Psalm 42:1-6
Heilige liefde tot God als het hoogste goed en onze gelukzaligheid is de kracht van de godzaligheid, het leven en de ziel van de godsdienst, zonder welke alle uitwendige betuigingen en verrichtingen, slechts een schaal zonder kern een levenloos geraamte zijn. Nu hebben wij hier enige van de uitdrukkingen dier liefde. Hier is:
I. Heilige liefde dorstende, liefde, die opwaarts streeft in heilige begeerten naar de Heere en de gedachtenis Zijns naams, vers 2,3. "Mijn ziel schreeuwt, dorst naar God, naar niets meer dan God, maar naar meer en meer van Hem. Merk nu op:
1. Wanneer David aldus zijn heftige begeerte naar God heeft uitgedrukt. Het was:
a. Toen hij van de uitwendige gelegenheden verstoken was om tot God te naderen; toen hij verbannen was naar het land van de Jordaan, ver weg van de voorhoven van Gods huis. Soms leert God ons op krachtdadige wijze de waarde van zegeningen en voorrechten kennen door het gemis enen, en scherpt Hij ons verlangen naar de middelen van de genade door ze ons te onthouden. Wij zijn geneigd om te walgen van het manna als wij er overvloed van hebben, dat ons zeer kostbaar en lieflijk is als wij er toe komen om er gebrek aan te hebben.
b. Toen hij in grote mate beroofd was van de innerlijke vertroosting, die hij in God placht te hebben; hij treurde thans, maar hij hijgde van verlangen naar God. Indien God door Zijn genade oprechte en vurige begeerten naar Hem gewerkt heeft, dan kunnen wij daar troost aan ontlenen als wij de zielverrukkende genietingen missen, die wij soms in God gesmaakt hebben, omdat het treuren naar God een even zeker bewijs is dat wij Hem liefhebben, als het zich verblijden in God. Eer de psalmist zijn twijfelingen en vrees en smart verhaalt, die hem zozeer gekweld en geschud hebben, stelt hij dit vast: dat hij op de levende God zag als op zijn God, zijn hoogste goed, en dienovereenkomstig zijn hart op Hem had gesteld en besloten was door Hem te leven en te sterven. Aldus het anker uitgeworpen hebbende, trotseert hij de storm.
2. Wat het voorwerp is van zijn begeerte, en wat het is, waar hij naar dorst.
a. Hij verlangt, hij dorst naar God, niet naar de inzettingen, maar naar de God van de inzettingen. Een godvruchtige ziel kan weinig voldoening smaken in Gods voorhoven, als zij God zelf daar niet ontmoete of ik wist dat ik Hem vinden zou! Dat ik meer van de tekenen van Zijn gunst mocht hebben, de genade en de vertroostingen van Zijn Geest en de voorsmaak van Zijn heerlijkheid."
b. Hierin heeft hij het oog op God als de levende God, die leven heeft in zichzelf en de fontein is van alle leven en gelukzaligheid voor hen, die de Zijnen zijn; de levende God, niet alleen in tegenstelling met dode afgoden, de werken van de mensen handen, maar met alle stervende genietingen van deze wereld, die vergaan terwijl men ze geniet. Levende zielen kunnen nooit ergens rust vinden dan in de levende God.
c. Hij verlangt te komen en voor God te verschijnen om zich aan Hem bloot te leggen, daar hij zich bewust is van zijn oprechtheid, om Hem op te wachten, zoals een dienstknecht zijn heer, om Hem hulde en eerbied te betonen, Zijn orders te ontvangen, rekenschap aan Hem af te leggen als aan iemand, wie het oordeel over ons toekomt. Voor God te verschijnen is evenzeer de begeerte van de oprechten als het de schrik en vrees is van de geveinsde. De psalmist wist dat hij niet in Gods voorhoven kon komen of hij moest onkosten maken, want de wet luidde dat niemand ledig voor Gods aangezicht zou verschijnen; toch verlangt hij te komen en zal niet morren vanwege die onkosten.
3. Wat de mate is van deze begeerte. Zij is zeer dringend; het is zijn ziel, die hijgt, zijn ziel, die dorst, hetgeen niet slechts de oprechtheid maar ook de kracht van zijn begeerte te kennen geeft; zijn verlangen naar het water uit de bornput van Bethlehem was als niets, daarbij vergeleken. Hij vergelijkt het bij het hijgen van een hert, dat droog en heet is, inzonderheid van een gejaagd hert, naar de waterbeken. Evenzo smachtend verlangt een godvruchtige ziel naar gemeenschap met God, zo ongeduldig is ze onder het gemis van die gemeenschap, zo onmogelijk vindt zij het om met iets minder dan met die gemeenschap tevreden te zijn, en zo onverzadelijk is zij in het genieten van die gemeenschap als de gelegenheid er toe wederkeert, nog altijd dorstende naar de volle genieting van Hem in het hemelse koninkrijk.
