Johannes 1:15-18
In deze verzen:
I. Begint de evangelist ons wederom het getuigenis te geven van Johannes de Doper omtrent Christus, vers 15. Hij had gezegd, in vers 8, dat hij gekomen was om te getuigen, hier zegt hij ons, dat hij dienvolgens dan ook getuigd heeft. Merk hier op:
1. Hoe hij zijn getuigenis heeft uitgedrukt. Hij heeft geroepen, overeenkomstig de voorzegging, dat hij de stem des roependen zou zijn. De Oud-Testamentische profeten hebben luid geroepen, om den mensen hun zonden te tonen, deze Nieuw-Testamentische profeet heeft luide geroepen, om den mensen hun Zaligmaker te tonen. Dit geeft te kennen:
a. Dat het een openlijk getuigenis was, uit geroepen en afgekondigd opdat allerlei mensen er kennis van zouden nemen, want allen hadden er belang bij. Valse leraren verleiden in het geheim, maar de Wijsheid verheft hare stem op de spits der hoge plaatsen aan den weg.
b. Dat hij dit getuigenis vrij en van harte heeft gegeven. Hij heeft geroepen, als iemand, die wel verzekerd was van de waarheid, waarvan hij getuigde, en die waarheid ook wel genegen was. Hij. die op Christus' nadering in moeders lijf opsprong van vreugde, heeft nu met een zelfde juichen des geestes Zijn openbare verschijning welkom geheten.
2. Wat hij getuigde. Hij beroept zich op hetgeen hij gezegd heeft bij den aanvang zijner bediening, toen hij hun zei Enen te verwachten, die na hem zou komen, wiens voorloper hij was, nooit iets anders gewild of bedoeld hebbende dan Hem den weg te bereiden. Dat had hij hun van den beginne te verstaan gegeven. Het is voor een Evangeliedienaar zeer troostrijk het getuigenis van zijn geweten te hebben, dat hij zijn dienstwerk met goede beginselen en oprechte bedoelingen heeft aangevangen, alleen het oog hebbende op de eer en heerlijkheid van Christus. Wat hij toen gezegd heeft, past hij nu toe op dezen Jezus, dien hij onlangs gedoopt had, en die toen op zo merkwaardige wijze door den hemel erkend is geworden: Deze was het, van welken ik zei. Johannes heeft hun niet gezegd dat zodanig iemand binnen kort onder hen zou verschijnen, om het daarna aan hen over te laten om Hem te ontdekken, maar hierin is hij verder gegaan dan alle Oud-Testamentische profeten, dat hij den Persoon zeer bijzonder aanduidde: "Deze was het, dezelfde van wie ik u gesproken heb, en op Hem is alles wat ik gezegd heb van toepassing." Wat nu was het, dat hij gezegd heeft?
a. Hij had aan dezen Jezus den voorrang toegekend: "Die na mij komt, in den tijd Zijner geboorte en openbare verschijning, heeft den voorrang boven mij, Hij, die mij opvolgt, om te prediken en discipelen te vormen, is een uitnemender Persoon, en dat wel in alle opzichten, gelijk de vorst, die door herauten wordt voorafgegaan, hoger staat dan deze herauten. Jezus Christus, die de Zoon des Allerhoogsten genoemd zou worden, Lukas 1:32, had den voorrang boven Johannes de Doper, die slechts een profeet des Allerhoogsten genoemd zou worden, Lukas 1:76. Johannes was een dienaar des Nieuwen Testaments, maar Christus was de Middelaar des Nieuwen Testaments. En hoewel Johannes een groot man was, een groten naam en een groten invloed had, was hij toch volvaardig om de voorkeur en voorrang te geven aan wie dit toekwam. Alle dienstknechten van Christus moeten Hem en Zijne belangen stellen boven hen zelven en hun eigen belangen. Diegenen zullen een slechte verantwoording doen, die het hun zoeken, niet hetgeen van Christus Jezus is, Filippenzen 2:21. Hij komt na mij, en heeft toch den voorrang boven mij. God deelt Zijne gaven uit naar Zijn welbehagen, en meermalen stelt Hij, evenals Jakob, den jongere boven den oudere. Paulus heeft hen, die voor hem in Christus geweest zijn, zeer ver overtroffen.
