1 Corinthiërs 4:1-6
I. De apostel maakt hier aanspraak op den hem verschuldigden eerbied op grond van zijn ambt en zijn dienst, waarin velen totnogtoe tekort geschoten waren. Alzo houde ons een ieder mens als dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods, vers 1. Ofschoon mogelijk anderen hem overschat hebben door hem het hoofd hunner partij te maken en zich zijne discipelen te noemen. In onze waardering van dienaren, zowel als van alle andere dingen, moeten wij toezien uitersten te vermijden.
1. De apostelen zelf mochten niet overschat worden, want zij waren dienaren, geen meesters, knechten, geen heren. Zij waren dienaren van Christus, meer niet, ofschoon zij dienaren van den hoogsten rang waren, die de zorg voor Zijne huishouding hadden, om den anderen voedsel te geven en hun arbeid aan te wijzen en te regelen. Merk op: Het is zeer groot misbruik van hun macht maken en zeer misdadig in gewone dienaren, wanneer zij over hun mededienstknechten den baas spelen en aanspraak maken op gezag over hun geloof en wandel. Want zelfs de apostelen waren slechts dienaren van Christus, in Zijn werk gebruikt, met Zijn boodschap uitgezonden, en uitdelers der verborgenheden Gods, of van die waarheden, welke in vorige tijden en geslachten verborgen geweest waren. Zij hadden geen bevoegdheid om hun eigen mening te verkondigen, maar alleen het Christelijk geloof te verbreiden.
2. De apostelen mogen niet onderschat worden, want, ofschoon zij dienaren waren, ze waren dienaren van Christus. De staat en de waardigheid van hun Meester bekleedde hen met ere. Ofschoon zij slechts knechten zijn, ze zijn geen knechten voor de gewone wereldlijke dingen, maar voor goddelijke verborgenheden. Zij hadden een grootse roeping en derhalve een eervolle bediening. Zij waren rentmeesters in Gods huishouding, voorname rentmeesters in Zijn koninkrijk van genade. Zij wensten geen meesters te zijn, maar zij verdienden eerbied en achting in dezen eervollen dienst. Voornamelijk:
II. Wanneer zij daarin hun plicht deden en zich getrouw betoonden. Voorts wordt in de uitdelers vereist dat elk getrouw bevonden worde, vers 2, vertrouwenswaard. De uitdelers in Christus' huishouding moeten voorschrijven wat Hij voorgeschreven heeft. Zij mogen niet hun mededienaren aan `t werk zetten voor hen zelven. Zij mogen niets van hen verkrijgen zonder huns Meesters volmacht. Zij mogen hen niet voeden met het kaf van hun eigen uitvindingen, in plaats van met het gezonde brood der Christelijke leer en waarheid. Zij moeten onderwijzen wat Hij bevolen heeft en niet de leringen en bevelen van mensen. Zij moeten getrouw zijn in het belang van hun Heere en ten dienste van Zijne eer. Merk op: Het moet de hartelijke en aanhoudende begeerte der dienaren van Christus zijn zich vertrouwenswaard te tonen, en wanneer zij de getuigenis van een goed geweten en de goedkeuring van hun Meester hebben, moeten ze weinig hechten aan de beoordeling van hun mededienaren. Doch mij is voor het minste dat ik van ulieden geoordeeld worde of van een menselijk oordeel, zegt de apostel, vers 3. Inderdaad een goede getuigenis en de achting der mensen zijn een goede stap in de richting van nuttigheid in den dienst, en Paulus gehele bewijsvoering in deze zaak doet zien dat hij zeer veel zorg droeg voor zijn eigen goeden naam. Maar indien hij het voornamelijk er op toelegde om mensen te behagen, zou hij met moeite kunnen tonen dat hij een getrouw dienstknecht van Christus was, Galaten 1:10. Hij die een getrouw dienstknecht van Christus wil zijn, moet om Zijnentwil de beoordelingen der mensen verachten. Hij moet daarop neerzien als op iets zeer