Jesaja 8:9-15
De profeet spreekt nu weer van de tegenwoordige benauwdheid, die over Achaz en zijn hof en zijn koninkrijk gekomen was vanwege het dreigende bondgenootschap van de tien stammen met de Syriërs tegen hen, en in deze verzen:
I. Juicht hij over de invallende vijanden en trotseert hen, daagt hen uit om nu maar hun ergst te doen, vers 9, 10. "Gij volkeren, gij allen, die uit verre landen zijt, neemt ter ore wat de profeet in de naam van God tot u zegt."
1. "Wij twijfelen niet, of gij zult nu uw uiterste krachten inspannen tegen Juda en Jeruzalem, gij vergezelt u tezamen in een nauw verbond, gij omgordt u, en wederom, gij omgordt u, gij bereidt u ten oorlog, gij begeeft er u toe met een vast voornemen, gij gordt het zwaard aan, gij omgordt uw lenden, gij bemoedigt uzelf en elkaar met al de overwegingen, die gij kunt bedenken, gij neemt tezamen raad, belegt krijgsraden, en alle hoofden zijn aan het werk om de geschiktste middelen te vinden, om u meester te maken van het land van Juda, gij spreekt het woord gij komt tot een besluit ervoor, en zijt niet altijd aan het beraadslagen, gij bepaalt wat gij doen zult, en zijt vast overtuigd van de goede uitslag, en dat de zaak door een woord sprekers tot stand zal komen." Het is met veel beleid, grote doorzettendheid en zekerheid dat de vijanden van de kerk hun plannen er tegen in werking brengen, en zeer veel moeite geven zij zich om een steen te rollen, die gewis op henzelf zal weerkeren.
2. Het zij u bekend dat al uw pogingen vruchteloos zullen zijn, gij kunt, gij zult, uw doel niet bereiken gij zult de overwinning niet wegdragen, gij zult verbroken worden, of schoon gij u vergezelt, of schoon gij u omgordt, ofschoon gij met alle mogelijke voorzichtigheid en het grootste beleid te werk gaat, zeg ik u wederom en nogmaals dat uw plannen verijdeld zullen worden, gij zult verbroken worden, ja meer, uw aanslagen zullen niet alleen niet gelukken, maar zij zullen uw eigen verderf bewerken, gij zult door de plannen, die gij tegen Jeruzalem gevormd hebt, zelf verbroken worden, uw raad zal teniet gemaakt worden, want er is geen raad noch wijsheid tegen de Heer, uw besluiten zullen niet ten uitvoer worden gebracht, zij zullen niet bestaan, gij spreekt het woord, maar wie zegt iets hetwelk geschiedt, zo de Heer het niet beveelt? Wat zich stelt tegen God en Zijn zaak en Zijn raad kan niet bestaan, maar moet onvermijdelijk vallen. want "God is met ons," (dit verwijst naar de naam Immanuël, -God met ons,) de Messias moet onder ons geboren worden, en een volk, waarvoor die eer bestemd en weggelegd is, kan niet aan een algeheel verderf worden overgegeven, wij hebben nu de bijzondere tegenwoordigheid Gods met ons in de tempel, Zijn orakelen en Zijn beloften, en deze zijn onze bescherming. God is met ons, Hij is aan onze zijde, om het voor ons op te nemen, om voor ons te strijden, en zo God voor ons is, wie kan tegen ons zijn? Aldus is het, dat de dochter van Zion hen veracht.
II. Hij vertroost en bemoedigt het volk van God met de vertroostingen en bemoedigingen, die hij zelf had ontvangen, de aanval, die op hen gedaan werd, was zeer geducht, het huis van David, het hof en de koninklijke familie waren ten einde raad, Hoofdstuk 4, 2, en zo was het geen wonder, dat ook het volk ontsteld en verbijsterd was.
