Hooglied 2:1-2
1. Het behaagt Christus zich met iets te vergelijken, en zie hier wat het is. Hij is zeer nederbuigend in deze vergelijking, Hij, die de Zoon is van de Allerhoogste, de schitterende morgenster, noemt zich de roos van Saron, en de lelie van de dalen, om Zijn tegenwoordigheid bij Zijn volk in de wereld te kennen te geven, het gemakkelijke van hun toegang tot Hem, en de schoonheid en lieflijkheid die zij in Hem vinden, en, om hen te leren zich met Hem te versieren, zoals herders en herderinnen zich versierden met rozen en lelies en guirlandes van bloemen. Voor schoonheid en geur is de roos de voornaamste bloem, en onze Heiland geeft de voorkeur aan het bekleed zijn van de lelie boven dat van Salomo in al zijn heerlijkheid. Christus is de roos van Saron, waar waarschijnlijk de schoonste rozen groeiden, en in de grootste overvloed, de roos van het veld, zo lezen het sommigen, aanduidende dat de evangeliezaligheid de algemene zaligheid is, zij is open en toegankelijk voor allen, wie wil kan komen en de rozenknoppen van de voorrechten en vertroostingen plukken, die in het verbond van de genade groeien, Hij is niet een roos, die in een hof is opgesloten, allen mogen komen om voordeel van Hem te ontvangen en vertroosting te hebben in Hem. Hij is een lelie door witheid, een lelie van de dalen door lieflijkheid, want die, welke wij zo noemen, ademen een zeer sterke geur uit. Hij is een lelie van de dalen, of van de lage plaatsen, in Zijn vernedering blootgesteld aan belediging, nederige zielen zien de meeste schoonheid in Hem, wat Hij ook moge wezen voor anderen, voor hen, die in de dalen zijn, is Hij een lelie. Hij is de roos, de lelie, er is niemand buiten Hem, welke voortreffelijkheid er is in Christus, zij is in Hem geheel bijzonder, geheel enig en in de hoogste mate.
2. Wat het is waarmee Hij Zijn kerk vergelijkt.
A. Zij is gelijk een lelie. Hij zelf is de lelie, vers 1, zij is gelijk de lelie, de schoonheid van de gelovigen bestaat in hun gelijkvormigheid met Christus, zij zijn Zijn beminden, en aldus zijn zij Zijn lelies, want diegenen zijn Christus gelijkvormig gemaakt, in wier hart Zijn liefde is uitgestort.
B. Gelijk een lelie onder de doornen, gelijk een lelie, vergeleken met doornen, de kerk van Christus overtreft zo ver alle andere verenigingen van mensen, als een bed van rozen een doornstruik overtreft, gelijk een lelie, omringd door doornen. De goddelozen, de dochters van deze wereld, die geen liefde hebben voor Christus, zijn als doornen, waardeloos en nutteloos, goed voor niets anders dan om een opening toe te stoppen, ja zij zijn schadelijk, zij zijn in de wereld gekomen met de zonde, en zijn een vrucht van de vloek, zij verstikken het goede zaad en zijn een beletsel voor goede vrucht, en hun einde is verbrand te worden. Gods volk zijn gelijk lelies onder hen, gekrabd en gescheurd, in de schaduw gesteld en verduisterd door hen, zij zijn dierbaar aan Christus en toch blootgesteld aan verdrukking en benauwdheid in de wereld, zij moeten dit verwachten, want zij zijn geplant onder doornen, Ezechiël 2:6, maar desniettemin zijn zij Hem dierbaar, Hij onderschat geen van Zijn lelies, ziet er geen van voorbij omdat zij onder doornen zijn. Als zij onder doornen zijn, dan moeten zij toch gelijk lelies wezen, zij moeten hun onschuld bewaren en hun reinheid, en hoewel zij onder doornen zijn, moeten zij toch niet in doornen worden veranderd, moeten zij niet schelden met schelden vergelden, en indien zij aldus hun hoedanigheid in stand houden, dan zullen zij erkend worden gelijkvormig aan Christus te zijn. Genade in de ziel is een lelie onder de doornen, verdorvenheden zijn doornen in het vlees, 2 Corinthiers 12:7, zij zijn als Kanaänieten voor Gods Israël, Jozua 23:13 maar de lelie, die nu onder de doornen is, zal weldra overgeplant worden uit de woestijn in dat paradijs, waar geen smartende doorn hen zal kwellen, Ezechiël 28:24.