14. Want hetgeen ik zag, namelijk deze drie onreine geesten, die ik in vorsen gedaante zag te voorschijn komen, dus ook de beide, die uit de mond van het dier en uit de mond van de valse profeet gingen, zijn geesten van de duivelen en dus met veel hogere krachten toegerust dan menselijke geesten. En zij a) doen tekenen, waardoor zij zich eerst groot aanzien verwerven, om daarna hun overredingskunst in toepassing te brengen, die tekenen het werk van de overreding verrichten en uitgaan tot de koningen van de aarde en van de hele wereld. Zij gaan tot die koningen, die hier het eerst in aanmerking komen; die ten gevolge van hun ver reikende invloed de koningen van de hele wereld vertegenwoordigen, dus tot de Europese grootmachten Re 13:7. Zij doen dat om die te vergaderen b) tot de strijd tegen de Heere, om diens werk aan Zijn volk te verhinderen, de strijd van die grote dag van de almachtige God, waarvan echter noch de verleiders, noch de door hen te verleiden koningen en regeringsmachten iets vermoeden, maar waartoe de ondernomen krijgstocht eveneens zal omslaan, als Sisera's veldtocht tegen Barak in een grote gerichtsdag van God over Jabin en zijn veldoverste omkeerde (
Richteren 4, 5).
a) 2 Thessalonicenzen 2:9 Openbaring 3:13; 19:20) Openbaring 7:14; 20:8
Van die grote dag van God, als de Heere op het einde van de 20e eeuw tegen de anti-christ en diens legerschaar ten strijde trekt, om een einde aan hem te maken met het scherpe zwaard van Zijn mond (Hoofdstuk 19:11), is hier in het algemeen nog geen sprake. De uitleggers, van deze valse veronderstelling uitgaande, hebben onze plaatsen slechts duisterder gemaakt, in plaats van ze te doen begrijpen, zoals in het bijzonder bij hen de koningen van de opgang van de zon in Vers 12 tot die koningen in Vers 14 behoren, die door de drie onreine geesten worden aangebracht, alsof hierin Oosten en Westen elkaar wederkerig de handen reikten tot een anti-kruistocht, die bij Harmageddon in Vers 16 op het verderf voor beide uitviel. Wij houden daarentegen vast, dat wij op onze plaats nog slechts aan het begin van de 20e eeuw staan, of bij die gerichtsdaad van God, waardoor Hij aan de anti-christische tijd ook uitwendig een einde maakt. Inwendig is aan deze tijd reeds zijn einde bereid door de weer levendmaking van de twee getuigen, of de bekering van Israël in Hoofdstuk 11:11 v. ; en nu in Hoofdstuk 12:14 de twee vleugels, die aan de vrouw werden gegeven, de vleugels als van een groten adelaar, van de uitleiding van het bekeerde Israël uit zijn gevangenschap, waarin het onder alle volken van de aarde verstrooid was, hebben verstaan, in Vers 12 van ons hoofdstuk de bevrijden van het heilige land van de Mohammedaanse heerschappij zagen aankomen, zo wordt ons hier aangewezen, wat de constitutionele, van de wil van de Kamer-majoriteiten afhankelijke, hoewel misschien ook voor hun personen vrome en godvruchtige koningen op aarde zullen doen, om Gods werk aan Zijn volk te verhinderen. Zij beproeven een bepaalde veldtocht, die een andere oplossing van het Oosterse vraagstuk teweegbrengen, dan die met het aanrukken van de koningen van het Oosten begint te komen en die in het bijzonder ook bestemd is, om de wederoprichting van het rijk van Israël (Handelingen 1:6) onmogelijk te maken. Dat is zeker een onderneming, die men aan de machten van Europa, dat Christelijk was, aan de wereld, die zich op haar beschaving beroemde, niet moest toevertrouwen en hoezeer ook aan het staatkundig bestaan van ons werelddeel met het einde van deze lopende eeuw het Christelijk karakter zal zijn ontnomen en vrome herinneringen aan Gods woord en Christus' rijk niet meer mogen meespreken in de raad van de volken, zo zal men zich toch van alle nawerking van wat men vroeger geweest is en gedeeltelijk nog in zijn