Psalm 45:1-6
Sommigen denken dat het woord Shoshannim in de titel, vers 1, een zessnarig muziekinstrument betekent; anderen zien er de oorspronkelijke betekenis in van leliën of rozen, die waarschijnlijk, met andere bloemen, bij bruiloftsplechtigheden gestrooid werden, en dan is het gemakkelijk op Christus toepasselijk, die zich "een roos van Saron en een lelie van de dalen noemt," Hooglied 2:1 Het is een lied van de liefde betreffende de heilige liefde tussen Christus en Zijn gemeente. Het is een lied des beminden, voor de jonge dochters, de gezellinnen van de bruid, vers 15, bereid om door haar gezongen te worden, en van de maagdenreien, die bij het Lam zijn op de berg Zion, wordt gezegd dat zij een nieuw gezang zongen, Openbaring 14:3, 4
De inleiding, vers 2, spreekt:
1. Van de waardigheid van het onderwerp. Het is een goede zaak, iets goeds, en het is te betreuren dat zo'n roerende kunst, als de poëzie is, ooit voor een slechte zaak wordt gebruikt. Het betreft de Koning, Koning Jezus en Zijn koninkrijk, en Zijn regering. Zij, die van Christus spreken, spreken van een goede zaak; geen onderwerp is zo edel, zo rijk, zo vruchtbaar, zo nuttig, en dat ons zo wel betaamt, het is een schande dat die goede stof niet meer de stof is van onze gesprekken.
2. Van de uitnemendheid van de behandeling. Dit lied was een belijdenis met de mond van geloof in het hart betreffende Christus en Zijn kerk.
A. De stof was goed bewerkt, zoals zij het verdiende. Mijn hart geeft haar op, hetgeen misschien bedoeld is van de Geest van de profetie die de psalm aan David ingaf, die Geest van Christus, die in de profeten was, 1 Petrus 1:11 Maar het is toepasselijk op zijn vrome overdenkingen en de genegenheden van zijn hart en van de overvloed uit welke zijn mond sprak. De dingen betreffende Christus moeten met grote ernst en een vuur van heilige liefde door ons overdacht en overwogen worden, inzonderheid als wij over die dingen gaan spreken. Van Christus en van Goddelijke dingen spreken wij het best als wij uit het hart spreken, dat er door getroffen en verwarmd werd; en nooit moeten wij onbedacht van de dingen van Christus spreken, maar van tevoren wel overwegen wat wij te zeggen hebben, opdat wij niet verkeerd spreken. Zie Prediker 5:2,
B. Zijn rede was goed en duidelijk uitgedrukt: ik zal spreken van de dingen, die ik gemaakt heb. Hij wilde zich uitdrukken:
a. Met alle mogelijke helderheid, als iemand, die de dingen, waarover hij spreekt, zelf goed begrijpt klaar en duidelijk voor ogen heeft. Niet: ik zal spreken van de dingen, die ik van anderen gehoord heb," dat is spreken uit gewoonte of sleur, maar "van de dingen, die ik zelf bestudeerd heb." Wij moeten aan anderen vertellen wat God In onze ziel gewerkt heeft, zowel als wat Hij aan onze ziel gedaan heeft Psalm 66:16.
b. Met blijmoedigheid, vrijheid en vloeiendheid; "Mijn tong is een pen van een vaardige schrijver, in ieder woord bestuurd l door mijn hart, zoals de pen door de hand." Wij noemen de profeten de schrijvers van de Schrift terwijl zij er inderdaad slechts de pen van waren. De tong van de spitsvondigste twistredenaar en de welsprekendste redenaar is slechts de pen, waarmee God schrijft wat Hem behaagt. Waarom zouden wij twisten met de pen als bittere dingen tegen ons geschreven worden, of de pen vergoden als zij ten onze gunste schrijft? David sprak niet slechts wat hij van Christus dacht, maar hij schreef het opdat het verder verspreid zou worden en langer in wezen zou blijven. Zijn tong was als de pen van een vaardige schrijver, die niets laat glippen. Als het hart een goede rede opgeeft, dan moet de tong als de pen van een vaardige schrijver zijn, om haar voor het nageslacht te bewaren.
