Lukas 19:11-27
Onze Heere Jezus is nu op weg naar Jeruzalem, om er Zijn laatste pascha te vieren, toen Hij moest lijden en sterven. Nu wordt ons hier gezegd:
I. Hoe de verwachtingen Zijner vrienden bij deze gelegenheid hoger klommen. Zij meenden dat het koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden, vers 11. De Farizeeën verwachtten het omtrent dezen tijd, Hoofdstuk 17:20, en het schijnt dat ook Christus' discipelen het nu verwachtten, maar beiden koesterden hieromtrent dwaalbegrippen. De Farizeeën dachten dat het door den een of anderen wereldlijken vorst zou ingeleid worden. De discipelen dachten dat hun Meester het zou inleiden, maar met wereldlijke pracht en praal en macht, waarmee Hij zich, naar zij wisten, door de macht, die Hij bezat om wonderen te werken, zo Hem dit behaagde, spoedig kon bekleden. Jeruzalem, oordeelden zij, moet de zetel wezen van Zijn koninkrijk, en nu Hij daarheen op weg is, twijfelen zij er niet aan, of zij zullen er Hem weldra op den troon zien. Zelfs vrome mensen zijn onderhevig aan dwalingen betreffende Christus' koninkrijk, en om er zich verkeerde voorstellingen van te maken, en zij zijn licht geneigd te denken, dat hetgeen voor later is weggelegd onmiddellijk zal plaatshebben.
II. Hoe hun verwachting werd teleurgesteld, en de vergissingen, waarop die verwachting gegrond was, terecht werden gewezen. Hij doet dit in drie dingen:
1. Zij verwachtten dat Hij nu terstond in heerlijkheid zou verschijnen, maar Hij zegt hun dat het nog lang zal duren, eer Hij openlijk in Zijn koninkrijk bevestigd zal worden. Hij is als een zeker welgeboren man, want Hij is de Heere van den hemel, en heeft door Zijn geboorte recht op het koninkrijk, maar hij reisde in een ver gelegen land, om voor zich zelven een koninkrijk te ontvangen. Christus moet naar den hemel gaan, om daar neer te zitten aan de rechterhand des Vaders en van Hem eer en heerlijkheid te ontvangen, eer de Geest werd uitgestort, waardoor Zijn koninkrijk op aarde opgericht werd, en alvorens er voor Hem een kerk in de heidenwereld werd gevestigd. Hij moet het koninkrijk ontvangen en dan terugkeren. Christus is teruggekeerd, toen de Geest werd uitgestort, toen Jeruzalem werd verwoest, omstreeks welken tijd het geslacht, beide van vrienden en vijanden, waarmee Hij persoonlijk omgang heeft gehad, geheel door den dood was weggenomen, was heengegaan om rekenschap te geven. Maar Zijn voornaamste wederkomst, welke hier bedoeld is, is die, welke op den groten dag zal plaatshebben en welke wij nog te wachten zijn. Datgene, hetwelk zij dachten onmiddellijk te zullen verschijnen, zal, zegt Christus hun, niet verschijnen voordat deze zelfde Jezus, die in den hemel is opgenomen, alzo zal wederkomen, zie Handelingen 1:11.
2. Zij verwachtten dat Zijne apostelen en onmiddellijke volgelingen tot eer en waardigheid zouden bevorderd worden, dat zij allen tot prinsen en rijksgroten, raadsheren en rechters zouden gemaakt worden, met al de pracht en de voordelen van het hof en van de stad. Maar Christus zegt hun hier dat Hij, in plaats hiervan, hen bestemde om mannen van zaken te zijn, zij moeten geen andere bevordering in de wereld verwachten, dan die van de handelswijk der stad. Hij zal hun fondsen geven te beheren, om ze te gebruiken in Zijn dienst en voor de belangen van Zijn koninkrijk onder de mensen. Dat is de ware eer voor een Christen en voor een leraar, die, indien wij er waarlijk naar verlangen, ons instaat zal stellen om met heilige minachting op alle wereldse eer neer te zien. De apostelen hebben de eerzucht gekoesterd om aan Zijne rechter- en linkerhand te zitten in Zijn koninkrijk, rust genietende na hun tegenwoordig arbeiden en zwoegen, en eer na de minachting, waarmee zij thans beschouwd en behandeld werden, en de gedachte hieraan streelde hen. Maar Christus zegt hun hetgeen, zo zij het recht verstonden, hen vervullen zou van zorg, en bezorgdheid, en ernstige gedachten, in plaats van de eerzuchtige gedachten, waarvan thans hun hoofd was vervuld.
