niet meer, zoals dan ook stad en land nu aan een hele vertreding zijn prijs gegeven. En zo wordt nu inderdaad een Kerk uit de heidenen opgericht, die voor een goed deel de voorrechten en beloften van Israël zich toe-eigent, alsof door deze en geheel afgezien van Israël het rijk van God tot zijn volmaking worden gebracht. Toch blijkt het nog ten slotte, dat de door deze Kerk gebouwde stad van de Westerse Christenen niet tot het nieuwe Jeruzalem mag worden, dat van God uit de hemel op de nieuwe aarde moet neerdalen, toebereid als een bruid, getooid voor haar man, maar er de voorkeur aan geeft, om met het karakter van Sodom en van Egypte ook dat van het Christus-moordend Jeruzalem te verbinden (Hoofdstuk 11:8) en daarom van te voren aan een grote aardbeving moet worden prijsgegeven, voordat de overigen, die behouden worden, weer eer geven aan de God van de hemel (Hoofdstuk 11:13). Deze gedachten van God, die aan deze zijde van de openbaring van het Oude Testament liggen, hoewel door Christus in de dagen van Zijn vernedering reeds aangeduid, moeten de ziener eerst worden ingelijfd en bij hem in vlees en bloed worden veranderd; maar nadat hij het boekje heeft opgegeten, is hij tot profeet voor de volken en natiën en tongen en koningen, waarover in de kerkgeschiedenis van de Middeleeuwen en van de nieuwere tijd wordt gehandeld, zeer geschikt.
Men bemerkt aan het hele tiende hoofdstuk, dat als een rustpunt en als een voorbereiding tot de verdere voorspellingen is te beschouwen, dat er nu in de Openbaring ets nieuws en bijzonders volgt, en wel daaruit, dat aan de ziener de voorspelling niet meer uit het boek met de zeven zegels, maar uit het kleine geopende boek wordt meegedeeld. Nu volgt namelijk een viervoudige voorspelling van de wereldhistorische toestanden van het 1250 jarige tijdperk, die wat de tijd aangaat, naast elkaar voortlopen en niet op elkaar volgen, gedurende welk tijdperk de Moslim-wereld in het oosten, de Pauselijke wereld in het Westen bestaat en de Gemeente als een tweeheid onder het beeld van de beide Getuigen en van de Vrouw in de woestijn, naast de Islam en het Pausdom aanwezig is. Daarna volgt nog een schildering van de laatste 400 jaren van de 1260 jarige tijdperk van de Hervorming tot aan Christus' terugkomst, 13:11-14:20 Deze schildering van een tijdperk van twee, drie, vier en meer zijden is in het Woord van God niet ongewoon, zoals wij bij Daniël zien, waar dezelfde Wereldmachten eenmaal door het Monarchijenbeeld, ten tweede male onder het beeld van dieren worden voorgesteld. Bovendien laat Daniël de Wereldmachten viermaal optreden, nu meer dan minder volledig voorgesteld. De schildering van de wereldtoestanden van verschillende zijden hebben wij ook reeds in de Openbaring, bij de verzegeling en later bij de vier dwaalleringen van de drie eerste bazuinen ontmoet; insgelijks bij de profetische betekenis van de zendbrieven. Evenzo treffen wij haar in de volgende Hoofdstukken aan en ook nog aan het slot van het 1260 jarige tijdperk en bij de zeven schalen en haar naderende uiteenzetting in de verdere Hoofdstukken.
