Psalm 85:1-8
De kerk, in beproeving en benauwdheid, wendt zich hier tot God, door Hem daarin geleid zijnde. Zo bereid is God om de gebeden Zijns volks te horen en te verhoren, dat Hij door Zijn Geest in het woord en in het hart hun de gebeden ingeeft en de woorden er voor in hun mond legt. Het volk van God in zeer terneergeslagen, zwakke toestand wordt hier geleerd hoe tot God te spreken.
I. Zij moeten met dankbaarheid de grote dingen erkennen, die God voor hen gedaan heeft, vers 2-4. "Gij hebt voor ons en onze vaderen zo en zo gedaan." De bewustheid van tegenwoordige beproeving moet de herinnering aan vroegere zegeningen niet uitwissen, neen, zelfs als wij zeer naar de diepte zijn gebracht moeten wij gedenken aan onze vroegere ervaringen van Gods goedheid, die wij met dankbaarheid en tot Zijn lof hebben op te merken. Zij spreken er hier met welbehagen van:
1. Dat God zich hun ellende gunstig had betoond, het met liefde had aangezien als het Zijne-"Gij zijt Uwen lande gunstig geweest, als het Uwe, Gij hebt het onderscheidene gunsten betoond." De gunst van God is de bron en oorsprong van alle goed, en de bron van geluk voor volken zowel als voor particuliere personen. Het was door de gunst van God, dat Israël bezit verkreeg en behield van Kanaän, Psalm 44:4, en indien Hij hun niet zeer gunstig gebleven was, zij zouden reeds voorlang ten verderve zijn gebracht.
2. Dat Hij hen gered had uit de hand hunner vijanden, en hun de vrijheid had hergeven. "Gij hebt de gevangenis van Jakob gewend, en diegenen weer in hun eigen land gevestigd, die er uit verdreven waren, en die toen vreemdelingen geweest zijn in een vreemd land, gevangenen in het land hunner verdrukkers. De gevangenis van Jakob kan wel lang duren, maar ter bestemder tijd zal zij gewend worden.
3. Dat Hij niet met hen gehandeld heeft naar dat hun tergingen het verdiend hadden, vers 3. "De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen, en hen niet gestraft, zoals Gij het naar recht hadt kunnen doen. Gij hebt al hun zonden bedekt." Als God de zonde vergeeft dan bedekt Hij haar, en als Hij de zonde Zijns volks bedekt, dan bedekt Hij haar geheel. Het wenden hunner gevangenschap was een voorbeeld en blijk van Gods gunst jegens hen, toen zij gepaard ging met de vergeving van hun ongerechtigheid.
4. Dat Hij Zijn toorn tegen hen niet zover had uitgestrekt en zolang had behouden, als zij reden hadden te vrezen, vers 4. "Al hun zonde bedekt hebbende, hebt Gij al Uwe verbolgenheid weggenomen, " want als de zonde weggedaan is, houdt Gods toorn op, als wij gereinigd zijn, is God bevredigd. Zie wat de vergeving van zonde is: Gij hebt de misdaad Uws volks weggenomen, dat is: "Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns, zodat wij in zijn vlam niet verteerd werden. In ontferming over ons hebt Gij al Uw toorn niet opgewekt, maar toen een voorspraak in de bres stond, hebt Gij Uw toorn afgewend."
II. Hen wordt geleerd om tot God te bidden om genade en goedertierenheid met betrekking tot hun tegenwoordige ellende. Dit wordt afgeleid uit het vorige: "Gij hebt wel gedaan aan onze vaderen, doe wel aan ons, want wij zijn de kinderen van hetzelfde verbond." 1. Zij bidden om bekerende genade, "Bekeer ons, o God onzes heils, vers 5, ten einde onze gevangenschap te wenden, wend ons af van ongerechtigheid, wend ons tot U en tot onze plicht, bekeer ons, en wij zullen bekeerd zijn. Allen, die God wil behouden, zal Hij vroeg of laat bekeren. Zonder bekering geen zaligheid.