a. Zij hebben nu een groot werk te doen. Hun Meester verlaat hen, om Zijn koninkrijk te gaan ontvangen, en bij het scheiden geeft Hij hun ieder een pond, dat, volgens de kanttekening in onzen Bijbel zevenendertig gulden, vijftig cents bedraagt. Dit heeft dezelfde betekenis als de talenten in de gelijkenis, die met deze parallel is (Mattheus 25), al de gaven, waarmee de apostelen waren begiftigd, en de bekwaamheden, die zij hadden om Christus' belangen in de wereld te dienen, en anderen, leraren en Christenen, gelijk als zij, doch in mindere mate. Maar wellicht is de gelijkenis, aldus voorgesteld, bestemd om hen nederiger te maken, hun eer in deze wereld is slechts die van kooplieden, en wel kooplieden, niet van de voornaamste soort, die met grote kapitalen handel drijven, maar arme handelaren, aan wie het veel zorg en hoofdbrekens kost, om het weinige, dat zij hebben, winstgevend te maken. Hij gaf deze ponden aan zijne dienstknechten, niet om zich rijke livreien te kopen, en nog minder plechtgewaden en prachtige equipages, zoals zij hadden verwacht, maar met dezen last: Doet handeling, totdat ik kom -Weest bedrijvig, houdt u bezig, gelijk de eigenlijke betekenis is van het woord. "Gij wordt uitgezonden om het Evangelie te prediken, ene kerk voor Christus op te richten in de wereld, de volken tot gehoorzaamheid des geloofs te brengen, en hen er in op te bouwen. Gij zult kracht ontvangen om dit te doen, want gij zult vervuld worden met den Heiligen Geest", Handelingen 1:8. Als Christus blies op de elf discipelen, zeggende: Ontvangt den Heiligen Geest, toen heeft Hij hun tien ponden gegeven. "Geeft nu wèl acht op uw zaken", zegt Hij, "begeeft u met ernst en ijver aan het werk, en volhardt er in. Geeft uzelven te koste om al het goed te doen, dat gij kunt aan de zielen der mensen, en ze tot Christus te brengen." Alle Christenen hebben zaken voor Christus te doen in deze wereld, en inzonderheid leraren, de eersten zijn niet gedoopt, en de laatsten zijn niet geordend, om lui of traag te wezen. Aan hen, die geroepen zijn, om werk te doen voor Christus, schenkt Hij er de nodige gaven toe, en, aan den anderen kant: van hen, aan wie Hij kracht geeft, verwacht Hij diensten. Hij geeft hun de ponden over met dezen last: Gaat heen, werkt, doet handeling. Aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is, 1 Corinthiërs 12:7. En een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij die aan de anderen, 1 Petrus 4:10. Wij moeten volharden in ons werk, totdat de Meester komt, in weerwil van alle moeilijkheid en tegenstand, zij alleen, die volharden tot den einde, zullen zalig worden.
