Jesaja 51:4-8
Beide deze bekendmakingen eindigen, als ik het zo noemen mag, gelijkelijk met een verzekering van de voortduring van Gods gerechtigheid en van Zijn verlossing, en daarom nemen wij ze bij elkaar, want beide zijn bedeeld tot vertroosting van Gods volk.
I. Wie zijn zij, aan wie deze woorden gericht zijn? Mijn volk en Mijn lieden, die Ik afgezonderd heb voor Mijzelf, die de Mijne zijn en nu door Mij geëigend worden. Zij zijn Gods volk en Zijn lieden, die aan Hem onderworpen zijn als aan hun koning en aan hun God, die Hem trouw blijven, en zich derhalve onder Zijn bescherming plaatsen. Zij zijn een volk, dat de gerechtigheid kent, niet alleen de middelen voor die kennis bezit en aan hetwelk de gerechtigheid bekend gemaakt is, maar deze middelen toepast en daardoor instaat is zich een juist oordeel te vormen over waarheid en leugen, goed en kwaad. En gelijk zij goede hoofden hebben, zo hebben zij ook goede harten, want de wet Gods is in hun binnenste geschreven en regeert hen. Hen, in wier hart Gods wet geschreven is, neemt Hij als Zijn volk aan. Maar ook zij, die de gerechtigheid kennen en de wet Gods in hun harten hebben, kunnen in grote droefheid en smart zijn, en beladen worden met verachting en verguizing. Doch God zal hen vertroosten door de gerechtigheid die zij kennen en de wet Gods die zij in hun harten hebben.
II. Wat is de vertroosting, die Gods volk toekomt?
1. Dat het Evangelie van Christus zal verkondigd worden over de gehele wereld, "een wet zal van Mij uitgaan," een evangelische wet de wet van Christus, de wet des geloofs, Jesaja 2:3. Deze wet is Zijn recht, dat is: Zijn oordeel, want het is deze wet van de vrijheid, waardoor de wereld geregeerd en geoordeeld worden zal, zij zal niet alleen voortkomen, maar zal blijvend zijn en rusten, zij zal zich plaats veroveren en diep wortel schieten in de wereld. Zij zal rusten niet alleen als een zegen voor de Joden, die er het eerste voordeel van genieten, maar zij zal ook zijn een licht van de volken. Naar deze wet, dit recht, te horen wordt van ons gevorderd, en het is op ons eigen gevaar indien wij haar het oor niet lenen. Want hoe zullen wij ontkomen indien wij haar verwaarlozen en ons voor haar doof houdend Wanneer God een wet afkondigt, dat dan die oren heeft om te horen, hore!
2. Deze wet, dat recht zal vergezeld zijn van gerechtigheid en heil, zal voor de kinderen van de mensen een weg openen waardoor zij gerechtvaardigd en zalig gemaakt kunnen worden, vers 5. Deze worden genoemd Gods gerechtigheid en heil, want Hij bewerkt ze en brengt ze aan de dag, het is een gerechtigheid, die Hij voor ons wil aannemen en waarvoor Hij ons wil aannemen, een gerechtigheid die Hij in ons wil bewerken en genadiglijk van ons wil aannemen, het is de gerechtigheid des Heeren, want zij in uit en tot Hem. Er is geen heil, zonder gerechtigheid, en waar ook de gerechtigheid Gods is, daar is zijn heil. Allen, en zij alleen, die gerechtvaardigd en geheiligd zijn, zullen ook worden verheerlijkt.
3. Dat deze gerechtigheid en dit heil zeer binnenkort zullen verschijnen, zij zijn nabij en trekken uit, het besluit is dienaangaande afgekondigd, het zal zo zeker volvoerd worden alsof het reeds geschied was, en de tijd daarvoor is aanstaande. De tijd is nabij, want alle dingen zijn nu gereed, de plaats is nabij en niet ver te zoeken, want de wereld is nabij, en Christus en Zijn gerechtigheid in het woord. Romeinen 10:8.
4. Dat deze evangelische gerechtigheid en zaligheid niet tot de Joden beperkt zullen zijn, maar zich uitstrekken tot de heidenen, Mijn armen zullen de volken richten. Zij, die niet buigen willen onder het oordeel van Gods mond, zullen verbroken worden door de oordelen van Zijn handen. Sommigen zullen dus geoordeeld worden door het Evangelie, want tot een oordeel is Christus in de wereld gekomen, maar anderen, die van de eilanden, zullen op Hem wachten en Zijn Evangelie met al zijn geboden en beloften welkom heten. Het strekte tot troost voor Gods volk, dat menigten tot hen zouden toegevoegd worden, en de aanwas van dat getal zou de groei van hun kracht en schoonheid zijn. Er wordt bijgevoegd op Mijn arm zullen zij hopen, die arm des Heeren welke in Christus geopenbaard is. Gods armen zullen de volken richten die zich niet bekeren willen, maar anderen zullen op Zijn arm hopen en daardoor behouden worden. Het staat dus aan ons om ons het Evangelie een reuk des levens of een reuk des doods te maken.