In deze verzen wordt de Heere Jezus voorgesteld:
I. Als bewonderenswaardig schoon en beminnelijk in zichzelf. Het is een bruiloftslied, en daarom worden de alles-overtreffende heerlijke eigenschappen van Christus voorgesteld door de schoonheid van de koninklijke Bruidegom, vers 3 Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen, schoner dan iemand, wie het ook zij, onder hen. Hij stelde zich voor vers 2, te spreken van de Koning, maar terstond richt hij zijn rede tot Hem. Zij, die bewondering en liefde hebben voor Christus gaan gaarne tot Hem om het Hem te zeggen. Aldus moeten wij ons geloof belijden, dat wij Zijn schoonheid zien, en onze liefde, dat zij ons behaagt. Gij zijt schoon, schoner dan de mensenkinderen. Jezus Christus is in zichzelf en in de ogen van alle gelovigen beminnelijker en lieflijker dan de kinderen van de mensen. De schoonheid van de Heere Jezus als God en als Middelaar, overtreft verre die van de menselijke natuur in het algemeen, en die, waarmee de beminnelijkste en voortreffelijkste van de mensenkinderen begaafd zijn, er is in Christus meer om onze liefde op te wekken dan er in enigerlei schepsel is of zijn kan. Onze welbeminde is meer de iemand anders bemind. Er is gevaar dat de schoonheden van deze lagere wereld en haar bekoorlijkheden ons hart van Christus aftrekken, en daarom is het van het uiterste belang voor ons om te begrijpen hoe ver Hij ze allen overtreft, en hoeveel meer Hij onze liefde waardig is.
II. Als de grote gunstgenoot des hemels. Hij is schoner dan de mensenkinderen, want God heeft voor Hem meer gedaan dan voor iemand uit de kinderen van de mensen; en al Zijn goedheid voor de mensenkinderen is om Zijnentwil, en gaat door Zijn handen, door Zijn mond.
1. Hij heeft genade, en Hij heeft haar voor ons, genade is uitgestort in Uw lippen. Door Zijn woord, Zijn belofte, Zijn Evangelie is ons het welbehagen Gods bekend gemaakt en is het goede werk Gods in ons begonnen en voortgezet. Hij heeft alle genade van God ontvangen al de gaven en hoedanigheden, die vereist werden om Hem bekwaam en bevoegd te maken voor Zijn werk en ambt als Middelaar, opdat wij uit Zijn volheid zouden ontvangen, Johannes 1:16 Zij was niet alleen uitgestort in Zijn hart tot Zijn eigen versterking en bemoediging maar uitgestort in Zijn lippen, opdat Hij door de woorden van Zijn mond in het algemeen, en door de kussen Zijns monds aan bijzondere gelovigen, beide heiligheid en vertroosting zou mededelen. Van deze genade, uitgestort in Zijn lippen, kwamen die genaderijke woorden voort, die door allen bewonderd werden, Lukas 4:22 Het Evangelie van de genade is uitgestort in Zijn lippen, want het begon verkondigd te worden door de Heere, en van Hem ontvangen wij het, Hij heeft de woorden des eeuwigen levens. De geest van de profetie is in Uwe lippen gelegd, zo heeft het de Chaldeeër.