b. Zij zullen weldra een grote rekenschap hebben af te leggen. Deze dienstknechten worden tot Hem geroepen om te tonen welk gebruik zij hebben gemaakt van de gaven, die hun werden geschonken, welken dienst zij hebben verricht voor Christus, welk goed zij hebben gedaan aan de zielen der mensen, opdat Hij weten mocht, wat een iegelijk met handelen gewonnen had. Merk op: Zij, die naarstig en getrouw in den dienst van Christus handelen, zullen winners zijn. Dat kunnen wij niet zeggen van de zaken dezer wereld, menig bekwaam en vlijtig handelsman heeft in zijn zaken verliezen geleden. Maar zij, die voor Christus handelen, zullen winnen. Hoewel Israël zich niet laat verzamelen, zullen zij nochtans verheerlijkt worden. De bekering der zielen is het winnen der zielen, iedere oprecht-bekeerde is zuivere winst voor Jezus Christus. Leraren zijn slechts Zijne agenten, en aan Hem moeten zij rekenschap geven van de vis, die zij in het evangelienet hebben besloten, van de gasten, die zij bewogen hebben om tot het bruiloftsmaal te komen, dat is: wat zij met handelen gewonnen hebben. Merk nu op: Ten eerste. De goede rekenschap, die door sommigen der dienstknechten gegeven werd, en de goedkeuring des Meesters van hen. Twee hunner worden als voorbeeld gegeven, vers 16, 19.
1. Zij hadden beiden goede winst gedaan, hoewel geen gelijke winst. De een had met zijn handel tien ponden gewonnen, en een ander vijf. Zij, die naarstig en getrouw zijn in het dienen van Christus, worden gewoonlijk gezegend, door tot een zegen gesteld te worden in de plaats hunner inwoning. Van den arbeid hunner ziel zullen zij zien, en hun arbeid is niet ijdel. En toch zullen niet allen, die gelijkelijk getrouw zijn, ook gelijkelijk voorspoedig wezen. En wellicht wordt ook te kennen gegeven dat zij wel beiden getrouw waren, maar dat een van beiden zich meer moeite heeft gegeven, zich ijveriger op zijn werk heeft toegelegd, dan de ander, en daarom ook meer voorspoed had. Paulus was voorzeker de dienstknecht, die tien ponden gewonnen had, het dubbele van hetgeen een der overigen gedaan had, want hij heeft overvloediger gearbeid dan zij allen en het Evangelie van Christus vervuld.
2. Beiden hebben zij hun verplichtingen erkend jegens hun Meester, wijl Hij hun deze bekwaamheid en gelegenheid had gegeven om Hem te dienen. Heere, het is niet mijne naarstigheid, maar Uw pond, dat tien ponden gewonnen heeft. Gode moet al de eer worden toegebracht van hetgeen wij gewonnen hebben, niet ons, maar Hem zij de eer, Psalm 115:
1. Paulus, die de tien ponden gewonnen heeft, erkent: Ik heb gearbeid, doch niet ik. Door de genade Gods ben ik dat ik ben, en doe ik wat ik doe, en Zijne genade is niet ijdel geweest, 1 Corinthiërs 15:10. Hij wil niet spreken van hetgeen God gedaan heeft door hem, Romeinen 15:18. 3.. Beiden werden zij geprezen wegens hun naarstigheid en trouw. Wel, gij goede dienstknecht, vers 17. En hij zei dit ook tot den anderen, vers 19. Zij, die doen wat goed is, zullen lof hebben. Doe wel, en Christus zal tot u zeggen: wel gedaan, of: het is wel, en als Hij zegt: Het is wel, doet het er niet heel veel toe als anderen wat anders zeggen, zie Genesis 4:7. Zij werden bevorderd naar verhouding van de winst, die zij verkregen hebben. "Dewijl gij in
het minste getrouw zijt geweest, en niet gezegd hebt: Men kan evengoed stil blijven zitten, als met een pond handel gaan drijven, wat kan men met zo gering een fonds uitrichten? maar u ootmoedig en eerlijk tot het werk hebt begeven om met dat geringe winst te doen, zo heb macht over tien steden." Diegenen zijn goed op weg om voorspoedig te zijn, die klein beginnen. Die wel gediend hebben, verkrijgen zich zelven een goeden opgang. 1 Timotheus 3:13. Twee dingen worden den apostelen hiermede beloofd.