b. Hij gaf er een goede reden voor. Hij was eer dan ik, prootos mou hên -Hij was mijn eerste, Hij was mijn eerste Oorzaak, mijn Oorsprong. De Eerste is een van Gods namen, Jesaja 44:6. Hij is voor mij, is mijn Eerste. Ten opzichte van ouderdom: Hij was voor mij, want Hij was voor Abraham, Hoofdstuk 8:58. Ja Hij was voor alle dingen, Colossenzen 1:17. Ik ben slechts van gisteren. Hij is van eeuwigheid. Het was slechts in die dagen, dat Johannes kwam, Mattheus 3:1, maar de uitgangen van onzen Heere Jezus zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid, Micha 5:1. Dat bewijst de twee naturen in Christus. Als mens is Christus na Johannes gekomen ten opzichte van Z n openbare verschijning, als God was Christus voor hem, en hoe zou Hij anders dan door een eeuwig bestaan voor hem kunnen wezen? Ten opzichte van meerderheid, want Hij was mijn Prins, zo worden sommige vorsten de eerste genoemd, prooton. " Hij is het, om wiens wil en tot wiens dienst ik gezonden ben: Hij is mijn Meester, ik ben Zijn dienstknecht en bode".
II. En nu keert hij zich weer tot het spreken van Jezus Christus, hij kan niet voortgaan met het getuigenis van Johannes de Doper voor vers 19. Het 16 de vers staat blijkbaar in verband met vers 14, waar van het Woord, dat vlees is geworden, wordt gezegd, dat Hij vol was van genade en waarheid. Nu maakt hij dit hier niet slechts tot een reden van aanbidding, maar ook van dankbaarheid, want, uit deze Zijne volheid hebben wij allen ontvangen. Hij heeft gaven genomen voor mensen, Psalm 68:9, om ze aan mensen te geven, Efeze 4:8. Hij was vervuld, opdat Hij alles in allen zou vervullen, Efeze 1:23, opdat Hij onze schatkamers zou vervullen, Spreuken 8:21. Hij heeft ene fontein, overvloeiende van volheid: allen hebben wij ontvangen. " Wij allen, apostelen," lezen sommigen dit. Wij hebben de gunst van dit apostelschap ontvangen, dat is genade, en de geschiktheid er voor, dat is waarheid. Of liever: Allen wij, gelovigen, zo velen als Hem aangenomen hebben, hebben van Hem ontvangen, vers 16. Alle ware gelovigen ontvangen uit Christus, volheid, de beste en grootste heiligen kunnen zonder Hem niet leven, de geringsten en zwaksten kunnen leven door Hem. Hierdoor wordt het hoogmoedig roemen uitgesloten, dat wij niets hebben, dat wij niet hebben ontvangen, en wordt verbijsterende vrees tot zwijgen gebracht, dat wij niets nodig hebben, of wij kunnen het ontvangen. Laat ons zien wat het is, dat wij hebben ontvangen.
1. Wij hebben ontvangen genade voor genade. Al wat wij van Christus ontvangen ligt opgesloten in dat ene woord genade, wij hebben kai charis -ook genade, zo groot ene gave, zo rijk, zo onwaardeerbaar, niet minder hebben wij ontvangen dan genade, dit is ene gave, waarvan met nadruk gesproken moet worden. Het wordt herhaald, genade voor genade, want voor elke steen van dit gebouw, zowel als voor den hoofdsteen, moeten wij roepen: Genade, genade. Merk op:
a. Den ontvangen zegen. Het is genade, Gods goede wil over ons, en het goede werk in ons. Gods goede wil werkt het goede werk, en dan maakt het goede werk ons bekwaam voor verdere tekenen van Zijn goeden wil. Gelijk de uitgehouwen bak water ontvangt uit de volheid der bron, de takken sappen ontvangen uit de volheid van den wortel, en de lucht licht uit de volheid der zon, zo ontvangen wij genade uit de volheid van Christus.