2. Hij heeft de zegen, en Hij heeft hem voor ons. "Daarom, omdat Gij de grote beheerder zijt van de Goddelijke genade ten behoeve en gebruike van de kinderen van de mensen, daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid; U tot een eeuwigen zegen gemaakt, zodat in U al de volken van de aarde gezegend zullen worden." Waar God Zijn genade geeft, zal Hij Zijn zegen geven, wij zien in Christus Jezus met alle geestelijke zegening gezegend, Efeze 1:3 III. Als zegevierende over al Zijn vijanden. De koninklijke Bruidegom is een krijgsman, en Zijn bruiloftsfeest stelt Hem niet vrij van de krijg "zoals door de wet vergund werd," Deuteronomium 24:5 ), ja meer, het voert Hem naar het oorlogsveld, want Hij moet door het zwaard Zijn bruid verlossen uit haar gevangenschap, haar winnen, en voor haar overwinnen, om haar dan te huwen. Nu hebben wij hier:
1. Zijn toebereidselen tot de strijd vers 4 Gord Uw zwaard aan de heup, o held! Het woord van God is het zwaard des Geestes, door de beloften van dat Woord, en de genade, vervat in die beloften, worden zielen gewillig gemaakt om zich aan Jezus Christus te onderwerpen en Zijn getrouwe onderdanen te worden. Door de bedreigingen van dat Woord, en de oordelen, die in overeenstemming er mee volvoerd worden, zullen zij, die volharden in hun tegenstaan van Christus, te bestemder tijd terneer geworpen en in het verderf gestort worden. Door het Evangelie van Christus zijn vele Joden en heidenen bekeerd geworden, en ten laatste is overeenkomstig de voorzegging ervan het verderf over de Joodse natie gekomen wegens hun onverzoenlijke vijandschap er tegen, en het heidendom werd geheel en al vernietigd. Het zwaard, hier gegord aan Christus heup, is hetzelfde, dat gezegd "wordt uit te gaan uit Zijn mond," Openbaring 19:15 Toen het Evangelie uitgezonden werd om aan alle volken gepredikt te worden, heeft onze Verlosser Zijn zwaard aan Zijn heup gegord.
2. Zijn uittrekken in deze heilige strijd: Hij gaat uit in Zijn majesteit en heerlijkheid zoals een groot koning zich met veel pracht en staatsie naar het oorlogsveld begeeft. In Zijn Evangelie verschijnt Hij groot, in alles overtreffende heerlijkheid, schitterend en gezegend, in de eer en de majesteit, die Zijn Vader Hem heeft gegeven. Christus had noch in Zijn persoon noch in Zijn Evangelie enigerlei uitwendige heerlijkheid of majesteit, niets om de mensen te bekoren, want Hij had geen gedaante of heerlijkheid, niets om de mensen ontzag in te boezemen, want Hij heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen, het was een en al geestelijke heerlijkheid, geestelijke majesteit. Er is zoveel genade, en daarom zoveel heerlijkheid in dat woord: Die gelooft zal zalig worden, zoveel verschrikking, en daarom zoveel majesteit in dat woord: Die niet gelooft zal verdoemd worden, dat wij wel kunnen zeggen: in de wagen van dat Evangelie, waarvan deze woorden de hoofdsom zijn, rijdt de Verlosser in heerlijkheid en majesteit. Rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, vers 5 Dit is de belofte van Zijn Vader, dat Hij naar het welbehagen des Heren voorspoedig zal zijn, dat Hij de machtigen als een door zal delen ter beloning van Zijn lijden. Diegenen moeten wel voorspoedig zijn, tot wie God zegt: Wees voorspoedig, Jesaja 52:10-12. En het geeft de goede wensen te kennen van Zijn vrienden, biddende dat Hij voorspoedig zal wezen in de bekering van zielen tot Hem, en de verwoesting van alle de machten van de duisternis, die tegen Hem rebelleren. Uw koninkrijk kome. Ga voort en wees voorspoedig.