a. Dat zij, als zij zich moeite hebben gegeven om vele kerken te vestigen, de voldoening en de eer zullen hebben van er opzieners over te zijn en ze te besturen, er zal hun grote achting worden betoond, en zij zullen delen in de liefde van goede Christenen. Die den vijgenboom bewaart, zal zijne vrucht eten, en hij, die arbeidt in woord en leer, zal dubbele eer waardig geacht worden.
b. Dat zij, indien zij naar den wil van Christus hun geslacht gediend hebben, al is het ook dat zij in deze wereld veracht en verguisd worden, en wellicht evenals de apostelen onder smaad en vervolging er uit heengaan, toch in de andere wereld met Christus zullen heersen, met Hem zullen zitten op Zijn troon, en macht zullen hebben over de heidenen, Openbaring 2:26. De zaligheid in den hemel zal een veel grotere bevordering zijn van een Godvruchtigen leraar of Christen, dan het voor een armen koopman zou wezen, die met veel moeite tien ponden gewonnen heeft, om tot regent van tien steden gemaakt te worden. Hij, die slechts vijfponden gewonnen had, kreeg heerschappij over vijf steden. Dat duidt aan, dat er trappen van heerlijkheid zijn in den hemel, ieder vat zal gelijkelijk vol zijn, maar niet even groot. En de trappen der heerlijkheid zullen wezen naar verhouding van de mate van nut, dat hier gesticht werd.
Ten tweede. De kwade rekenschap, die door een hunner werd gegeven, en het oordeel over hem uitgesproken wegens zijne luiheid en ontrouw, vers 20 enz. "Heere! zie hier uwpond, het is waar, ik heb het niet vermeerderd, maar ik heb het toch ook niet verminderd, ik heb het veilig in een zweetdoek weggelegd." Dit stelt de onverschilligheid voor van hen, die gaven hebben maar zich nooit de moeite getroosten om er goed mede te doen aan anderen. Het is hun volkomen onverschillig of het met de belangen van Christus' koninkrijk goed of slecht staat, wat hun betreft, zij geven er niet om, doen er geen moeite voor, geven er geen geld voor uit, stellen er niets voor in de waagschaal. Dat zijn de dienstknechten, die hun pond wegleggen in een zweetdoek, die het voldoende achten te zeggen, dat zij geen kwaad hebben gedaan in de wereld, maar geen goed deden.
2. Hij rechtvaardigde zijn verzuim door een reden, die de zaak wel erger maar niet beter maakte, vers 21, ik vreesde u, omdat gij een straf mens zijt, streng en onbuigzaam. Gij neemt weg wat gij niet gelegd hebt. Hij dacht dat zijn meester een harden dienst vorderde van zijne dienstknechten, toen hij van hen eiste en verwachtte, dat zij zijne ponden zouden vermeerderen, en dat dit was een maaien waar hij niet had gezaaid, terwijl het in werkelijkheid een maaien was waar hij wèl had gezaaid, en hij, gelijk de landman, een oogst verwachtte naar verhouding van het gezaaide. Hij had geen reden om zijns meesters strengheid te duchten, noch hem te laken wegens hetgeen hij verwachtte, dit was een vals voorgeven, een beuzelachtige, ongegronde verontschuldiging, een ijdele uitvlucht voor zijne traagheid, die door hoegenaamd niets te verontschuldigen was. Het pleiten van trage belijders, om zich te verontschuldigen, als hun rekenschap gevraagd wordt, zal bevonden worden meer tot hun schande te zijn dan tot hun rechtvaardiging.