b. De wijze waarop zij ontvangen wordt: Genade voor genade -charis anti charitos. De zinsnede is ietwat vreemd, en er zijn verschillende uitleggingen aan gegeven, welke allen nuttig en dienstig zijn om den onnaspeurlijken rijkdom der genade van Christus in het licht te stellen. Genade voor genade duidt het vrije aan van deze genade. Het is genade om den wille der genade, genade uit genade (aldus Hugo de Groot). Wij ontvangen genade, niet om onzentwil, (dit zij ons bekend) maar alzo, o Vader, is geweest het welbehagen voor U. Het is ene gave, naar de genade, Romeinen 1 2:6. Het is genade aan ons, om den wille van de genade aan Jezus Christus. God had een welbehagen in Hem, en aldus heeft Hij door Hem een welbehagen in ons, Efeze 1:6. De volheid van deze genade. Genade voor genade is overvloed van genade, (aldus Camero) de ene genade gehoopt op de andere, zoals huid voor huid is huid na huid, al wat iemand heeft, Job 2:4. Het is een zegen uitgestort, zodat er geen plaats is om hem te ontvangen, veel verlossing, de ene genade is een onderpand van een andere genade. Jozef: Hij zal toevoegen. Het is zulk ene volheid, als die genoemd wordt de volheid Gods, waarmee wij vervuld zijn. Wij zijn niet nauw in de genade van Christus, als wij niet nauw zijn in onze ingewanden. Het nut dezer genade. Genade voor genade is genade om genade te bevorderen. Genade om door ons zelven te worden beoefend, Godvruchtige gewoonten voor Godvruchtige daden. Genade om tegenover anderen te worden beoefend in den dagelijksen omgang, genade is een talent, waarmee handel gedreven moet worden. De apostelen ontvingen genade, Romeinen 1:5, Efeze 3:8, ten einde haar aan anderen te bedienen, 1 Petrus 4:10. De genade des Nieuwen Testaments in de plaats gesteld van die van het Oude Testament (aldus Beza). En deze zin of betekenis wordt bevestigd door hetgeen volgt, vers 17, want het Oude Testament had genade in type, of afschaduwing, het Nieuwe Testament heeft genade in waarheid. Er was ene genade onder het Oude Testament, het Evangelie werd toen verkondigd, Galaten 3:8, maar die genade is vervangen door de Evangelie-genade, een "uitnemende heerlijkheid," 2 Corinthiërs 3:10. De ontdekkingen der genade zijn thans helderder, de uitdelingen der genade overvloediger. Het geeft de vermeerdering en de voortduring te kennen der genade. Genade voor genade is de bevestiging en volmaking van de ene genade door de andere. Wij worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, van den enen trap van heerlijke genade naar een anderen, 2 Corinthiërs 3:18. Zij, die ware genade hebben, hebben haar voor meerdere genade, Jakobus 4:6. Als God genade geeft, dan zegt Hij: ontvang dit als begin, in afkorting, als het ware, want die het beloofd heeft, zal het volbrengen. Het betekent de gelijkvormigheid der genade in de heiligen aan de genade, die in Christus Jezus is (aldus Ds. Clark). Genade voor genade is genade in ons, beantwoordende aan genade in Hem, gelijk de indruk op het was beantwoordt aan het zegel. De genade, die wij van Christus ontvangen, doet ons naar hetzelfde beeld in gedaante veranderen, 2 Corinthiërs 3:18, het beeld Zijns Zoons, Romeinen 8:29, het beeld des hemelsen, 1 Corinthiërs 15:49.