2. Zij bidden om de wegneming van de tekenen van Gods misnoegen, waaronder zij zich bevonden. "Doe teniet Uwe toornigheid over ons, zoals Gij hem menigmaal teniet gedaan hebt in de dagen van onze vaderen, toen Gij Uw toorn van hen hebt afgewend." Let op de methode. Eerst: wend ons tot U en doe dan Uw toorn over ons teniet." Als wij met God verzoend zijn, dan en niet eerder kunnen wij de vertroosting verwachten van Zijn verzoend zijn met ons.
3. Zij bidden om de openbaring van Gods welwillendheid jegens hen, vers 8. "Toon ons Uwe goedertierenheid, o Heere, betoon U genadig jegens ons, wees ons niet slechts genadig, maar laat ons de troostrijke bewijzen hebben van Uwe genade, laat ons weten dat Gij ons genadig zijt en genade voor ons hebt weggelegd."
4. Zij bidden dat God genadiglijk voor hen, en tot heerlijkheid voor Hemzelf, voor hen verschijnen zal. Geef ons Uw heil, geef het ons door Uwe belofte, en dan zult Gij het ongetwijfeld werken door Uwe voorzienigheid." De vaten van Gods goedertierenheid zijn de erfgenamen van Zijn heil, Hij betoont genade aan hen, aan wie Hij Zijn heil geeft, want het heil, de zaligheid, is uit genade.
III. Er wordt hen geleerd om in ootmoed met vrijmoedigheid bij God te klagen over hun tegenwoordige ellende, vers 6, 7, waar wij moeten letten:
1. Op hetgeen zij vrezen en afbidden. "Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Wij zijn verloren zo Gij dit doet, maar wij hopen dat Gij het niet doen zult. Zult Gij Uwen toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht. Neen Gij zijt genadig, traag tot toorn, en zeer snel bereid om genade te betonen, en zult niet eeuwiglijk twisten Gij hebt niet eeuwiglijk getoornd tegen onze vaderen, maar hebt U spoedig gewend van de hittigheid Uws toorns, waarom zult Gij dan in eeuwigheid toornen tegen ons? Zijn Uwe goedertierenheden niet nog even menigvuldig en krachtig als ooit tevoren? Tegen onboetvaardige zondaren zal God in eeuwigheid toornen want wat is de hel anders dan de toorn van God uitgestrekt van geslacht tot geslacht? Maar zal een hel op aarde het lot van Uw volk wezen?"
2. Wat zij begeren en hopen. "Zult Gij ons niet weer levend maken? vers 7, ons niet levend maken door vertroosting tot ons te spreken, ons levend maken door verlossingen, die voor ons worden gewerkt? Gij zijt voorheen Uwen lande gunstig geweest, en dat heeft het levend gemaakt, zult Gij niet wederom gunstig zijn, en het alzo wederom levend maken?" God had aan de kinderen van de gevangenschap "een weinig levens gegeven in hun Dienstbaarheid," Ezra 9:8. Hun terugkeer uit Babel was als een leven uit de doden, Ezechiël 37:11, 12. Welaan, Heere, zeggen zij, "zult Gij ons niet weer levend maken, en ten anderen male Uwe hand aanleggen om ons te vergaderen", Jesaja 11:11, Psalm 126:1, 4. "Uw werk Heere! behoud dat in het leven in het midden van de jaren," Habakuk 3:2. "Maak ons weer levend,"
a. "Opdat Uw volk zich verblijde, en zo zullen wij er de vertroosting van hebben," Psalm 14:7. Geef hun leven, opdat zij blijdschap mogen hebben. b. Opdat zij zich verblijden in U, en zo zult Gij er de eer voor ontvangen." Indien God de bron is van al onze zegeningen, dan moet Hij het middelpunt wezen van al onze blijdschap.