3. Wat hij tot zijne verschoning aanvoerde, wordt tegen hem gericht: Uit uw mond zal ik u oordelen, gij boze dienstknecht, vers 22. Hij zal veroordeeld worden wegens zijne misdaad, maar geoordeeld worden door zich zelven, door zijn eigen pleitgrond. "Indien gij het hard vond, dat ik winst verwachtte van den handel, die de meeste winst zou opgeleverd hebben, maar toch mijne belangen enigszins had behartigd, dan zoudt gij het geld in de bank gedaan hebben, het in een der fondsen hebben gestoken, zodat ik dan niet slechts het mijne had teruggekregen, maar nog interest bovendien, dat dan wel minder voordelig zou zijn geweest, maar toch nog iets zou hebben opgeleverd. Indien hij, naar hij voorgeeft, niet durfde handelen uit vrees van het kapitaal te verliezen, waarvoor hij verantwoordelijk was aan zijn heer, dan verontschuldigt dit hem toch niet wegens zijn verzuim van het geld in een solide zaak op interest gezet te hebben. Wat ook de voorwendsels zijn van trage belijders, waarmee zij hun traagheid zoeken te verontschuldigen, de ware reden is een heersende onverschilligheid voor de belangen van Christus en Zijn koninkrijk en hun koelheid daarvoor. Zij geven er niet om of de Godsdienst veld wint of achteruit gaat, als zij slechts op hun gemak kunnen leven.
4. Zijn pond wordt hem ontnomen, vers 24. Het is betamelijk, dat diegenen hun gaven verliezen, die ze niet willen gebruiken, en dat zij, die ontrouw hebben gehandeld, niet langer vertrouwd worden. Waarom zou aan hen, die hun Meester niet willen dienen met hetgeen Hij hun schenkt, toegelaten worden er zich zelven mede te dienen? Neemt dat pond van hem weg.
5. Het wordt gegeven aan hem, die de tien ponden had. Als hiertegen geprotesteerd wordt door de bijstanders, omdat hij toch al zoveel had ("Heere, hij heeft tien ponden, vers 25), wordt hierop geantwoord, vers 26 :Een iegelijk, die heeft, zal gegeven worden. Het is de regel der gerechtigheid,
a. Dat diegenen het meest aangemoedigd zullen worden, die het vlijtigst geweest zijn, en dat zij, die zich de meeste inspanning getroost hebben om goed te doen, er meer en ruimer gelegenheid voor zullen krijgen, en in een ruimer en hoger sfeer van nuttige werkzaamheid zullen geplaatst worden. Aan hem, die verkregen heeft, zal meer worden gegeven, opdat hij in staat gesteld worde om nog meer te ontvangen.
b. Dat zij, die hun gaven hebben, alsof zij ze niet hadden, die ze doelloos bezitten, er geen goed mede doen, er van beroofd moeten worden. Aan hen, die er naar streven om de genade, die zij hebben, te doen toenemen, zal God meer mededelen, zij, die haar veronachtzamen en haar laten vervallen, kunnen niets anders verwachten dan dat God dit ook doen zal. Deze nodige waarschuwing geeft Christus aan Zijne discipelen, opdat zij niet, terwijl zij hunkeren naar aardse eer en heerlijkheid, hun werk veronachtzamen, en aldus de zaligheid in den hemel tekortkomen.
6. Wat zij nog verder verwachtten was, dat zodra hei koninkrijk Gods zou verschijnen, de gehele Joodse natie er zich aan zou onderwerpen, en dat dan al hun tegenzin tegen Christus en Zijn Evangelie terstond zou verdwijnen, maar Christus zegt hun, dat na Zijn heengaan, het gros van hen zal volharden in hun hardnekkigheid en opstand, en dat dit hun verderf zal tengevolge hebben. Dit wordt hier getoond.
