Hebreeën 2:1-4
De apostel gaat in dit hoofdstuk voort met de duidelijke, nuttige wijze van leer en reden. Wij hebben hier de toepassing van de boven gestelde en bewezen waarheden, dat blijkt uit het woordje Daarom, waarmee dit hoofdstuk aanvangt, en dat zijn samenhang met het vorige toont. Daarin had de apostel bewezen dat Christus uitnemender is dan de engelen, door wier tussenkomst de wet was gegeven, en dat derhalve de bedeling des Evangelies uitnemender moest zijn dan die der wet. Nu komt hij tot de toepassing van deze leer, beide door waarschuwing en bewijsvoering.
I. Door waarschuwing. Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, vers 1. Dit is de eerste wijze, waarop wij onze achting voor Christus en het Evangelie tonen moeten. Het is de grote roeping van ieder, die onder het Evangelie leeft, om den meesten ernst te tonen voor de openbaringen en terechtwijzingen van het Evangelie, ze in zijn voordeel hogelijk te schatten als zaken van het grootste belang, met ijver naar ze te luisteren bij alle gelegenheden, die zich daartoe voor hem opdoen, ze geregeld te lezen, ze nauwgezet te overpeinzen en ze van harte te geloven. Wij moeten ze met ons gehele hart en met al onze liefde omhelzen, ze in ons geheugen bewaren, en daarnaar al onze woorden en daden regelen.
II. Door bewijsvoering. Hij voegt sterke bewijzen bij deze vermaning.
1. Het grote verlies, dat wij lijden zullen, indien wij ons niet ernstig houden bij hetgeen wij gehoord hebben. Opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien. Zij zullen afglijden en ontglippen uit ons hoofd, onze lippen, ons leven, en wij zullen door ons verzuim veel verliezen. We leren hieruit:
A. Wanneer wij de Evangelische waarheden in onze zielen opgenomen hebben, lopen wij gevaar van ze te laten ontglippen. Onze zielen en geheugens zijn gelijk lekke vaten, slechts met de grootste moeite behouden zij wat zij bevatten. Dat is een gevolg van de verdorvenheid van onze natuur, de vijandschap en listigheid van Satan, die het woord weg steelt, de beslommeringen en strikken der wereld en de doornen, die het goede zaad verstikken.
B. Zij lijden aan onherstelbaar verlies, die de waarheden des Evangelies, welke zij ontvangen hadden, uit hun zielen laten ontglippen, zij verliezen een schat, die meer waard is dan duizenden van goud en zilver, het zaad is verloren, hun tijd en moeite van horen zijn verloren, hun hoop op een goeden oogst is verloren, alles is verloren, wanneer het Evangelie verloren is.
C. Deze overweging is een sterke beweegreden om onze aandacht aan het Evangelie te wijden en ons er aan te houden, inderdaad, wanneer wij hier niet zeer op letten, zullen wij het Woord Gods niet lang bewaren, onoplettende hoorders worden spoedig vergeetachtige hoorders.
2. Een andere beweegreden is ontleend aan de verschrikkelijke straf, die wij ondergaan zullen, indien wij onzen plicht niet doen, een vreeslijker straf dan hen trof, die de wet verwaarloosden en haar ongehoorzaam waren, vers 2, 3. Merk hier op:
A. Hoe de wet beschreven is, zij was een woord, door de engelen gesproken, en dat vast is geweest. Het was een woord door de engelen gesproken, omdat het door den dienst der engelen werd gegeven, zij bliezen de bazuinen en vormden waarschijnlijk de klanken der woorden op Gods aanwijzing. God zal als rechter ten tweeden male de engelen doen dienen om de bazuin te blazen en allen voor Zijn rechterstoel te vergaderen, om gevonnist te worden, naar dat zij overeenkomstig of tegen de wet gehandeld hebben. Het woord dezer wet is vast geweest, het was gelijk de belofte: ja en amen, het is getrouw en waarachtig, en het zal blijven en zijn kracht behouden hetzij de mensen er aan gehoorzamen of niet, want alle overtreding en ongehoorzaamheid heeft rechtvaardige vergelding ontvangen. De mensen mogen met de wet van God onderhandelen, maar die wet onderhandelt niet met hen, zij hield de zondaren van vroegere eeuwen vast en zij zal de zondaren van alle eeuwen vasthouden. God, als een rechtvaardig heerser en rechter eenmaal de wet gegeven hebbende, zal haar verachting en overtreding niet ongestraft laten, maar Hij heeft alle tijden door de overtreders gestraft en hen vergolden naar de natuur en de grootheid van hun ongehoorzaamheid. De strengste straf, ooit door God op zondaren toegepast, is niet meer dan de zonde verdiende, zij was rechtvaardige vergelding. Straffen, die recht waren, en zowel door de zonde verdiend als beloning door gehoorzaamheid verdiend wordt, ja meer verdiend dan beloning door gebrekkige gehoorzaamheid ooit verdiend worden kan.