hart gelooft, niet zo geheel kunnen ontslaan, dat men volgens eigen besluit aan zo'n onderneming zou denken. Maar juist daarom ziet Johannes drie onreine geesten uit de mond van de draak en uit de mond van het dier en uit de mond van de valse profeet als vorsen voortkomen. Die kunnen als "geesten van de duivelen" tekenen doen en die zullen wel weten tot stand te brengen, dat de koningen op aarde overreed worden tot hetgeen de oude slang in haar raad heeft bedacht. De veldtocht, waartoe het komt, is dan het water als een stroom, dat in Hoofdstuk 12:15 de slang de vrouw achterna uit haar mond spuwt, opdat zij verdrinkt. Maar de grote dag van God de Almachtige, waarop de koningen zonder te weten en te willen zich laten vergaderen (Joël 3:6 vv. Ezechiel 38:4, 16), zal nu ook in zijn invloed op de landen in Europa die grote aardbeving teweegbrengen, tengevolge waarvan het tiende deel van de stad valt en zeven duizend namen van mensen gedood worden, de anderen echter verschrikken en de God van de hemel de eer geven. Niet alleen zal de Protestantse kerk uit haar diepe nederlaag worden opgericht, die de reus van de anti-christelijken tijdgeest haar heeft aangebracht, maar ook het staatkundige leven zal een gezegende regeneratie ondergaan, waarvoor in deze tijd, ondanks alle gebeden en inspanningen van de gelovigen en vromen, die de afgrond voor ogen zien, waarin de sinds langer dan een vierde eeuw ingeslagen richting leidt, nog in geen mensenleven enig uitzicht bestaat. Toch mag men regeneratie niet met reactie en restitutie niet met repristinatie verwarren: wat geweest is komt in die vorm niet terug, maar wat goed en recht is in de gedachte van een volksvertegenwoordiging in de staat en vertegenwoordiging van de gemeente en van de Kerk, dat zal eens niet meer door de geesten van revolutie en oppositie, van ongeloof en goddeloosheid misbruikt worden, om zichzelf op de troon van de majesteiten en autoriteiten te plaatsen, het zal integendeel een hervorming overeenkomstig zijn aard verkrijgen. Wat nu de drie onreine geesten, aan vorsen gelijk, aangaat, die Johannes uit de mond van de draak enz. ziet voortkomen, het is in het algemeen niet moeilijk het gezicht te verklaren. Wij kunnen ons dan ook geheel aansluiten aan de volgende uiteenzetting van een andere uitlegger. "Onreine geesten heten in het Nieuwe Testament (Mattheus 10:1, 12:43 Markus 1:27, 5:8; 9:25 Lukas 4:33 enz.) zodanige demonen, die van het lichamelijk-psychische organisme van een mens bezit hebben genomen, die dus de mens bezeten maken, zijn ziel van haar heerschappij over het organisme en het zenuwleven beroven 1Sa 16:14. Omdat nu die geesten eveneens onreine heten, moet hun werking op de mensen op ethisch-geestelijk gebied gelijk zijn aan de werking, die de demonen op ethisch-geestelijk gebied op de bezetenen uitoefenden; zij moeten de mensen als bezeten maken, hen met dronkenschap en bedwelming vervullen, zodat zij zichzelf niet meer meester zijn, maar door de demonische macht gedreven en voortgesleept worden. Als vorsen stellen zich deze onreine geesten voor. De vors komt in de bijbelse symboliek overigens niet voor, maar welke betekenis dit zinnebeeld heeft, ligt evenwel voor de hand en is duidelijk uit de natuurlijke gesteldheid van de vors. Men moet niet bij enkele trekken blijven staan, maar alle trekken van de vorsennatuur bij elkaar nemen, omdat deze juist in haar vereniging eerst datgene uitdrukken, wat hier zinnebeeldig moet worden uitgedrukt. In slijk geboren, in slijk levende, uit het slijk zich opheffend, klein, machteloos, ellendig, erbarmelijk, maar een luid, ver klinkend geschreeuw makend, en zich dik opblazende, daarbij afzichtelijk en afkeerwekkend, dat zijn in de vors zo zeldzaam verbonden trekken, die hem zo bijzonder tot een fabelachtig