2. Wij hebben ontvangen genade en waarheid, vers 17. In vers 14 had hij gezegd, dat Christus was vol van genade en waarheid, hier zegt hij, dat door Hem genade en waarheid tot ons zijn gekomen. Van Christus ontvangen wij genade, dat is ene snaar, die hij voortdurend tokkelt, hij kan er niet van aflaten. Betreffende deze genade wijst hij in dit vers nog op twee dingen:
a. Dat zij veel hoger staat en veel voortreffelijker is dan de wet van Mozes: de wet is door Mozes gegeven, en zij was een heerlijke ontdekking, zowel van Gods wil betreffende den mens, als van Zijn goeden wil jegens den mens, maar het Evangelie van Christus is een veel duidelijker openbaring of aantoning beide van onzen plicht en van ons geluk. Hetgeen door Mozes was gegeven, was dreigend en schrikwekkend, verbonden met strafbepalingen, ene wet, die geen leven kon geven, en gegeven was met allerlei verschrikking, Hebreeën 12:18, maar wat door Jezus Christus is gegeven, is van gans anderen aard, het heeft al de weldadige nuttigheid der wet, maar niet de verschrikking, want het is genade, zaligmakende genade, Titus 2:11, heersende genade, Romeinen 5:21. Het is ene wet, maar een heilzame wet. Het Evangelie wordt gekenmerkt door tederheid en liefde, niet door den vloek en de verschrikkingen der wet.
b. Dat zij in verband staat met waarheid: genade en waarheid. In het Evangelie hebben wij de ontdekking van de grootste waarheden, die aangenomen moeten worden door het verstand, zowel als van de rijkste genade, die aangenomen moet worden door den wil en de genegenheden. Het is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat is: het is genade en waarheid. De aanbiedingen der genade zijn oprecht, wij kunnen er gerust op vertrouwen: zij zijn gedaan in ernst, want het is genade en waarheid. Het is genade en waarheid met betrekking tot de wet, door Mozes gegeven. Want het is de vervulling van al de Oud-Testamentische beloften. In het Oude Testament vinden wij dikwijls goedertierenheid en waarheid saamgevoegd, dat is: goedertierenheid overeenkomstig de belofte, en zo wordt ook hier door genade en waarheid genade overeenkomstig de belofte aangeduid, zie Lukas 1:72 en 1 Koningen 8:56. Het is de substantie, het wezen, van alle Oud- Testamentische typen en schaduwen. Er was genade zowel in de inzettingen voor Israël verordineerd, als in de leidingen van Gods voorzienigheid betreffende Israël, maar het was slechts ene afschaduwing van het goede, dat komen zou, nl. van de genade, die ons toegebracht zou worden door de openbaring van Jezus Christus. Hij is het ware Paaslam, de ware zondebok, het ware manna. Zij hadden genade in het beeld, de voorstelling wij hebben genade in den Persoon, dat is genade en waarheid. Genade en waarheid is geworden, egeneto, is gemaakt, hetzelfde woord dat in vers 3 gebruikt is, waar van Christus gezegd wordt, dat Hij alle dingen gemaakt heeft. De wet is bekend gemaakt door Mozes, maar het wezen van deze genade en waarheid, evenals de ontdekking er van, zijn wij aan Jezus Christus verschuldigd, zij was door Hem gemaakt, zoals de wereld in den beginne door Hem gemaakt was, en het is door Hem, dat deze genade en waarheid bestaan.
