Psalm 60:1-7
Het opschrift, vers 1, 2, geeft ons een bericht:
1. Van de algemene strekking van de psalm. Hij is michtam een gouden kleinood van David en hij is tot lering. De Levieten moesten hem aan het volk leren, en het daardoor leren op God te vertrouwen en in Hem te triomferen, wij moeten er onszelf en elkaar in onderwijzen. In een dag van openbaar vreugdebetoon moet ons geleerd worden onze blijdschap tot God te richten, haar te doen eindigen in Hem, niets van die lof te geven aan de werktuigen onder verlossing, die alleen toekomt aan Hem, en onze hoop door onze blijdschap aan te moedigen.
2. Van de bijzondere gelegenheid ervan. Het was in een tijd:
a. Toen hij in oorlog was met de Syriërs, en nog een slag tegen hen te leveren had, beide die van Mesopotamie en die van Zoba.
b. Toen hij een grote overwinning had behaald over de Edomieten door zijn krijgsmacht onder bevel van Joab, die van het vijandelijk leger twaalf duizend doden op het slagveld achterliet. David heeft in deze psalm het oog op die beide zaken, hij is in zorg over zijn strijd met de Assyriërs en in betrekking daarop bidt hij. Hij verblijdt zich in zijn voorspoed tegen de Edomieten, en in betrekking daarop juicht hij in heilig vertrouwen op God, dat Hij de overwinning volkomen zal maken. Wij hebben onze zorgen terzelfder tijd dat wij onze redenen hebben tot blijdschap, en zo kunnen die twee dan tegen elkaar opwegen opdat geen van beide overmatig zijn zal. Zij kunnen ons ook voorzien van stof, beide voor gebed en voor dankzegging, want beide moeten uit de volheid des harten tot God worden opgezonden. Het een doel is bereikt, maar voor het andere hebben wij nog te worstelen en te strijden, de Edomieten zijn verslagen, maar de Syriërs moeten nog verslagen worden. Zo beroeme dan hij, die zich aangordt, zich niet als die zich losmaakt.
In deze verzen, die de psalm beginnen, hebben wij:
I. Een treurige herinnering aan de vele ongelukken en teleurstellingen die God gedurende enige jaren over het volk heeft doen komen. Gedurende de regering van Saul, inzonderheid gedurende het laatste gedeelte ervan, en gedurende Davids worsteling met het huis van Saul, terwijl hij nog alleen over Juda regeerde, stond het hachelijk met de zaken des rijks, en waren de naburige volken kwellend voor Israël.
1. Hij klaagt over harde dingen, die zij gezien hebben, die zij geleden hebben, vers 5, toen de Filistijnen en andere kwaadwillige naburen alle voordeel tegen hen hadden. Soms doet God zelfs aan Zijn volk harde dingen zien in deze wereld, opdat zij er hen rust niet in nemen, maar slechts in Hem gerust zullen wonen. Hij erkent dat Gods misnoegen de oorzaak was van al de moeilijkheden, die zij hebben ondervonden. "Gij zijt toornig op ons geweest, vers 3, en in Uw toorn hebt Gij ons verstouten, hebt Gij ons gescheurd, ons buiten Uw bescherming gesteld, want anders zouden onze vijanden zo niet tegen ons hebben overmocht. Zij zouden ons niet tot een prooi hebben gemaakt, indien Gij "de staf van de samenbinders niet had verbroken". Zacheria 11:14, waardoor wij verenigd waren en aldus ons hebt gescheurd." Waarin ons leed of ongeluk ook bestaat, en wie er ook de werktuigen van zijn, wij moeten er de hand Gods in zien Zijn rechtvaardige hand. 2. Hij betreurt de slechte uitwerkselen en gevolgen van de ongelukkige voorvallen van de laatste jaren. De gehele natie was in beroering: Gij hebt het land geschud. Het gros van het volk verkeerde in angst en vrees voor de gevolgen van deze dingen, zelfs de Godvruchtigen waren in ontsteltenis erover: "Gij had ons gedrenkt met zwijmelwijn, wij waren als mensen, die dronken zijn en ten einde raad, niet wetende hoe dit alles overeen te brengen met Gods beloften en Zijn betrekking tot Zijn volk, wij zijn verbaasd, kunnen niets doen, weten niet wat te doen."