5. Dat deze gerechtigheid en dit heil tot in eeuwigheid zijn zullen en nooit vernietigd zullen worden, vers 8. Het is een eeuwigdurende gerechtigheid, welke de Messias aanbrengt, Daniël 9:24, Hij is de bewerker van een eeuwige verlossing, Hebreeën 5:9. Gelijk zij over al de volken van de aarde is uitgebreid, zo zal zij duren zolang de wereld bestaat. Wij moeten nooit een andere weg ter zaligheid verwachten, of een ander verbond van de vredes, of een andere regel van gerechtigheid, dan die wij in het Evangelie hebben, en wat wij hebben zal bij ons blijven tot aan de voleinding van de wereld, Mattheus 28:20. Het is voor eeuwig, want de gevolgen zullen eeuwig duren, en door deze wet van de vrijheid zal des mensen lot voor de eeuwigheid beslist worden. Deze onveranderlijkheid van het Evangelie en de zegeningen, die het met zich brengt, worden gesteld tegenover het voorbijgaan en verdwijnen van deze wereld en die dingen die daar op zijn. Ziet op naar de zichtbare hemelen boven u, die tot nog toe bleven voortbestaan, en schijnen gemaakt te zijn om altijd te blijven, zij zullen als rook verdwijnen, die een ogenblik verschijnt en meteen weer wegtrekt. Zij zullen opgerold worden als een doek en hun lichten zullen afvallen als bladeren in de herfst. Let op de aarde beneden, die duurt ook slechts een korte tijd. Spreuken 1:4, zij zal als een kleed verouden dat te slecht wordt om het langer te dragen, en zij die haar bewonen, al de inwoners van de aarde, ook zelfs die hier het best gevestigd schijnen te zijn, zullen desgelijks sterven. De ziel zal voorzoveel deze wereld aangaat, verdwijnen als rook en het lichaam zat weggeworpen worden als een versleten kleed. Zij zullen sterven gelijk een mot, of, gelijk sommigen lezen, even gemakkelijk verbrijzeld worden, Job. 4:19, terwijl niemand er iets bij verliest. Maar wanneer de hemel en de aarde voorbijgaan, wanneer alle vlees verdwijnt als gras en zijn heerlijkheid als een bloem des velde, dan zal het woord des Heeren tot in eeuwigheid blijven en geen titel of jota van dat woord zal ter aarde vallen. Zij, die hun gerechtigheid en hun heil in Christus hebben zullen daar de zegeningen van genieten, wanneer de tijd niet meer zijn zal.
III. Welk gebruik zij van deze vertroostingen kunnen maken. Nu Gods gerechtigheid en heil nabij hen zijn, behoeven zij niet te vrezen voor de aanvallen van de mensen, van sterflijke ellendige mensen, of voor hun smaadheid en smaadredenen, van hen die vragen om een van de liederen Zions te zingen, of verachtelijk vragen: Waar is nu uw God? Zij, die de gerechtigheid van de evangelies omhelsd hebben, moeten niet vrezen voor degenen, die hen Beëlzebul noemen en liegende alle kwaad tegen hen spreken. Zij mogen hen niet vrezen of verstoord worden door die lasterlijke redenen, of er zich onrustig onder gevoelen, alsof daardoor hun goede naam en hun eer vernietigd zullen worden en alsof zij eeuwig onder het gewicht van die smaad liggen zullen. Zij mogen niet bevreesd zijn voor de uitvoering van hun bedreigingen, of daardoor teruggehouden worden van hun plicht, of verschrikt door zondige samenspanningen, of er toe gedreven om zelf op onwettige manier voor hun veiligheid te zorgen. Zij kunnen slechte weinig om Christus wil verduren, die geen hard woord voor Hem verdragen kunnen. Laat ons niet vrezen voor de smaadredenen van de mensen want: a. Zij zullen spoedig tot zwijgen gebracht worden, vers 8. De mot zal hen opeten als een kleed, Hoofdstuk 50:9 het schietwormpje zal hen opeten als mot. Indien wij de goedkeuring van de levende God hebben, kunnen wij alle afkeuringen van stervende mensen verachten. Het doet er niet veel toe wat zij van ons zeggen, die spoedig als wol opgegeten zullen worden. Of, het duidt aan de oordelen Gods, die haast over hen komen zullen, waardoor zij verteerd zullen worden om hun kwaadaardigheid jegens Gods volk. Langzaam en stil maar zeker zullen zij verwoest worden als God komen zal om met hen af te rekenen "voor al hun harde woorden," Judas, 14, 15.
b. De zaak, waarvoor wij lijden, kan niet onder de voet gelopen worden, de valsheid van hun smaadredenen zal aan het licht gebracht worden, maar de waarheid zal zegevieren, en de rechtvaardigheid van de beledigde zaak van de godsdienst zal voorgoed duidelijk worden. Wolken kunnen de zon onzichtbaar maken maar haar in haar loop niet tegenhouden.