2 Petrus 1:19-21
In deze woorden geeft de apostel een ander bewijs om de waarheid en werkelijkheid van het Evangelie te staven, en duidt aan dat dit tweede nog sterker en overtuigender is dan het eerste en het nog ontegensprekelijker maakt, dat de leer van de kracht en de komst van onzen Heere Jezus Christus geen kunstig verdichte fabel van slimme tegenwerkende mensen is, maar de wijze en wondervolle raad van den heiligen en genadigen God. Want dit is door de profeten en schrijvers van het Oude Testament voorzegd, die spraken en schreven onder de leiding en naar de aanwijzing van Gods Geest.
I. De omschrijving gegeven van de boeken des Ouden Testaments luidt: zij zijn een profetisch woord, dat zeer vast is.
1. Zij zijn een profetische verklaring van de kracht en de komst, de Godheid en de vleeswording van onzen Zaligmaker, welke wij in het Oude Testament hebben. Daar is voorzegd dat het zaad der vrouw den kop der slang zou vermorzelen. Daar worden voorzegd: Zijn macht om den duivel en diens werken te verwoesten, Zijn geboorte uit ene vrouw, de grote en ontzagwekkende naam van God, onder het Oude Testament, Jehova, die volgens sommigen alleen betekent: Hij zal zijn en die, Exodus 3:14, wordt weergegeven als Ik zal zijn, die Ik zijn zal, en die op de laatste wijze gelezen heen duidt naar de vleeswording Gods om de verlossing en zaliging, die komende waren, voor Zijn volk te bewerkstelligen. Maar het Nieuwe Testament is de geschiedenis van hetgeen onder het Oude Testament profetie was.
Al de profeten en de wet zijn tot op Johannes, Mattheus 11:13. En de evangelisten en apostelen hebben de geschiedenis beschreven van hetgeen als profetie geopenbaard was. Nu is de aanvulling van het Oude Testament door het Nieuwe, en de overeenstemming van het Nieuwe Testament met het Oude, een onwraakbaar getuigenis voor de waarheid van beide. Leest het Oude Testament als een voorspelling van Christus, en gebruikt met vlijt en dankbaarheid het Nieuwe als de beste uitlegging van het Oude.
2. Het Oude Testament is een profetisch woord, dat zeer vast is. Het was dat voor de Joden, die het als de woorden Gods ontvingen. De latere profeten bevestigden hetgeen door de vroegere voorzegd was, en deze profetieën werden opgeschreven op uitdrukkelijk bevel, bewaard door de bijzondere zorg, en vele daarvan reeds vervuld door de wonderbare voorzienigheid Gods, en daarom waren zij voor hen, die ze reeds lang geleden ontvangen en gelezen hadden, een zekerder woord dan des apostels verhaal van ene stem uit den hemel. Mozes en de profeten overtuigen machtiger dan de wonderen zelven, Lukas 16:31. Hoe vast en zeker behoort ons geloof te zijn, dat zulk een vast en zeker woord heeft om op te steunen! En al de profetieën van het Oude Testament zijn nog meer vast en zeker voor ons, die het verhaal bezitten van haar nauwkeurigste en volledigste vervulling.
II. De aanmoediging, welke de apostel geeft om de Schrift te onderzoeken. Hij zegt ons: Gij doet wel dat gij daarop acht hebt. Wij moeten ons verstand er toe zetten om de bedoeling te verstaan en ons hart om de waarheid te geloven van dit zekere woord, wij moeten er ons voor buigen, opdat wij er door vertederd en gevormd mogen worden. Het woord is het voorbeeld der leer, waaraan wij overgegeven zijn, Romeinen 6:17, de gedaante der kennis, Romeinen 2:20, waarnaar wij onze gedachten en gevoelens moeten regelen, waaraan onze woorden en belijdenissen, ons gehele leven en al onze wandel moeten beantwoorden. Indien wij ons voegen naar het Woord van God, doen wij in alle opzichten goed, en hetgeen Gode aangenaam en ons voordelig is, en daarmee brengen wij in werkelijkheid aan het Woord Gods niet meer dan de verschuldigde eer. Maar opdat wij zouden acht geven op het Woord, noemt de apostel sommige dingen op, die van buitengewoon nut zijn voor wie tot het rechte doel de Schrift willen lezen.
1. Zij moeten de Schrift beschouwen en gebruiken als een licht, dat God in de wereld gezonden heeft, om de duisternis te doorschijnen, die over de gehele aarde verspreid ligt. Het Woord is een lamp voor den voet van hen, die het recht gebruiken, het ontdekt hun den weg, waarin de mensen moeten wandelen, het is het middel, waardoor wij den weg des levens kunnen leren kennen.
2. Zij moeten hun eigen duisternis erkennen. Deze wereld is een plaats van dwaling en onwetendheid, en ieder mens in de wereld is van nature verstoken van de kennis, die nodig is om het eeuwige leven te bereiken.
3. Wanneer ooit mensen wijs worden tot zaligheid, dan is dat doordien het Woord Gods in hun harten schijnt. Natuurlijke denkbeelden over God zijn niet voldoende voor gevallen mensen, die op zijn best veel te weinig weten, maar noodzakelijk veel meer moeten weten, omtrent God, dan Adam in den staat der onschuld wist.
4. Wanneer het licht van de Schrift door den Heiligen Geest Gods straalt in de blinde ziel en het verduisterde verstand van den mens, dan licht de dag aan en gaat de morgenster op in zijn hart. Die verlichting van een verstand, dat in nachtelijk duister verkeert, is gelijk de dageraad, die al helderder en helderder wordt, en over de gehele ziel opgaat, tot het daar volle dag is geworden, Spreuken 4:18. Het is een toenemende kennis, zij, die op deze wijze verlicht worden, denken nooit dat zij genoeg weten, tot zij eindelijk kennen zoals zij gekend zijn. Acht geven op dat licht is het noodzakelijk belang en de plicht van allen, en allen, die de waarheid doen, komen tot dat licht, terwijl de kwaaddoeners zich op een afstand houden.
