Psalm 45:7-10
Hier hebben wij de koninklijke Bruidegom neerzittende op Zijn troon van de gerechtigheid, in pracht en luister Zijn hof houdende.
I. Hij neemt hier de troon des gerichts in. Het is God de Vader, die tot de Zoon zegt: "Uw troon, o God, is eeuwig en altoos", zoals blijkt uit Hebreeën 1:8, 9, waar dit wordt aangehaald om te bewijzen dat Hij God is, en een uitnemender naam heeft dan de engelen. De Middelaar is God, want anders zou Hij niet in staat zijn geweest, om het werk van de Middelaar te doen, noch geschikt zijn geweest om de kroon van de Middelaar te dragen.
Merk op betreffende Zijn regering,
1. Dat zij eeuwig is: eeuwig en altoos. Op aarde zal zij gedurende al de eeuwen van de tijd stand houden, niettegenstaande alle tegenstand van de poorten van de hel, en in de gezegende vruchten en gevolgen ervan zal zij zolang duren als de dagen van de eeuwigheid, en gelijklopend zijn met de lijn van de eeuwigheid zelf. Misschien zullen zelfs dan de heerlijkheid van de Verlosser en de zaligheid van de verlosten in voortdurende oneindige voortgang zijn, want er is beloofd dat niet alleen van de heerschappij, maar "van de grootheid, of" van de toeneming, "van deze heerschappij en des vredes geen einde zal zijn," Jesaja 9:6, zelfs dan als het koninkrijk "aan God en de Vader zal overgeleverd zijn" 1 Corinthiërs 15:24, zal de troon des Verlossers in stand blijven.
2. De rechtmatigheid ervan. De scepter van Uw koninkrijk, de administratie van Uw regering is recht, in nauwkeurige overeenstemming met de eeuwige raad en wil van God, die de eeuwige regel en reden is van goed en kwaad. Wat Christus ook doet, aan geen van Zijn onderdanen doet Hij enigerlei onrecht, maar aan hen, die onrecht lijden, doet Hij recht; Hij heeft gerechtigheid lief en haat goddeloosheid, vers 8. Hij bemint het om zelf recht te doen, en haat het om goddeloosheid te doen, en Hij heeft hen lief, die gerechtigheid doen, en haat hen die goddeloosheid doen. Door de heiligheid van Zijn leven, de verdienste van Zijn dood en het grote doel van Zijn Evangelie heeft Hij doen blijken dat Hij gerechtigheid liefheeft, want door Zijn voorbeeld, Zijn genoegdoening en Zijn geboden heeft Hij een eeuwige gerechtigheid aangebracht, en dat Hij goddeloosheid haat, want nooit is Gods haat tegen de zonde zo sterk in het licht getreden als in het lijden van Christus.
3. De vestiging en verheffing ervan. "Daarom heeft U, o God, Uw God, als Middelaar heeft Christus God Zijn God genoemd", Johannes 20:17 ) "gezalfd met vreugdeolie". Daarom, dat is:
a. Ten einde U voor deze rechtvaardig regering bekwaam en bevoegd te maken, heeft God U Zijn Geest, de Goddelijke zalving, gegeven, Jes 61:1 "De Geest des Heren Heren is op mij, omdat de Heere mij gezalfd heeft". Waar God Hem toe riep, daar heeft Hij Hem voor bekwaam gemaakt Jesaja 11:2 De Geest wordt vreugdeolie genoemd vanwege de zielenvreugde, waarvan Christus vervuld was bij het volvoeren van Zijn onderneming. Hij was met de Geest gezalfd boven Zijn medegenoten, boven allen, die gezalfd waren, hetzij priesters of koningen.
b. "Ter beloning van hetgeen Gij gedaan en geleden hebt voor de bevordering van gerechtigheid en de vernietiging van de zonde, heeft God U gezalfd met vreugdeolie, U tot al de eer en de genietingen gebracht van Uw verhoogden staat," "Omdat Hij zichzelf vernederd heeft, heeft God Hem uitermate verhoogd," Filippenzen 2:8, 9 Zijn zalving door Hem duidt de macht en heerlijkheid aan, waartoe Hit verhoogd is; Hij is bekleed met al de waardigheden en het gezag van de Messias; en Zijn zalving van Hem met vreugdeolie, geeft de vreugde te kennen die Hem was voorgesteld, (aldus wordt Zijn verhoging uitgedrukt in Hebreeën 12:2 ) beide in het licht van "Zijns Vaders aangezicht," Handelingen 2:28, en in de goeden uitslag van Zijn onderneming, die "Hij zal zien en verzadigd worden" Jesaja 53:11 Daarmee is Hij gezalfd boven Zijn medegenoten boven alle gelovigen, die Zijn broederen zijn en in de zalving delen; zij met mate, Hij zonder mate. Maar de apostel voert het aan om Zijn voorrang boven de engelen te bewijzen, Hebreeën 1:4, 9 De zaligheid van zondaren is de vreugde van de engelen, Lukas 15:10, maar nog veel meer van de Zoon.