3. Door Christus ontvangen wij nog een andere zaak, n.l. een heldere openbaring van God, vers 18. Hij heeft ons God verklaard, God, dien niemand ooit gezien heeft. Dat was de genade en waarheid, die door Christus is geworden, de kennis van God en het bekend zijn met Hem. Merk op:
a. De ongenoegzaamheid van alle andere ontdekkingen: Niemand heeft ooit God gezien. Dit geeft te kennen, dat God, geestelijk zijnde, onzichtbaar is voor onze lichamelijke ogen, Hij is een Wezen, dat geen mens gezien heeft, noch zien kan, 1 Timotheus 6, 16. Daarom is het ons nodig te leven door het geloof, door hetwelk wij den Onzienlijke zien, Hebreeën 11:27. Dat de openbaring van God in het Oude Testament in vergelijking met de openbaring van Hem door Christus, zeer kort en onvolkomen was. Niemand heeft ooit God gezien, dat is: hetgeen voor de menswording van Christus van God gezien en bekend was, is als niets, vergeleken bij hetgeen thans van Hem gezien en bekend is. Het leven en de onsterflijkheid zijn thans in veel helderder licht gesteld dan toen. Dat geen der Oud-Testamentische profeten zo bevoegd en bekwaam was om den wil en de bedoeling van God aan de kinderen der mensen kenbaar te maken, als onze Heere Jezus, want geen hunner heeft ooit God gezien. Mozes heeft de gelijkenis des Heeren aanschouwd. Numeri 12:8. maar hem werd gezegd, dat hij Zijn aangezicht niet zou kunnen zien, Exodus 33:20. Maar Christus' heilige Godsdienst beveelt zich hierdoor bij ons aan, dat hij gesticht werd door Enen, die God gezien heeft, en meer van Zijn wil wist dan ooit iemand anders.
b. De algenoegzaamheid der Evangelie-ontdekking bewezen door haren Ontdekker. De eniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard. Merk hier op: Hoe geschikt Hij was, om deze ontdekking te doen. en hoe Hij er in ieder opzicht bevoegd toe was. Hij, en Hij alleen was waardig het boek te nemen, en zijne zegelen te openen, Openbaring 5:9. Want: Ten eerste. Hij is de eniggeboren Zoon, en wie zou den Vader zo goed kunnen kennen als de Zoon? of in wie wordt de Vader beter gekend dan in den Zoon? Mattheus 11:27. Hij is met den Vader van dezelfde natuur, zodat, wie Hem gezien heeft, den Vader heeft gezien, Hoofdstuk 14:9. De dienstknecht weet niet zo goed wat zijn heer doet, als de zoon het weet, Hoofdstuk 15:15. Mozes is getrouw geweest als een dienaar, maar Christus als Zoon. Ten tweede. Hij is in den schoot des Vaders. Hij was dáár van eeuwigheid. Toen Hij hier op aarde was. is Hij toch, als God, in den schoot des Vaders geweest, en derwaarts is Hij wedergekeerd, toen Hij ten hemel is gevaren. In den schoot des Vaders, dat is: in den schoot Zijner bijzondere liefde, Hem dierbaar, in Hem had Hij een welbehagen, Hij was steeds Zijne verlustiging. Alle Gods heiligen zijn in Zijne hand, maar Zijn Zoon was in Zijn schoot, een in aard en wezen, en daarom in de hoogste mate een in liefde. 2. In den schoot van Zijn verborgen raad. Gelijk er een wederzijds welbehagen was, zo was er ook een wederzijdse bewustheid tussen Vader en Zoon, een wederzijds kennen, Mattheus 11:27. Niemand was zo geschikt als Hij om God bekend te maken, want niemand kende zo goed Zijn wil en bedoelingen. Van onze verborgenste raadslagen wordt gezegd, dat wij ze in onzen boezem houden (in pectore), Christus was bekend met den verborgen raad Zijns Vaders. De profeten zaten als leerlingen aan Zijne voeten, Christus lag aan Zijn boezem, als een vriend, Efeze 3:11. Hoe vrij Hij was in deze ontdekking: Hij heeft verklaard. Het woord Hem staat niet in den oorspronkelijken tekst. Hij heeft datgene van God verklaard, dat geen mens ooit gezien of geweten heeft, niet slechts hetgeen verborgen was van God, maar hetgeen verborgen was in God, Efeze 3:9, exegêsato -het betekent een duidelijke, heldere en volledige ontdekking, niet door algemene of duistere wenken, maar door bijzondere uitleggingen, zodat de wil van God en de weg der zaligheid thans voor iedereen duidelijk is gemaakt, door iedereen gemakkelijk begrepen kan worden. Dat is de genade, dat is de waarheid, die door Jezus Christus is geworden.