II. Heilige liefde treurende over het zich terugtrekken van God en het gemis van het voorrecht van de plechtige inzettingen, vers 4 "Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht gedurende deze gedwongen afwezigheid van Gods huis." Zijn omstandigheden waren treurig en hij schikte er zich naar; zelfs de koninklijke profeet was een wenende profeet als hij de lieflijkheid van Gods huis moest missen. Zijn tranen vermengden zich met zijn spijs, ja, zij waren hem tot spijs dag en nacht, hij voedde zich met zijn tranen, als er zo'n rechtmatige oorzaak voor was, en het was hem een voldoening, dat zijn hart zo aangedaan was door een smart van die aard.
Merk op: hij achtte het niet voldoende om een paar tranen te storten bij het scheiden van het heiligdom, een vaarwel-gebed uit te wenen toen hij afscheid nam, maar zolang zijn gedwongen afwezigheid van die plaats van zijn verlustiging aanhield, heeft hij nooit opgezien, maar dag en nacht geweend. Zij, die verstoken zijn van het voorrecht van de openbare inzettingen, missen ze voortdurend, en daarom moeten zij treuren over het gemis ervan, totdat het hun wedergegeven is. Twee dingen verzwaarden zijn droefheid:
1. De verwijtingen, waarmee zijn vijanden hem overlaadden: de gehele dag zeggen zij tot mij: Waar is uw God?
a. Omdat hij afwezig was van de ark, het teken van Gods tegenwoordigheid, kwamen zij, daar zij de God Israël's beoordeelden naar de goden van de heidenen, tot de gevolgtrekking dat hij zijn God had verloren. Diegenen dwalen, die denken dat zij, als zij ons beroofd hebben van onze bijbels en onze leraren en onze plechtige bijeenkomsten, ons van onze God hebben beroofd; want hoewel God ons eraan gebonden heeft, als zij te verkrijgen zijn, heeft Hij zichzelf er niet aan gebonden. Wij weten waar onze God is en waar Hem te vinden, als wij niet weten waar Zijn ark is, noch waar deze is te vinden. Waar wij ook zijn is een open weg naar de hemel.
b. Omdat God niet terstond verscheen tot zijn verlossing, kwamen zij tot de gevolgtrekking dat Hij hem had verlaten; maar ook hierin vergisten zij zich; omdat de heiligen hun vrienden verloren hebben, volgt daar niet uit dat zij hun God verloren hebben. Maar door deze boze aanmerking op God en Zijn volk voegden zij smart toe aan hem, die reeds smart leed, en dat was het ook wat zij bedoelden. Niets is smartelijker voor een Godvruchtige ziel, dan hetgeen bedoeld is om haar hoop en vertrouwen op God aan het wankelen te brengen.
2. De herinnering aan zijn vroegere vrijheid en genietingen, vers 5. Hieraan wil ik denken, is een grote verzwaring van kwaad, zozeer wordt door ons vermogen van nadenken en voorgevoelen onze tegenwoordige smart nog vermeerderd. David gedacht aan de dagen vanouds, en toen werd zijn ziel in hem uitgestort, hij smolt weg, en dit denken heeft zijn hart schier gebroken.
a. Hij stortte zijn ziel in zich uit in smart, en toen stortte hij zijn ziel voor God uit in het gebed. Maar waardoor werd dit smartelijk wegsmelten van zijn ziel veroorzaakt? Het was niet de herinnering aan de genoegens, gesmaakt aan het hof, of aan de feestvieringen in zijn eigen huis, waar hij nu van verbannen was, die hem zo bedroefde, maar de herinnering aan de vrijen toegang, die hij vroeger gehad heeft tot Gods huis, en het genot, dat hij had gesmaakt in het bijwonen van de heilige plechtigheden aldaar. Hij ging naar het huis Gods, hoewel dit in zijn tijd slechts een tent was, ja, indien deze psalm geschreven werd, zoals velen denken, in de tijd toen hij door Saul vervolgd werd, dan was de ark in een particulier huis, 2 Samuël 6:3 Maar de geringheid en ongerieflijkheid van de plaats deden niets af van zijn eerbied voor dit heilig symbool van de Goddelijke tegenwoordigheid. David was een hoveling, een vorst, een man van eer, een man van zaken, en toch was hij zeer naarstig in het bezoeken van Gods huis en het bijwonen van de openbare Godsverering, zelfs in de dagen van Saul, toen deze en zijn groten de ark niet hebben gezocht, 1 Kronieken 13:3 Wat anderen ook mochten doen, David en zijn huis zullen de Heere dienen.