B. Hoe het Evangelie beschreven wordt. Het is zaligheid, grote zaligheid, zo grote zaligheid dat geen andere zaligheid met haar vergeleken kan worden. Zo groot dat niemand kan uitdrukken, of zelfs maar bevatten, hoe groot zij is. Het is een grote zaligheid, die het Evangelie ons ontdekt, want het predikt ons een groten Zaligmaker, die ons geopenbaard heeft dat God met onze natuur verzoend is en verzoenen wil met onze personen, het toont ons hoe wij gered kunnen worden van zo grote zonde en zo zware ellende, en gebracht worden tot zo grote heiligheid en zo grote gelukzaligheid. Het Evangelie ontdekt ons een groten Heiligmaker, om ons voor de zaligheid geschikt te maken en ons tot den Zaligmaker te brengen. Het Evangelie ontplooit ons een grote en uitnemende bedeling van genade, een nieuw verbond, de grote daad van sluiting des verbonds is geschied en wordt verzekerd aan allen, die in den band des verbonds komen.
C. Hoe de zonde tegen het Evangelie wordt omschreven. Zij wordt verklaard te zijn een geen acht nemen op zo grote zaligheid, zij is een belediging van Gods genade in Christus, een licht-achten, een zorgeloos bejegenen, een het niet de moeite waard achten om er mede in aanraking te komen, een niet letten op het woord van evangelische genade, zomin als op eigen gebrek daaraan en eigen verloren toestand zonder dat, een niet-inspannen van krachten om de waarheid ervan te ontdekken, en toe te stemmen, of de goedheid er van in te zien, te smaken en op zich zelven toe te passen. In deze dingen tonen zij een volslagen verwaarlozing van deze grote zaligheid. Laat ons allen op onze hoede zijn, dat wij niet mogen behoren tot deze slechte, ellendige zondaren, die geen acht geven op de genade van het Evangelie.
D. Hoe de ellende van zulke zondaren wordt beschreven. Er wordt verklaard, dat ze niet te ontvlieden is, vers 3. Hoe zullen wij ontvlieden? Dit toont aan:
a. Dat de verachters van deze zaligheid alrede veroordeeld zijn, zich reeds onder de hand der gerechtigheid bevinden. Zij zijn dat reeds door de zonde van Adam, en zij hebben hun banden nauwer dicht gehaald door hun eigen overtredingen. Die niet gelooft is alrede veroordeeld, Johannes 3:18.
b. Er is geen ontkomen aan dezen staat van veroordeling dan door het aannemen van de grote zaligheid, in het Evangelie ons geopenbaard, en zij, die daar geen acht op geven, op hen blijft de toorn Gods en hij zal op hen blijven, zij kunnen er zich niet aan onttrekken, zij kunnen niet ontvlieden, zij kunnen aan den vloek niet ontkomen.
c. Er is echter een zwaarder vloek en verdoemenis wachtende voor al degenen, die de genade Gods in Christus verachten, en dezen zwaarsten vloek kunnen zij niet ontvlieden, zij kunnen zich niet verbergen in den groten dag, het feit niet ontkennen, den rechter niet omkopen, de gevangenis niet openen. Er is voor hen geen deur van barmhartigheid meer opengebleven, voor hen is er geen slachtoffer meer voor de zonden, zij zijn onherroepelijk verloren. De onmogelijkheid om aan die ellende te ontkomen wordt hier geschilderd in den vorm van een vraag: Hoe zullen wij ontvlieden? Het is een beroep op onze algemene rede, op de gewetens van de zondaren zelf, het is een wekstem tot al hun krachten en begaafdheden, al hun belangen, een vraag of zij, of een hunner, kan uitvinden, kan openen een weg om te ontkomen aan de wrekende gerechtigheid en toorn Gods. Het toont aan dat de verwaarlozers van deze grote zaligheid zullen gelaten worden niet alleen zonder macht, maar ook zonder voorspraak en verontschuldiging, op den groten dag, wanneer hun gevraagd zal worden of zij iets in `t midden te brengen hebben waarom het vonnis niet zou voltrokken worden, zullen zij sprakeloos staan, door hun eigen geweten veroordeeld, zelfs tot hoger trap van ellende dan zij, die het gezag der wet verwaarloosd, of zonder wet gezondigd hebben.