dier, maar juist daarom ook tot het zinnebeeld zoals hier vereist wordt, geschikt maken. Hij, die van deze drie vorsen, of van een van die bezeten is, zal de geest en de manier van een onbehagelijke, inwendig lege, lage, nietswaardige maar grootsprekende, hoogmoedige, opgeblazen schreeuwer hebben en door dit zijn geschreeuw weer de Godverlatende menigte bezeten maken en met dezelfde geest vervullen. " Moeilijk is het, de drie geesten in het bijzonder te verklaren; wij zouden echter zeker niet mistasten, als wij aan drie maximen of grondstellingen denken, die door de woordvoerders van die tijd, waarin het in Vers 12 voorspelde plaats heeft, op de voorgrond worden geplaatst en met veel pathos worden ontwikkeld om de volstrekte noodzakelijkheid van een veldtocht naar het Oosten aan te wijzen. Zij zelf, die woordvoerders, hebben geen inwendige waarde en waarachtige ernst; maar een duivelse betovering geeft hun in de ogen van de menigte, die geen oordeel heeft, de schijn, alsof zij wezens waren van gans bijzondere aard en als zij een voorstel doen, dan is daaraan meteen de majesteit verzekerd en de pers ondersteunt hen met zo'n nadruk, dat de openbare mening snel gewonnen is, waarmee de regerende machten dan moeten rekenen. Wellicht hebben wij ook recht, als wij de drie hoofdredenen van de tot die besproken veldtocht, die in staatkundig opzicht nog andere doeleinden zal najagen, in godsdienstig opzicht maar toch hoofdzakelijk erop doelt, om het Christelijk geworden Israël, dat zich onder de scepter van de Davidszoon begeeft, van het terugkeren in zijn vaderland af te houden, nader op deze wijze voorstellen: 1) van het standpunt van het ongeloof en van de godsdienstloosheid, wordt gezegd, dat de Joodse godsdienst, zoals die in het reform-Jodendom haar uitdrukking heeft gevonden, minstens even goed is als de Christelijke, ja dat deze na vele trappen van ontwikkeling aan die zijde is gaan staan een zo sterke reactie dus als de bekering van Israël tot Christus, reeds om die terugwerking op de verlaten Kerk, die dan gemakkelijk weer van haar dood tot een nieuw leven zou kunnen ontwaken, niet mag worden geduld dat is de onreine geest uit de mond van de draak. 2) Van het standpunt van de politiek en staatsmanschap zal worden beweerd, dat de landen van Europa de Joden met hun schatten en leningen, met hun geestelijke talenten en commerciële bekwaamheden, nadat men ze genationaliseerd en gelijke rechten gegeven heeft met alle Christenen en kinderen van het land, uit het staatsverband niet kunnen laten gaan zonder zich de grootste schade aan te doen. Het meest zal dat land zich voor deze grondstelling interesseren, dat in de laatste drie tientallen van jaren zozeer de hulp van de bankiershuizen nodig had dat is de onreine geest uit de mond van het dier. 3) Eindelijk van het standpunt van die Kerk, die dan weer haar gewicht in de weegschaal kan werpen, zal worden beweerd, dat wat niet tot haar overgaat en zich niet onder haar opperhoofd stelt, ook niet zalig kan worden een wederoprichting van Israël met voorbijgaan van haar aanspraken op het alleen geldende van de machten, die haar belijden, volstrekt verhinderd moet worden dat is de onreine geest uit de mond van de valse profeet. Eindelijk zeggen wij wellicht ook niet te veel, als wij deze geschiedenis van de toekomst ons verder voorstellen, dat, nadat de drie grondstellingen alle partijen tot een besluit hebben verenigd en dat de landen van Europa hun krijgslegers naar het Oosten hebben gezonden, deze bij Ptolemaïs, evenals eertijds Farao Necho, de Koning van Egypte (2 Koningen 23:29) landen en van daar heentrekken naar de vlakte bij Megiddo; maar snel zullen de grootmachten van hun legers ondervinden, tegen wie zij eigenlijk strijden en wat een dag hun door de Almachtige bereid is.