b. Hij ging onder de schare en achtte het geen verkleining van zijn waardigheid om aan het hoofd van de schare de dienst in Gods huis bij te wonen. Ja meer, het verhoogde zijn genot ervan, dat hij door een grote menigte was vergezeld, en daarom wordt er tweemaal melding van gemaakt als hetgeen, waarvan hij het gemis nu zozeer betreurde. Hoe meer hoe beter in de dienst van God, dan gelijkt hij meer op de hemel en draagt zeer veel bij tot het lieflijke, dat wij smaken in de gemeenschap van de heiligen.
c. Hij ging met een stem van vreugdegezang en lof, niet slechts met vreugde en lof in zijn hart, maar met de uitwendige uitdrukkingen ervan, zijn blijdschap bekend makende en de hogen lof van zijn God uitsprekende. Als wij tot God gaan in de openbare inzettingen, dan hebben wij reden om het te doen met blijmoedigheid en dankbaarheid, voor ons de lieflijkheid en vertroosting nemende en aan God de eer gevende van onze vrijheid van toegang tot Hem.
d. Hij ging om feest te vieren, niet in ijdele vrolijkheid en spel, maar in oefeningen van de godsvrucht. Plechtige vierdagen worden het lieflijkst doorgebracht in plechtige vergaderingen.
III. Heilige liefde, hopende, vers 6 Wat buigt gij u neer, o mijne ziel. Zijn smart had een zeer goede reden, maar zij moet toch de perken niet te buiten gaan, of de overhand hebben om zijn geest neer te dekken, daarom spreekt hij, om zich verlichting te "even tot zijn eigen hart: "Mijn ziel, ik heb iets tot u te zeggen in uw zwaarmoedigheid." Laat ons eens nagaan:
1. Wat er de oorzaak van is. "Gij zijt neergebogen, als neder bukkende en wegzinkende onder een last, Spreuken 12:25 Gij zijt ontrust, verbijsterd en verward; waarom?" Dit kan genomen worden als een onderzoekende vraag "Laat de oorzaak van die onrust behoorlijk onderzocht worden: is zij rechtmatig?" Onze onrust zou dikwijls verdwijnen bij een nauwkeurig en streng onderzoek naar de reden ervan. "Waarom ben ik neerslachtig? Is er een oorzaak, een wezenlijke oorzaak, voor? Hebben anderen er niet meer reden toe, die er toch niet zo'n beweging om maken? Hebben wij niet ook oorzaak om goedsmoeds te zijn, geen redenen om moed te scheppen?" Of het kan genomen worden als een verwijtende vraag. Zij, die tot hun eigen hart spreken, zullen dikwijls reden hebben om het te bestraffen, zoals David het hier doet. Waarom onteer ik aldus God door mijn neerslachtigheid en moedeloosheid? Waarom beneem ik de moed aan anderen en doe ik mijzelf zoveel kwaad? Kan ik een goede reden geven voor al die onrust?
2. De genezing ervan. Hoop op God, want ik zal Hem nog loven. Een gelovig getrouwen op God is een onfeilbaar tegengif tegen overheersende vertwijfeling en onrust van gemoed. En daarom moeten wij, als wij onszelf bestraffen voor onze neerslachtigheid, onszelf vermanen en opwekken om op God te hopen; als de ziel op zich zelve steunt, verzinkt zij; als zij de kracht en de belofte van God aangrijpt, dan houdt zij het hoofd boven water. Hoop op God.
a. Opdat Hij eer en heerlijkheid van ons ontvangt, "ik zal Hem nog loven, ik zal zo'n verandering ontwaren in mijn toestand, dat het mij aan stof tot dankzegging en lof niet zal ontbreken, en zo'n verandering in mijn gemoed, dat het mij ook niet aan een hart zal ontbreken om te loven." Het is de grootste eer en het grootste geluk voor een mens, en de grootste begeerte en hoop van iedere Godvruchtige, om Gode te zijn tot een naam en een lof. Wat is de kroon van de hemelse zaligheid anders dan dit: dat wij daar voor eeuwig God zullen loven? En wat is onze steun onder ons tegenwoordig leed anders dan dit: dat wij God nog zullen loven, dat het onze eindeloze halleluja's noch zal voorkomen, noch zal verminderen?
b. Dat wij vertroosting in Hem zullen hebben. Wij zullen Hem loven voor de verlossingen van Zijn aangezicht, voor Zijn gunst en de steun, die wij er door hebben, en de voldoening, die wij er in vinden. Zij, die het licht van Gods aangezicht weten te waarderen en te gebruiken, zullen er, ook in de slechtste tijden, een gepaste, tijdige en genoegzame hulp in vinden en hetgeen hun voortdurende stof zal geven tot lof van God. David's gelovige verwachting hiervan heeft hem voor verzinken behoed, heeft hem er voor behoed om het hoofd te laten hangen. Zijn harp was een verzachtend middel tegen Sauls droefgeestigheid, maar zijn hoop was een krachtig geneesmiddel tegen zijn eigen.