3. Een andere bewijsgrond om de waarschuwing te versterken is ontleend aan de waardigheid en uitnemendheid van den persoon, door wie het Evangelie is begonnen verkondigd te worden, vers 3. Dewelke begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, dat is de Heere Jezus Christus, dewelke is Jehova, de Heere des levens en der heerlijkheid, de Heere van allen, en die als zodanig bezit onfeilbare en vlekkeloze wijsheid, oneindige en onuitputtelijke goedheid, onbetwistbare en onveranderlijke waarachtigheid en getrouwheid, volstrekte opperheerschappij en gezag, en onweerstaanbare macht. Deze grote Heere was van allen de eerste, die begon te spreken over die zaligheid, duidelijk en helder, zonder typen en schaduwen, zoals eertijds geschiedde. Nu mag dan ook zeker wel verwacht worden, dat allen dien Heere zullen eerbiedigen en acht geven op een Evangelie, hetwelk is begonnen verkondigd te worden door iemand die sprak, zoals geen mens ooit gesproken heeft.
4. Een andere bewijsgrond wordt ontleend aan het karakter van hen, die getuigen waren van Christus en het Evangelie, vers 3-4. Het is aan ons bevestigd geworden door degenen, die Hem gehoord hebben, God bovendien mede-getuigende. Merk op:
A. De verkondiging van het Evangelie werd voortgezet en bevestigd door degenen, die Christus gehoord hebben, door de evangelisten en apostelen, die oog- en oorgetuigen waren geweest van hetgeen Jezus Christus was begonnen beide te doen en te leren, Handelingen 1:1. Deze getuigen konden er voor zich zelven geen werelds doel of belang bij hebben om hiertoe te dienen. Niets kon hen nopen om hun getuigenis af te leggen dan de eer van den Verlosser, en hun eigen zaligheid en die van anderen, zij stelden zich door hun getuigenis bloot aan het verlies van al wat hun in dit leven dierbaar was, en velen hunner bezegelden het met hun bloed.
B. God zelf getuigde mede met hen, die de getuigen van Christus waren, Hij bevestigde hetgeen zij door Christus gemachtigd en gezonden waren te prediken tot redding der wereld. En hoe getuigde Hij mede? Niet alleen door hun groten vrede in hun zielen te geven, groot geduld onder al hun lijden, en onuitsprekelijken moed en vreugde, ofschoon die voor hen zelven getuigen en bewijzen waren. Maar Hij getuigde mede door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Geestes naar Zijnen wil, vers 4.
a. Door tekenen, tekenen van Zijn genadevolle nabijheid en van Zijne in hen werkende macht.
b. Door wonderen, werken, die boven de natuurlijke macht gingen, de aanschouwers met verwondering vervulden, en hen aanspoorden om te letten op de gepredikte leer en er onderzoek naar te doen.
c. Door menigerlei krachten, of machtige werken, waarin een almachtige handeling geopenbaard werd, boven alle redelijke tegenspraak.
d. Door bedelingen des Heiligen Geestes, bekwaam makende, instaat stellende en aansporende tot het werk, waartoe zij geroepen waren, verscheidenheid van gaven, bedieningen en werkingen, 1 Corinthiërs 12:4 en v.v. En dat alles naar Zijnen wil. Het was de wil van God dat wij zulk een steun voor ons geloof hebben zouden, en een sterken grondslag voor onze hoop, bij de aanneming van het Evangelie. Gelijk er bij het afkondigen van de wet tekenen en wonderen waren, waardoor God haar gezag en hare uitnemendheid bevestigde, zo getuigde Hij voor het Evangelie door meer en groter wonderen, omdat het een heerlijker en een blijvende bedeling was.