De drie geesten, die uit de mond van deze helse drie-eenheid uitgaan, zijn onreine geesten, de vorsen gelijk. Niet zonder reden maakt de ziener uitdrukkelijk melding van de mond van de draak, van de antichrist en van de valse profeet, waaruit de drie onreine kikvors-geesten voortkomen. De mond van de draak is de mond van dat sprekende beeld, dat standbeeld van de antichrists, waaraan de pseudo-profeet door zijn toverkunst een geest geeft, zodat de boze op zijn bevel uit het beeld, als uit een orakel van de duivel, spreekt (13:15). De mond van het beest is de mond van de Antichrist, die, insgelijks door de duivel bezield, vreselijke lastertaal en menig vonnis zal uitspreken (Daniël 11:36). De mond van de pseudo-profeet is de mond van de persoonlijke valse profeet, waaruit toverwoorden en leugenachtige voorspellingen zullen uitgaan. Bij wijze van visioen zag Johannes elk van deze drie een onreine geest uitademen, aan een vors gelijk. De vors, door de veranderingen, die hij bij zijn levensaanvang ondergaat, ook een zinnebeeld van de toverij, is door het walgelijk ei, waaruit hij geboren wordt, door zijn wijze van leven in poelen en moerassen, door zijn tot barsten toe opgezwollen lichaam en door zijn gekwaak een zinnebeeld van de onreinheid en opgeblazenheid. Deze geesten zijn geesten van de demonen, zo duivelen, die wonderen en tekenen doen. Laat zich iets meer verlagend denken dan wanneer een onsterfelijke, voor Gods lichtwereld geschapen geest, met een onreine vors in een slijkerige poel vergeleken wordt? Deze duivelen verrichten tekenen door de valse profeet en zijn medegenoten (13:13), om alle natiën van de aardkreits tot het antichristendom te verlokken. Hier treedt Paulus' voorspelling aangaande veelvermogende dwalingen in vervulling (2 Thessalonicenzen 2:9): "Wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht en tekenen en wonderen van de leugens. " Door deze geesten zal de satan onzichtbaar alle volken op de hele aarde, in alle werelddelen ophitsen, zodat zij optrekken en in Europa zich onder de standaard van de antichrist voegen, om het Christendom te vernietigen en de strijd met Christus aan te binden, tegen wie de duivel, die hen verblindt en verdwaast, hen aanvoert.
De duivel is de overste, die het beest op de troon geholpen had en zijn heerschappij ondersteunt en die het beest, van de troon geschopt, weer daarop probeert te helpen; het beest, de plaatsbekleder van de duivel, onder twee gedaanten, als burgerlijk en kerkelijk, zou ook graag daarop zijn en weer heersen; en als de valse profeet, zocht hij zijn omvergeworpen afgoden-altaren weer op te richten; daartoe zien zij geen raad dan om een groot leger te vergaderen en met macht van wapenen de troon weer terug te krijgen; maar zij zagen daartoe geen waarschijnlijkheid dan door gezanten een verbintenis te maken met het overblijfsel van de Turk, van de pausen broeder en met allerlei slag van de vijanden van de Kerk. Uit zulke monden zulke uitbraaksels, zijn gezanten, zijn vuile, onreine, hatelijke en afschuwelijke beesten, de kardinalen, gezanten, monniken en inzonderheid de Jezuieten, door de geest van de duivel onderwezen en bestuurd. Dezen werden uitgezonden tot de koningen en oversten van de wereld; zij slopen in hun kamers, kropen op hun bedsteden en vervoegden zich aan hun tafelen, zoals de kikvorsen bij Farao; zij namen hun harten in door wonderlijke vertoningen en betoveringen en hitsten hen op om met hen aan te spannen tegen de Kerk van God en zo tegen God zelf, wiens hand daarin was, om hen te vergaderen en hen te samen te verdelgen, evenals de Heere aan Farao gedaan had.
Die geesten van de duivelen zijn de vorsen gelijk, zoals Egypte plaagden, die het vuile slijk en poelen beminnen en voor de mensen zeer walgelijk zijn. Men verstaat er door ijdele mensen, die veinzen de Heilige Geest te hebben, maar door onreine geesten gedreven worden. Zij komen drie in getal voor als komende van de draak, het beest en de valse profeet. Anderen noemen hier drieërlei wijze van werken of drie voorname orden: Dominicanen, Franciscanen en Jezuieten of bisschoppen, monniken en Jezuieten, waarbij men de naam "geesten" doet zien op "geestelijke vaders". In elk geval hier is de list en naarstigheid van het beest, zorgvuldig zoekende de gunst en hulp van de machtigen van deze wereld tegen de dag van het kwaad.
Er is een overgrote gelijkheid tussen deze vorsen en de verleidende monniken, de slaven van het beest en die in de laatste tijd zijn opgekomen, ik bedoel de aanhangers van Loyola, want ik kan van mijzelf niet verkrijgen, dat ik ze Jezuieten zou noemen om de Heere Jezus niet te verongelijken.
In hun leefwijze zijn ze vuil en walgelijk als vorsen, zich ophoudend in de moerassen. Zij zijn drie in getal. Toen de zaak van Christus in de laagte was, had Hij maar twee getuigen, maar de antichrist heeft er drie, dus meer, die hem tot het einde volgen en bijstaan, dan Christus gehad heeft; zo vasthoudend en standvastig zijn de mensen in het kwade boven het goede.