a. In de boodschap, die zijne burgers hem nazonden, vers 14. Zij hebben Hem niet slechts tegengestaan, terwijl Hij nog in geringen staat verkeerde, maar toen Hij heenging om Zijn koninkrijk te ontvangen, hebben zij in hun vijandschap tegen Hem volhard, geprotesteerd tegen Zijne heerschappij, en gezegd: Wij willen niet dat deze koning over ons zij. Dit werd vervuld in het overwegend ongeloof der Joden na de hemelvaart van Christus en de oprichting van het Evangeliekoninkrijk. Zij wilden hun hals niet krommen onder het juk, noch de spits van Zijn gouden scepter aanraken. Zij zeiden: Laat ons Zijne banden verscheuren, Psalm 2:1-3, Handelingen 4:26. Het is de taal van alle ongelovigen, zij zouden er nog in kunnen toestemmen, dat Christus hen behoudt en zalig maakt., maar zij willen niet dat Hij Koning over hen zij, terwijl Christus toch alleen een Zaligmaker is voor hen, voor wie Hij ook Vorst is, en die bereid zijn Hem te gehoorzamen.
b. In het oordeel, dat bij zijn terugkeer over hen werd uitgesproken: Deze mijne vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen koning zou zijn, brengt hen hier, vers 29. Als Zijn getrouwe onderdanen bevorderd en beloond worden, dan zal Hij wraak doen over Zijne vijanden, inzonderheid over het Joodse volk, welks vonnis hier wordt uitgesproken. Toen Christus Zijn Evangeliekoninkrijk had opgericht, en hiermede de bediening van het Evangelie heeft geëerd, kwam Hij om afrekening te houden met de Joden, alstoen werd in herinnering tegen hen gebracht, dat zij tegen Zijn koninklijk ambt hadden geprotesteerd, toen zij zeiden: "Wij hebben geen koning dan den keizer", en zij Hem ook niet als Koning wilden erkennen. Zij hebben zich op den keizer beroepen, en tot den keizer zullen zij gaan, de keizer zal hun verderf zijn. Het koninkrijk Gods is verschenen toen er wraak gedaan werd over de onverzoenlijke vijanden van Christus en Zijne regering, zij werden gebracht en voor Zijn aangezicht doodgeslagen. Nooit werd in enigen krijg zulk een slachting aangericht als in den oorlog der Joden. Dat volk heeft het beleefd, dat het Christendom de heidenwereld overwonnen heeft, ten spijt van hun vijandschap en tegenstand, en toen werd het weggedaan als schuim. De toorn van Christus is over hen gekomen tot het einde, 1 Thessalonicenzen 2:15, 16, en hun verwoesting strekte grotelijks tot eer van Christus en den vrede der kerk. Maar dit is ook toepasselijk op alle anderen, die in hun ongeloof volharden en er ongetwijfeld in zullen omkomen. Een algeheel verderf zal voorzeker het deel wezen van al de vijanden van Christus, in den dag der wrake zullen zij allen voor Hem gebracht en gedood worden.
Brengt hen hier, tot een schouwspel voor heiligen en voor engelen, zie Jozua 10:22, 24. "Brengt hen hier, dat zij de heerlijkheid en zaligheid zien van Christus en Zijne volgelingen, die zij hebben gehaat en vervolgd. Brengt hen hier om hun beuzelachtige plannen te verijdelen, en het oordeel te ontvangen, dat zij verdiend hebben. Brengt hen, en doodt hen voor Mijn aangezicht, zoals Agag voor Samuël." De Zaligmaker, dien zij geminacht hebben, zal er bij staan en hen zien doden, en Hij zal ten hunnen behoeve niet tussenbeide treden. Zij, die niet willen dat Christus Koning over hen zij, zullen beschouwd en behandeld worden als Zijne vijanden. Wij zijn geneigd te denken, dat geen anderen Christus' vijanden zijn, dan de vervolgers van het Christendom, of tenminste de spotters, maar gij ziet dat diegenen daarvoor gehouden zullen worden, aan wie de voorwaarden der zaligheid mishagen, die zich niet aan Christus' juk willen onderwerpen, maar hun eigen meesters willen zijn. Allen, die door de genade van Christus niet geregeerd willen worden, zullen onvermijdelijk door den toorn van Christus omkomen.