Nu wordt dit hier vermeld ter lering, dat is ter onderrichting van het volk. Als God Zijn hand wendt ten gunste van ons, dan is het goed om onze vroegere rampen te herdenken.
a. Omdat wij de goede indrukken zullen behouden, die zij op ons gemaakt hebben, en die wederom levendig bij ons op te wekken. Onze ziel moet de beproeving en ellende nog gedenken, opdat" zij zich in ons nederbukke," Klaagliederen 3:19, 20.
b. Opdat Gods goedheid jegens ons waarmee Hij ons geholpen en opgeheven heeft, te meer verheerlijkt zal worden, want het is als een leven uit de doden, zo wonderbaar en zo verkwikkend. Onze rampen doen onze voorrechten en redenen tot blijdschap te meer uitkomen.
c. Opdat wij ons aan geen vleselijke gerustheid zullen overgeven, maar ons zullen verheugen met beving, daar wij niet weten hoe spoedig wij weer in de smeltkroes van de beproeving kunnen komen, waaruit wij onlangs werden verlost, zoals zilver, dat nog niet door en door gelouterd is.
II. Een dankbaar letten op de aanmoediging, die God hun had gegeven, om te hopen dat in de zaken, die gedurende zo langen tijd zeer slecht gestaan hebben, nu verbetering begint te komen, vers 6. "Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, want slecht als de tijden zijn, toch is er een overblijfsel onder ons, die begeren Uw naam te vrezen, opdat Gij die opheft vanwege de waarheid van Uw belofte, die Gij zult vervullen, en om opgeheven te worden door hen ter verdediging van waarheid en gerechtigheid." Psalm 45:5. Deze banier was Davids regering, de bevestigingen uitbreiding ervan over geheel Israël. De vrome Israëlieten, die God vreesden en acht gaven op Gods aanwijzing van David voor de troon, beschouwden zijn verheffing als een teken ten goede en als het opheffen van een banier voor hen.
1. Het verenigde hen zoals soldaten, die tot hun vaandel verzameld worden, zij die gescheurd waren, vers 3, verdeeld onder elkaar, en daardoor verzwakt, verenigden zich in hem toen hij op de troon was bevestigd.
2. Het wekte hen op, bracht leven en moed in hen, zoals de soldaten opgewekt en bemoedigd worden op het zien van hun banier.
3. Het bracht vrees en verschrikking onder hun vijanden, die zij nu konden trotseren. Christus, de Zone Davids, is gegeven tot "een banier van de volken," Jesaja 11:10, tot een banier voor hen, die God vrezen, in Hem als het middelpunt van hun eenheid zijn zij tot een vergaderd, Hem zoeken zij, in Hem roemen zij en scheppen zij moed, Zijn liefde is de banier over hen, in Zijn naam en Zijn kracht voeren zij oorlog tegen de machten van de duisternis en onder Hem wordt de kerk schrikkelijk als slagorden met banieren. III. Een nederige bede om tijdige genade.
1. Dat God met hen verzoend zou zijn, hoewel Hij toornig op hen is geweest. In Zijn misnoegen begonnen hun rampen, en daarom moet met Zijn gunst hun voorspoed beginnen keer weer tot ons, vers 3, zie ons aan in liefde sta onze zaak voor, heb vrede met ons, en in die vrede zullen wij vrede hebben. Tranquillus Deus, tranquillat omnia Een God in vrede met ons, verspreidt vrede over alles.
2. Dat zij met elkaar verzoend zullen zijn, hoewel zij gescheurd en allerellendigst verdeeld zijn geweest, "genees de breuken van ons land, vers 4, niet alleen de breuken, die onze vijanden bij ons gemaakt hebben, maar de breuken, die wij zelf gemaakt hebben door onze ongelukkige verdeeldheden." Dat zijn breuken, die door de dwaasheid en het bederf van de mens gemaakt worden en die God alleen herstellen en genezen kan, door een geest van liefde en vrede uit te storten, dat het enige middel is om een gescheurd en wankelend koninkrijk weer te herstellen en voor verwoesting te bewaren.
3. Dat zij aldus bevrijd zullen worden uit de handen van hun vijanden, vers 7. " Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden, en er geen prooi van hen zal worden gemaakt, geef heil door Uw rechterhand, door Uw eigen macht, en door zulke werktuigen, als het U behaagt van de mannen van Uw rechterhand te maken, en verhoor mij, vers 7. Zij, die God vrezen, zijn Zijn beminden, zij zijn Hem dierbaar als Zijn oogappel, zij zijn dikwijls in benauwdheid, maar zij zullen bevrijd worden, Gods rechterhand zal hen verlossen, want zij, die Zijn hart hebben, hebben Zijn hand, Verlos hen, en verhoor mij. Gods biddend volk kan de algemene verlossingen van de kerk beschouwen als een verhoring van hun particuliere gebeden. Als wij de invloed gebruiken, die wij hebben bij de troon van de genade voor zegeningen voor het algemeen, en als die zegeningen geschonken worden, dan kunnen wij, bij ons deel, dat wij met anderen hebben in het voordeel, de weldaad ervan, met bijzondere voldoening zeggen: "hierin heeft God mij gehoord en verhoord."