II. Hij houdt Zijn hof met pracht en luister.
1. Er wordt nota genomen van de staatsieklederen, waarin Hij verschijnt, niet om hun pracht, die ontzag zou wekken bij de toeschouwer, maar om het lieflijke en aangename van de geuren, waarmee zij welriekend zijn gemaakt, vers 9 Zij zijn mirre en aloë en kassie, uit deze was de vreugdeolie samengesteld, waarmee Hij en zijn kleren gezalfd waren-dit waren enige van de bestanddelen van de heilige zalfolie door God verordineerd, en die voor geen gewoon gebruik vervaardigd of aangewend mocht worden, Exodus 30:23-24, 32, - hetgeen de zalving des Geestes afschaduwde, die Christus, de grote hogepriester van onze belijdenis ontvangen heeft, en naar welke hier dus verwezen schijnt te worden. Het is de geur van deze zalven, Zijn genade en Zijn vertroostingen, die de zielen tot Hem trekt, Hooglied 1:3, 4, en Hem de gelovigen dierbaar maakt; 1 Petrus 2:7
2. Zijn koninklijke paleizen worden gezegd van ivoor te zijn, die toen voor de prachtigste gehouden werden. Wij lezen van een ivoren huis, dat Achab gebouwd had, 1 Koningen 22:39 De woningen des lichts hierboven zijn de ivoren paleizen, vanwaar al de blijdschap en al de genietingen, beide van Christus en van de gelovigen komen, want daardoor wordt Hij verblijd en al de Zijnen met Hem, want zij zullen ingaan in de vreugde huns Heren.
3. De staatsdochteren aan Zijn hof zijn schitterend van schoonheid. Bij feestelijke gelegenheden aan het hof wordt de pracht en glans ervan door niets zo verhoogd of in het licht gesteld, als door de schoonheid en sierlijkheid van de staatsjonkvrouwen, waarop hier gezinspeeld schijnt te worden, vers 10
A. Bijzondere gelovigen worden hier vergeleken bij staatsjonkvrouwen, rijk gekleed ter ere van de soeverein; dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren, wier houding en voorkomen en versierselen wij, te oordelen naar haar hoge afkomst, kunnen veronderstellen alle anderen te overtreffen. Alle ware gelovigen zijn van boven geboren, zij zijn de kinderen van de Koning van de koningen; deze komen dagelijks met hun gebeden en lofzeggingen tot de troon van de Heere Jezus, hetgeen in werkelijkheid hun eer is, maar het behaagt Hem het als zijn eer te beschouwen. Dat dochters van koningen onder Zijn kostelijke staatsdochteren geteld worden, geeft te kennen dat de koningen, wier dochters zij waren, Zijn schatplichtigen zijn, van Hem afhankelijk zijn en dat zij het dus voor hun dochters een eer achten om Hem te mogen dienen.
B. De kerk in het algemeen bestaande uit deze bijzondere gelovigen, wordt hier vergeleken bij de koningin zelf, die Hij zich door een eeuwig verbond ondertrouwd heeft; zij staat aan Zijn rechterhand, dicht bij Hem, en ontvangt eer van Hem, in het rijkste gewaad, het fijnste goud van Ofir, in kleren, geweven van gouddraad, of met een gouden keten, en andere sieraden van goud. Dit is "de bruid, de vrouw van het Lam," wier genadegaven, welke haar versierselen zijn, vergeleken worden bij "fijn lijnwaad, rein en blinkend," Openbaring 19:8, vanwege de zuiverheid, "en hier bij goud van Ofir" om haar kostelijkheid; want gelijk onze verlossing zo zijn wij ook onze versiering niet verschuldigd aan vergankelijke dingen, maar aan het dierbaar bloed van de Zone Gods.