III. De apostel noemt ons een ding, dat noodzakelijk voorafgaat aan het acht geven op het vasthouden aan de Schrift, en dat is de wetenschap, dat alle profetie van goddelijken oorsprong is. Deze belangrijke waarheid stelt hij niet alleen voorop, maar hij bewijst haar. Merk op:
1. Geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging, (geen uitvinding van menselijke mening, geen uitlegging van menselijk verstand) maar openbaring van Gods wil. Dit was het onderscheid tussen de profeten Gods en de valse profeten, die in de wereld geweest zijn. De profeten des Heeren spraken nooit iets uit hun eigen verstand, Mozes, hun hoofd, zegt dat uitdrukkelijk, Numeri 16:28 :Dat ze niet uit mijn eigen hart zijn, ik heb geen zelfbedachte geboden en instellingen overgeleverd. Maar de valse profeten spreken het gezicht huns harten, niet uit des Heeren mond, Jeremia 23:16. De profeten en schrijvers van de Schrift spraken en schreven wat de wil Gods was, en ofschoon zij onder den invloed en de leiding van den Geest stonden, kan men wel aannemen dat zij gewillig waren om die dingen te openbaren en mede te delen, omdat God wilde dat zij ze spreken en schrijven zouden. Maar ofschoon de Schrift niet is het maaksel van der mensen eigen inzicht en willekeur, doch de openbaring van den zin en den wil Gods, moet toch ieder voor zich zelven haar onderzoeken, om haar bedoeling en mening te verstaan. 2. Deze belangrijke waarheid van den goddelijken oorsprong der Schrift (dat hetgeen zij bevat het woord Gods en niet eens mensen bevat) moet geweten en erkend worden door allen, die acht geven willen op dat woord, dat zeer vast is. Dat de Schrift het Woord Gods is, is niet alleen een artikel van het ware Christelijke geloof, maar ook een voorwerp van wetenschap of kennis. Gelijk iemand niet slechts gelooft, maar ook zeker weet dat die of die persoon, die zijn bijzondere vriend is, alle gewone, bijzondere en eigenaardige kentekenen en eigenschappen van een vriend heeft, zo weet de Christen dat dit boek het Woord Gods is, en ziet hij in dat boek al de bijzondere eigenschappen, die bewijzen dat het een goddelijk-ingegeven boek is. Hij smaakt een zoetheid, voelt een kracht, ziet een heerlijkheid er in, die waarlijk goddelijk zijn.
3. De goddelijkheid van de Schrift moet in de eerste plaats gekend en erkend worden, alvorens men haar recht gebruiken kan en zij behoorlijk in acht genomen kan worden. Daartoe is het enige en onfeilbare middel ons verstand af te trekken van alle andere geschriften en het bepaald aan haar te wijden, zij vereist noodwendig dat wij er ten volle van overtuigd zijn, dat zij goddelijk ingegeven werd en bevat hetgeen waarlijk Gods zin en wil is.
IV. In aanmerking nemende hoe volstrekt noodzakelijk het is, dat de mensen van den goddelijken oorsprong der Schrift overtuigd zijn, zegt de apostel ons vers 21, hoe het Oude Testament samengesteld werd.
1. Ontkennend. Niet door den wil eens mensen. De dingen zelven, die er in verhaald worden en waarvan de mededeling de onderscheidene delen van het Oude Testament uitmaakt, zijn niet gevoelens van mensen. En ook was niet de wil van enig der profeten en schrijvers van de Schrift de regel of reden, waarom deze dingen werden opgeschreven om den canon van de Schrift te vormen.
2. Bevestigend. Maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben haar gesproken. Merk op:
A. Zij waren heilige mensen Gods, die gebruikt werden voor het boek, dat wij als Gods Woord ontvingen. Indien Bileam en Kajafas en anderen, die van heiligheid ontbloot waren, bij sommige gelegenheden iets van den geest der profetie hadden, toch werden zulke mensen niet gebruikt om enig gedeelte van de Schrift ten nutte van Gods kerk te schrijven. Al de schrijvers van de Schrift waren heilige mensen Gods.
B. Deze heilige mensen werden gedreven door den Heiligen Geest in hetgeen zij overleverden als de mening en den wil van God. De Heilige Geest is opperste werker, de mensen zijn slechts werktuigen.
a. De Heilige Geest inspireerde hen en gaf hun op wat zij als den wil Gods moesten overleveren.
b. Hij spoorde hen krachtig aan en leidde hen er werkdadig toe om te spreken (en te schrijven) wat Hij hun in den mond legde.
c. Hij bestierde hen zo wijselijk en zorgvuldig en stond hen zo getrouw bij in het overbrengen van hetgeen zij van Hem ontvangen hadden, dat zij metterdaad bewaard bleven voor enige de minste vergissing in de uitdrukking van hetgeen zij openbaarden, zodat de eigen woorden van de Schrift moeten aangezien worden voor woorden van den Heiligen Geest, en al de duidelijkheid en eenvoud, al de kracht en deugd, al de sierlijkheid en eigenaardigheid, van die woorden en uitdrukkingen door ons moeten beschouwd worden als komende van God. Vermengt uw geloof derhalve met hetgeen gij in de Schrift vindt, acht en eerbiedigt uw Bijbel als een boek, geschreven door heilige mensen, geïnspireerd, beïnvloed en bijgestaan door den Heiligen Geest.