Uit hoofde van het zoete en aangename, worden ook elders de woorden van de Heere met honing vergeleken en ook het "opeten" van hetgeen waar zij op geschreven zijn, geeft vreugde en blijmoedigheid, zowel aan Jeremia als aan Ezechiël, ofschoon diens boekrol niets behelsde, dan hetgeen stof scheen te geven tot klagen. Maar ook het smartelijkste, dat uit de mond van de Heere uitgaat, is goed in de ogen van Zijn ware, gelovige kinderen. Toch zijn de woorden van God over Zijn Kerk ook bitter. Zouden zij dat zijn in het binnenste van Johannes, dit is een aanduiding van zijn onuitsprekelijke droefheid over de verbastering van de Kerk en over de rampen, die haar die ten gevolge te wachten staan. En zou de aankondiging daarvan hem niet bitter vallen, omdat hij ook een lid is van de gemeente van de Heere? De gedachte daaraan doet ons verstaan, wat de zo-even genoemde profeten zeggen van hun gewaarwordingen in soortgelijke omstandigheden. En wij? Aan alle gelovigen, in het bijzonder aan de dienaren van het woord van de Heere, wordt bevolen, de woorden van de Schrift "op te eten", dat zegt: ze niet slechts te horen, maar ook weg te leggen in het hart; ja die allen niet allen datgene, dat naar ieders smaak is, maar ook wat hem bitter valt; hetgeen bemoedigt, maar ook hetgeen verschrikt. Beproeven we onszelf, of ons geloof zich wel uitstrekt over alles, wat in het woord van de Heere ons is geopenbaard voor onze zaligheid; en bidden wij van heler harte, dat het Hem, die het licht over ons heeft laten opgaan in de duisternis, behaagt om Zijn Geest in ons uit te storten, opdat wij de naam niet verdienen van "onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben. "
De Apostel, de hemelse stem gehoorzamend, ontving niet alleen het vaker gemelde boekje uit de hand van de engel, maar hij kreeg ook bevel, om het op te eten, dat is, met alleen met zijn tanden te kauwen, maar ook in te slokken. Deze geheimzinnige vertoning is ontleend aan de Godsspraak van Ezechiël. Hij zag, in de hand van Hem, die op de troon zat, de rollen van een boek. De vellen, waaruit die boekrol was samengesteld, werden voor zijn aangezicht ontrold; zij waren van binnen en van buiten vol geschreven. De inhoud van dit geschrift bestond in treurige voorspellingen, die men niet zonder gevoelige aandoening lezen kon, daarna kreeg hij bevel om die rol op te eten, dan de bedreigingen, die daarin geschreven waren, aan het huis van Israël te verkondigen Ezechiel 2:9-3:1 Het gaf te kennen, dat de profeet de oordelen, die de Heere tegen de Joden bedreigd had, diep in zijn geheugen prenten moest. Immers Gods woorden op te eten zegt, die diep in zijn gemoed in te prenten. Als uw woorden gevonden zijn (zei daarom de profeet Jeremia tot de Heere), zo heb ik ze opgegeten (Jeremia 15:16). Bij de Latijnen zelf betekent de uitdrukking, een boek op te eten zich de inhoud daarvan eigen te maken en diep in zijn geheugen te prenten. Het bevel daarom van de Engel aan de apostel Johannes, om het geopende boekje op te eten, gaf geheimzinnig te kennen, dat hij de inhoud van de voorspellingen, daarin vervat, diep in zijn geheugen prenten en als het ware in merg en bloed verkeren moest. Maar wat was de inhoud van dat boekje en welke voorzeggingen behelsde het? Dit wordt ons niet bericht; zoveel schijnt ons en uit het beloop van zaken en uit vergelijking met het gemelde gezicht van Ezechiël, zeker te zijn, dat het voorspellingen van schromelijke oordelen behelsde; en omdat de apostel vervolgens bevel kreeg, om de inhoud bekend te maken Vers 11, zouden wij gissen, dat die oordelen in enige volgende gedeelten van dit openbaringsboek beschreven zijn. Ook schijnen zij ons te behoren tot de tijd van het zevende bazuingeluid, zodat zij dienen zullen om het koninkrijk van Christus over zijn vijanden volkomen te doen zegepralen, verg. vs: 7 De apostel at dat boekje op en hij ondervond hetgeen de engel hem gezegd had, het was in zijn mond als honing en toen hij het gegeten had werd zijn buik bitter Vers 10 Onder het kauwen was het of hij honing smaakte. Het ging hem, in zo verre, evenals de profeet Ezechiël, Hoofdstuk 3:3 Het geeft te kennen, dat het hem bijzonder aangenaam was te overdenken, hoe de bedreigde oordelen dienen zouden, om de luister van Christus koninkrijk te voltooien. Maar de Apostel had er bittere naweeën van, zijn buik werd bitter. Hij voelde smartelijke krimpingen in zijn maag en ingewanden. Dat vertoont ons de aandoeningen van droefheid en smarten, die de apostel in zijn geest voelde, wanneer hij zijn de schromelijke rampen en onheilen herinnerde, die een aanmerkelijk gedeelte van het mensdom om hun vijandige tegenstand tegen het koninkrijk van Christus ondergaan zouden. Met een woord, het was een alleraangenaamste herinnering voor de apostel, wanneer hij zich de zegepraal van Christus' koninkrijk voor de geest bracht; maar hij was tevens treurig, wanneer hij dacht aan de vreselijke oordelen, die over Zijn vijanden komen zouden, ofschoon zij die onheilen rechtmatig verdiend hadden, de apostel had evenwel deernis met hen voor zoverre zij zijn natuurgenoten waren.