gerings-indien zijn Heere hem goedkeurt-hoe ook de mensen over hem oordelen. Zij mogen zeer laag of zeer hard oordelen, terwijl hij zijn plicht doet, maar hij staat of valt niet door hun oordeel. En het is voor getrouwe dienaren gelukkig dat zij een rechtvaardiger en bevoegder rechter hebben dan hun mededienaren, een die medelijden hebben kan met hun zwakheden, ofschoon hij er zelf gene heeft. Het is beter te vallen in de handen van God dan in die der mensen, 2 Samuël 24:14. De besten der mensen zijn slechts al te zeer geneigd om ras, hard en onrechtvaardig te oordelen, maar Zijn oordeel is altijd overeenkomstig de waarheid. Het is een troost, dat niet mensen onze eindrechters zijn. Zelfs moeten wij ons zelven niet oordelen. Ja ik oordeel ook mij zelven niet: want ik ben mij zelven van geen ding bewust, ik kan mij zelven niet van ongetrouwheid beschuldigen, doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd, dat zal mij niet vrijspreken, maar die mij oordeelt is de Heere. Zijn oordeel is mij alles-afdoend. In Zijne uitspraak moet ik berusten. Hij zal mij bevinden en oordelen gelijk ik ben. Merk op: Niet doordien we ons zelven goed beoordelen en ons zelven rechtvaardigen, zullen we veilig en gelukkig zijn. Dat zal alleen zijn door de aanneming en goedkeuring van onzen vrijmachtigen Rechter. Niet die zich zelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd, 2 Corinthiërs 10:18.
III. De apostel neemt hieruit aanleiding om de Corinthiërs te waarschuwen tegen bedilzucht: het voorbarig en gestreng oordelen van anderen. Zo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, vers 5. Dat is een oordeel ontijdig en op goed geluk. Hier is geen sprake van een oordeel door bevoegde personen, binnen den kring hunner bediening, ook niet van ambteloos oordeel over feiten, die bewezen zijn, maar van een oordeel over den toekomstigen staat van enig mens, of over de geheime bronnen en beginselen zijner daden, of over handelingen, die op zich zelve twijfelachtig zijn. In zulke gevallen te oordelen en beslist uitspraak te doen, is niet anders dan God Zijn zetel te betwisten en aanspraak maken op Zijn voorrang. Merk op: De voorbarige en strenge oordelaar is een stout zondaar. Zijn vonnissen zijn volkomen ontijdig en aanmatigend. Een is er echter, die dezen oordelaar zal oordelen zowel als hen die door hem veroordeeld werden, en die dat doen zal zonder vooroordeel, hartstocht of partijdigheid. En er naakt een tijd, wanneer de mensen niet meer zullen mistasten in hun oordeel over zich zelven en over anderen, omdat ze Zijn oordeel zullen moeten volgen. Dit behoorde hen nu bevreesd te maken om anderen te oordelen en zorgvuldig in het oordeel over zich zelven. Er komt een tijd, waarin de Heere in het licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is en openbaren de raadslagen der harten, de werken der duisternis, die in het geheim gepleegd worden, en al de geheime neigingen, voornemens en raadslagen, die in de harten verborgen zijn. Merk op: Er komt een dag, die de duisternis zal onthullen, de diepten zal openleggen, de geheime zonden der mensen aan het licht brengen en de gedachten hunner harten openbaren. De dag zal het verklaren. De Rechter zal al deze dingen aan het licht brengen. De Heere Jezus Christus zal de gedachten van het hart, van alle harten, blootleggen. De Heere Jezus Christus moet kennis dragen van de raadslagen des harten, anders zou Hij ze niet kunnen openbaren. Dit is een goddelijk voorrecht, Jeremia 17:10, en juist dit kent onze Zaligmaker zich zelven op zeer bijzondere wijze toe. Al de gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, die