1. Nu zegt ons de profeet hoe God hem geleerd had niet toe te geven aan die vrees en ontzetting, waardoor het volk was aangegrepen, niet in te stemmen met hun maatregelen, vers 11. "Alzo heeft de Heer tot mij gezegd met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op de weg van dit volk, niet te spreken zoals zij spreken, niet te doen zoals zij doen, niet dezelfde angst te koesteren, hun plannen niet goed te keuren, waarmee zij op elke voorwaarde vrede willen sluiten, of de hulp van de Assyriërs willen inroepen. God onderrichtte de profeet om niet afwaarts te gaan met de stroom. Er is in de beste mensen een neiging om van dreigende wolken verschrikt te worden, inzonderheid als de vrees epidemisch is. Wij zijn allen maar al te zeer geneigd om te wandelen op de weg van het volk, onder hetwelk wij wonen, al is het geen goede weg. Hen, die God liefheeft en erkent, zal Hij leren en bekwaam maken om tegen de stroom op te zwemmen van de algemene verdorvenheden, inzonderheid van de algemene vrees. Hij zal middelen vinden om Zijn eigen volk te leren, om niet te wandelen op de weg van anderen, maar op een sobere, afgezonderde weg. Het bederf is soms zo werkzaam zelfs in het hart van godvrezende mensen, dat zij het nodig hebben, dat hun hun plicht geleerd wordt met een sterke hand, en het is Gods kroonrecht om aldus te onderwijzen, want Hij kan het verstand geven, en de tegenspraak van het ongeloof en het vooroordeel tot zwijgen brengen. Hij kan het hart onderwijzen, en hierin onderwijst niemand zoals Hij. Zij, die anderen moeten onderwijzen, hebben nodig dat zij zelf goed onderricht zijn nopens hun plicht, en hun onderwijs zal het krachtigst zijn als zij uit hun eigen ervaring onderwijzen, het woord, dat uit het hart komt, zal hoogstwaarschijnlijk tot het hart gaan, en hetgeen waarin wij zelf door Gods genade onderricht zijn behoren wij, naar wij er gaven en bekwaamheid toe hebben, aan anderen te leren.
2. Wat nu is het, dat hij tot Gods volk zegt?
A. Hij waarschuwt hen tegen een zondige vrees, vers 12. Het schijnt dat dit volk zich in die tijd daaraan overgaf, en vrees is aanstekelijk, hij, wiens moed hem ontzinkt, zal maken dat ook aan zijn broeders de moed ontzinkt, Deuteronomium 20:8. Daarom zegt niet: een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: het is een verbintenis, dat is:
a. "Voegt u niet bij hen in de verbintenis, die zij beramen. Verenigt u niet met hen, die om zich te beveiligen een verbond willen aangaan met de Assyriërs door ongeloof en wantrouwen van God en van hun zaak. Treedt niet in een zodanige verbintenis." Het is van het grootste belang voor ons om in tijden van benauwdheid op onze hoede te zijn tegen al dergelijke angsten, die ons er toe zouden brengen om ongeoorloofde middelen aan te wenden voor onze veiligheid.
b. Weest niet bevreesd voor de verbintenissen, waarmee zij zichzelf en elkaar bang maken. Kwelt u niet met de vrees voor een verbintenis. Roept niet terstond bij ieder gerucht, dat gij hoort, of bij iedere kleinigheid, die verkeerd gaat: Er is een komplot! een komplot! Als zij spreken over de sombere tijding: Syrië heeft zich verbonden met Efraïms, en vragen: Wat zal er van ons worden? Wat moeten wij doen? Moeten wij vechten, of moeten wij vluchten, of moeten wij ons onderwerpen? zo vreest gijlieden hun vreze niet. Ontzet u niet voor de tekenen des hemels, zoals de heidenen, Jeremia 10:2. Vreest geen kwade tijdingen op aarde, maar laat uw hart bereid wezen. Vreest niet wat zij vrezen, en weest niet bevreesd zoals zij bevreesd zijn, laat u niet zo'n schrik aanjagen, dat gij beeft en siddert, dat is de eigenlijke betekenis van het woord. Als de vijanden van de kerk zondige verbintenissen op touw hebben gezet, dan moeten de vrienden van de kerk waken tegen de zondige vrees voor die verbintenissen.