Hierdoor wordt te kennen gegeven, dat de kennis van de verborgenheden van God wel aangenaam en vermakelijk is, maar dat daarna de werkingen, die daarop volgen, voor de kinderen van God vaak zwaar en bitter zijn, zoals de verloochening van onszelf en de verdrukkingen en vervolgingen, die hen daaruit overkomen. Ook de straffen zelf waarmee de vervolgers gedreigd worden, zijn ook vaak bitter en droevig om te horen voor de kinderen van God, zoals Ezechiel 3:15 in zijn gemoed bedroefd is, als hij klaagt over de halsstarrigheid van de Joden tegen zijn predikatiën en Paulus over de halsstarrigheid van de Joden van zijn tijd (Romeinen 9:2).
Hoewel Johannes voorspeld was, dat het hem bitter zou bekomen, is hij evenwel gehoorzaam, hij eet het op en het was zoals hem voorspeld was, het was zoet en bitterheid volgde; zo zou de Heere in de tijd van de zevende bazuin de leraars gehoorzaam en gewillig maken, zoetheid zouden ze hebben in het prediken en bitterheid wegens de vervolgingen. Dan is men pas bekwaam het Evangelie te verkondigen en daarvoor te lijden, als men de zoetheid ervan gesmaakt heeft en het heeft opgegeten, het verstaat en de kracht daarvan in het hart voelt. De zoetigheid in de mond betekent de aangenaamheid, die er is in de bevordering van kennis, in de gelijkvormigheid van geloof en hoop, als ook in de vertroosting, die de schriften geven door lijdzaamheid (Romeinen 15:4); de bitterheid in de buik geeft tekenen van droefheid en smart ontstaande uit de tegenwoordige en dreigende plagen, en beving, die voortspruit uit overdenking van dreigende onheilen (Habakuk 3:16).
In deze verzen wordt gezegd, dat Christus na de Paapse en Mohammedaanse duisternis gunstig neergekomen zijnde tot straf van de vijanden en herstel van de Kerk, niet zozeer onmiddellijk als middellijk zal werken, dat God getrouwe leraars als Johannes, die ten dele ontbroken hadden, ten dele verborgen waren geweest, als onmiddellijk, dat is op ongewone wijze roepen of verwekken en brengen zal, om het beschreven Evangelie in tegenstelling van de overleveringen te zoeken, niet bij een gewaande stedehouder van Christus, maar bij Christus zelf, door aanhoudende arbeid met gebeden gepaard, dat deze bij Christus hun wens zullen verkrijgen. Zijn schriften door Hem hun gegeven en aanbevolen wordend, opdat ze op die als de enige aangename bronnen van het heil, alleen acht zouden geven, niet lettende op' de tegensparteling van hun eigen vlees, of op de bitterheden van de vijanden, die zij te wachten hadden, dat deze Christus' woorden gehoorzamen zouden en zowel de onuitsprekelijke zoetheid van Zijn woord als de nevensgaande snijdingen van ingewand zouden bevinden, dat eindelijk deze het evangelie wijd en zijn, ja verder dan ooit van te voren door de hele wereld zullen prediken en gehoord zullen worden zonder onderscheid van kleinen en groten, die van te voren Christus tot vijand waren. Aangezien de beginselen van dit alles gezien zijn in de kerkhervorming, betaamt het ons verder op de Heere te hopen en naar Hem uit te zien, die al Zijn beloften volkomen zal vervullen.