nieren en harten onderzoek, en Ik zal ulieden geven een iegelijk naar zijne werken, Openbaring 2:23. We behoren zeer angstvallig te zijn in het veroordelen van anderen, want we hebben te doen met een Rechter, voor wie wij ons niet verbergen kunnen. Anderen liggen niet bloot voor onze waarneming, maar wij wel voor de Zijne, en wanneer Hij zal gekomen zijn om te richten, zal een iegelijk lof hebben van God. Een iegelijk, dat is: ieder die het verdient, ieder die welgedaan heeft. Ofschoon geen van Gods kinderen iets bij Hem verdienen kan, ofschoon er zelfs in hun beste werken veel laakbaars is, toch zal hun getrouwheid door Hem opgemerkt en bekroond worden. Indien ze veroordeeld en veracht zijn door hun mededienstknechten, Hij zal al die onrechtvaardige verwijten en veroordelingen verdrijven en hen doen zien in hun eigen beminnelijk licht. Christenen behoren dus onder onrechtvaardige beoordelingen geduldig te zijn, want zij weten dat deze dag komende is, vooral wanneer zij in hun geweten het getuigenis van hun onschuld hebben. Maar hoe vreeslijk zal het lot zijn van hen, die anderen veroordeeld hebben, wanneer hun gemeenschappelijke Rechter dan zal prijzen degenen, die zij veroordeeld hebben!
IV. De apostel deelt ons hier de reden mede, waarom hij zijn eigen naam en dien van Apollos hier in gesprek gebracht heeft. Hij heeft dat gedaan bij gelijkenis, en om hunnentwil. Liever verkoos hij zijn eigen naam en dien van een getrouwen medearbeider te gebruiken, dan de namen van enige partijhoofden onder hen, om daardoor tegenstand te voorkomen en zijn raad des te beter ingang te doen vinden. Dienaren behoren voorzichtig te zijn in hun raadgevingen en bestraffingen, vooral in de laatste, teneinde hun invloed niet te verliezen. Het doel van den apostel met deze handelwijze was hen te vermanen dat ze aan hem mochten leren niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, (boven hetgeen hij geschreven had) en niet, de een om eens anders wil, opgeblazen te worden tegen den anderen, vers 6. Apostelen moesten bij Gods akkerwerk niet anders beschouwd worden dan als planters en natmakers, in zijn bouwwerk alleen als bouwmeesters, bij Zijn geheimenissen enkel als uitdelers, en dienaren van Christus. En gewone dienaren kunnen deze betrekkingen niet vervullen op dezelfde wijze als de apostelen dat deden. Wij moeten zeer voorzichtig zijn om de eer en het gezag van den Meester niet aan Zijn dienstknechten toe te kennen. Wij mogen niemand Meester noemen op aarde, want een is onze Meester, namelijk Christus, Mattheus 23:10. Wij mogen over hen niet denken boven hetgeen geschreven is. Het Woord Gods is de beste maatstaf voor de beoordeling van mensen. En bovendien: rechtvaardig oordelen over mensen en hen niet hoger stellen dan oorbaar is, is een middel om twisten en scheuringen in de gemeenten te voorkomen. Gewoonlijk is hoogmoed de grondslag van deze twisten. Zelfverheffing draagt zeer veel bij tot onmatige achting van onze leraren, zowel als van ons zelven. Onze aanbeveling van eigen smaak en oordeel gaat gewoonlijk gepaard met onze onmatige toejuiching, en altijd met scheur makend aanhangen van den enen leraar, in tegenstelling van anderen, die even wettig en getrouw zijn. Maar bescheiden over ons zelven te denken en niet boven hetgeen geschreven is over onze leraars, is het beste middel om in de kerk twisten. verdeeldheden, scheuringen en partijen te voorkomen. Wij zullen nooit tegen elkaar opgeblazen worden, zolang wij in het oog houden, dat zij allen werktuigen zijn, door God gebruikt in Zijn akkerwerk en bouwwerk, en door Hem met verscheidene gaven en talenten begiftigd.