B. Hij raadt hun een vrome, godsdienstige vrees aan. De Heer van de legerscharen, die zult gijlieden heiligen, vers 13. De gelovige vreze Gods is een bijzonder behoedmiddel tegen de ontrustende vrees voor de mens, zie 1 Petrus 3:14, 15 waar dit wordt aangehaald en toegepast op lijdende christenen. a. Wij moeten op God zien als de Heer der heerscharen, die alle macht in Zijn hand heeft en alle schepselen tot Zijn dienst.
b. Dienoverkomstig moeten wij Hem heiligen, Hem de eer geven van die naam, en ons jegens Hem gedragen als die geloven dat Hij een heilig God is.
c. Wij moeten hem maken tot onze vreze Hem tot het voorwerp maken van onze vreze, eerbied behouden voor Zijn voorzienigheid ontzag hebben voor Zijn soevereiniteit, bevreesd zijn voor Zijn misnoegen, en stil berusten in Zijn beschikkingen. Indien wij slechts goed doordrongen waren van de grootheid en heerlijkheid van God, dan zouden wij de pracht van onze vijanden omfloerst en verduisterd zien, en ook zien, dat hun macht in bedwang wordt gehouden en als het ware gebonden is. Zij die de smaad van de mensen vrezen, vergeten de Heer, die hen gemaakt heeft, Hoofdstuk 51:12-13. Vergel. Lukas 12:4, 5.
C. Hij verzekert hun een heilige gerustheid en kalmte van gemoed, als zij dit doen, vers 14. "Hij zal ulieden tot een heiligdom zijn. Maakt Hem tot uw vreze, en gij zult Hem uw hoop bevinden, uw bescherming en uw machtige Verlosser. Hij zal u heiligen en bewaren, Hij zal u tot een heiligdom zijn."
a. Om u heilig te maken, Hij zal uw heiligmaking wezen, " zo wordt het door sommigen gelezen. Als wij God heiligen door onze lof, dan zal Hij ons heiligen door Zijn genade.
b. "Om u gerust te maken, Hij zal uw heiligdom wezen, tot hetwelk gij de toevlucht kunt nemen om veilig te zijn, waar gij in een vrijplaats zijt tegen alle vrees. Gij zult in Hem een onschendbare vrijplaats en beveiliging vinden, en u buiten het bereik zien van gevaar." Zij, die waarlijk God vrezen, behoeven generlei kwaad te vrezen.
III. Hij dreigt het verderf van de goddelozen en ongelovigen, beide in Juda en Israël. Zij hebben part noch deel in deze vertroostingen, die God, die een heiligdom zal zijn voor hen, die op Hem vertrouwen, zal een steen des aanstoots en rotssteen van de struikeling wezen voor hen, die de wateren van Siloa verachten, en zich verheugen in Rezin en de zoon van Remalia vers 6, die het schepsel tot hun vreze maken en tot hun hoop, vers 14, 15. De profeet voorzag dat het grootste deel van de beide huizen van Israël de Heer van de heirscharen niet zouden heiligen, en voor hen zal Hij wezen tot een net en tot een strik, Hij zal hun een verschrikking wezen, zoals Hij een hulp en steun zal wezen voor hen, die op Hem vertrouwen. In plaats van hun voordeel te doen met het woord van God, zullen zij er zich aan ergeren, en in plaats, dat de leidingen van Gods voorzienigheid hen tot Hem leiden, zullen zij erdoor van Hem weggedreven worden. Wat een reuk des levens ten leven was voor anderen, zal voor hen een reuk des doods ten dode zijn. Zodat velen onder hen zullen struikelen en vallen, zij zullen vallen, beide in zonde en in verderf, zij zullen vallen door het zwaard zullen gevangen worden genomen, en in ballingschap weggevoerd worden. Als de dingen Gods ons een aanstoot zijn, dan zullen zij ons verderf wezen. Sommigen passen dit toe op de ongelovige Joden, die Christus verwierpen, en voor wie Hij een rotssteen van de struikeling is geworden, want de apostel haalt deze Schriftuurplaats aan met toepassing op hen, die in hun ongeloof aan het evangelie van Christus volhardden, 1 Petrus 2:8, voor hen is Hij een rotssteen van de struikeling, omdat zij, ongehoorzaam zijnde aan het woord, er zich aan stoten en dan struikelen.