3. De heerlijke zaak waaraan Hij verbonden is, vanwege waarheid en rechtvaardigheid en zachtmoedigheid, vers 5, die in zekeren zin weggezonken en verloren waren onder de mensen en met Christus weer hersteld werden.
a. Het Evangelie zelf is waarheid, zachtmoedigheid en rechtvaardigheid; het gebiedt door de kracht van waarheid en rechtvaardigheid want het Christendom heeft deze onbetwistbaar aan zijn zijde en moet toch bevorderd worden door zachtmoedigheid en nederigheid, 1 Corinthiërs 4:12, 13; 2 Timotheus 2 ; Z5. b. Christus verschijnt er in Zijn waarheid, zachtmoedigheid en rechtvaardigheid, en deze zijn Zijn heerlijkheid en majesteit, en uit oorzaak van deze zal Hij voorspoedig zijn. De mensen worden er toe gebracht om in Hem te geloven omdat Hij waar is, om van Hem te leren omdat Hij nederig is, Mattheus 11:29 De zachtmoedigheid van Christus is van ontzaglijke kracht, 2 Corinthiërs 10:1 De mensen worden er toe gebracht om zich aan Hem te onderwerpen omdat Hij rechtvaardig is en met billijkheid regeert.
c. In zover het Evangelie de overhand heeft onder de mensen, richt het in hun hart waarheid, zachtmoedigheid en rechtvaardigheid op, herstelt het hun vergissingen door het licht van de waarheid, bedwingt het hun hartstochten door de kracht van de zachtmoedigheid en heerst over hun hart en hun leven door de wetten van de rechtvaardigheid. Christus is gekomen om, door Zijn koninkrijk onder de mensen op te richten, deze heerlijkheden weer te herstellen voor een ontaarde wereld en de zaak te handhaven van de rechtvaardige en rechtmatige heersers onder Hem, die door dwaling, boosaardigheid en ongerechtigheid afgezet zijn geworden.
4. De goeden uitslag van Zijn onderneming: "Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren, Gij zult een wonderbare Goddelijke kracht waarnemen, die uitgaat met Uw Evangelie, om het te doen zegevieren, en de uitwerkingen ervan zullen vreeslijke dingen zijn."
A. Ten einde zielen tot Hem te bekeren en terug te brengen, moeten vreselijke dingen geschieden; het hart moet verslagen, het geweten opgeschrikt worden, en de verschrikkingen des Heren moeten de weg bereiden voor Zijn vertroostingen; dit geschiedt door Christus' rechterhand. De Trooster zal bij hen blijven, Johannes 16:8
B. In de overwinning over de poorten van de hel en over hen, die haar steunen, in de verwoesting van Jodendom en heidendom zullen vreeslijke dingen gedaan worden, waardoor "de mensen het hart zal bezwijken van vrees," Lukas 21:26, en de groten en de oversten over duizend tot de rotsen en bergen zeggen zeggen: "Valt op ons," Openbaring 6:1-5 - . Het volgende vers beschrijft deze vreeslijke dingen, vers 6 Uw pijlen zijn scherp, zo treffen in het hart van des konings vijanden.
a. Zij, die van nature vijanden waren, worden aldus gewond, opdat zij tot Hem teruggebracht en met Hem verzoend zullen worden. Overtuigingen van zonde zijn als de pijlen van de boog, die scherp zijn in het hart, dat zij treffen, en de mensen er toe brengen om onder Christus te vallen in onderworpenheid aan Zijn wetten en Zijn regering. Zij, die aldus op deze steen vallen zullen verpletterd worden, Mattheus 21:44
b. Zij, die volharden in hun vijandschap, worden aldus gewond ten einde verdaan te worden. De pijlen van Gods verschrikkingen zijn scherp in hun hart, waardoor zij onder Hem vallen, zodat zij tot Zijn voetbank worden gemaakt Psalm 110:1 Zij, die niet wilden dat Hij koning over hen zou zijn, zullen voor Zijn aangezicht worden gedood, Lukas 19:27; zij, die zich niet wilden onderwerpen aan Zijn gouden scepter, zullen door Zijn ijzeren scepter worden verpletterd.