6. En de vrouw, die nu door de draak was nagezet, omdat hij haar Zoon niet meer kon grijpen, vluchtte in de woestijn, waar zij een plaats had, haar door God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden a) duizend tweehonderd en zestig profetische dagen of 1260 gewone jaren Re 10:7.
a) Openbaring 1:3
De bijvoeging "mannelijke" in vs, 4 komt op het eerst gezicht geheel overbodig voor, maar karakteriseert degene, die "ontvangen is door de Heilige Geest, geboren uit de maagd "Maria" in Zijn wezenlijk onderscheid van alle andere mensenzonen. Alleen Hij kan in de eigenlijke, volle zin van het woord op het predikaat "mannelijk" aanspraak maken; want Hij is wel uit een vrouw geboren en geworden onder de wet, Hij is de eigenlijke vrucht van de Oud-Testamentische gemeente van God en daarom ook onder haar bepalingen gesteld; maar Hij is daarbij Gods Zoon en staat als zodanig tegenover de gemeente als de man tegenover de vrouw (vgl. Johannes 2:4. 1 Corinthiërs 11:7 ; Hij is als diegene, die het leven heeft in Zichzelf, de bruidegom, die Zich met Israël in geloof wil verenigen (Hosea 2:19 v. Johannes 3:29), alle mensenzonen daarentegen zijn ten opzichte van het leven uit God tegenover Hem slechts als vrouwen, niets dan mensenzielen, tot ontvangen bestemd. Wat vervolgens in de tweede helft van het 5de vers wordt gezegd: "en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon", is met het oog op de tweede helft van het voorgaande vers "de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben", de levensgeschiedenis van Jezus Christus, beschouwd met een oog, dat de verborgen achtergrond achter de geschiedkundige feiten ziet. Dadelijk na Zijn geboorte begon reeds het vervolgen van satan door het moordplan van Herodes. De draak rustte niet van de verzoeking in de woestijn af tot aan de kruisiging (Lukas 4:13) en als het nu ten slotte scheen, alsof hem zijn voornemen van verslinden werkelijk gelukt was, zo was het toch inderdaad niet aldus (vgl. Johannes 14:30 v.); op de kruisdood volgde de opstanding en hemelvaart; de Heere werd langs die weg weggenomen tot God en Zijn troon (Johannes 17:4 v. Lukas 9:51, 24:26). Wat nu bij hem de wegneming in de hemel is, namelijk de snelle verberging en het in veiligheid brengen van een kostbaar en geliefd goed voor de gevaren, die hem dreigen, dat is bij "de vrouw" die door de draak wordt vervolgd, de vlucht in de woestijn, waarvan in het 6de vers gesproken wordt: zij moet daar bewaard worden en voor hetgeen Gods raadsbesluit voor de toekomst inhoudt, in het leven worden bewaard. Wij kunnen zonder bedenking bij de vroegere opvatting, volgens welke onder de vrouw het eigenlijke Israël, het lichamelijke zaad van Abraham moet worden verstaan, blijven ja, wij zijn zelfs genoodzaakt deze opvatting vast te houden, omdat de 1260 dagen, waarop de tijd van de voeding van de vrouw wordt bepaald, duidelijk in betrekking staan, aan de ene zijde tot de 42 maanden, gedurende welke volgens Hoofdstuk 11:2 de heilige stad door de heidenen vertreden is en aan de andere zijde met de 1260 dagen, gedurende welke volgens Hoofdstuk 11:3, de twee getuigen hun roeping volbrengen. Wat het eerste aangaat, daarover hebben wij het volgende te overwegen. Terwijl de draak met zijn staart het derde deel van de sterren achter zich wegtrok en ze op aarde wierp, terwijl hij bij de machthebbenden en toongevers in Israël een toestand van het hart teweegbracht, zoals die met zijn bedoelingen overeenkwam en ook de grote massa van het volk tot stompzinnigheid en wereldsgezindheid medesleepte, waarvan de verwerping en uitroeiing van Christus het onvermijdelijk gevolg was, toen scheen hij niet alleen het kind van de vrouw, maar ook de vrouw zelf, die het gebaard had, verslonden te hebben. Israël had zijn roeping in de geschiedenis van het Godsrijk verzondigd; het had Gods gericht over zich teweeggebracht en wel zo'n oordeel, dat het eigenlijk voor altijd had moeten verworpen en vernietigd worden, zoals ons deze gedachte reeds in Hoofdstuk 6:9, voorkwam. Evenals nu echter bij Christus de schijnbare uitroeiing door de kruisdood slechts dient, om Hem de weg tot de troon van God te banen, zo ook het oordeel over Jeruzalem en de Joden als de heilige stad met de tempel en het volk gevankelijk gevoerd onder alle volken, in Gods hand tot een middel, om Israël in zijn idealiteit d. i. het verbondsvolk van het Oude Testament, dat nog bekeerd en tot heerlijkheid geleid moet worden, voor deze toekomst te bewaren. Het ontvluchten van de vrouw in de woestijn is dus Israël's verstrooiing onder alle volken van de aarde, zijn tegenwoordige ballingschap (Hosea 2:14). Het leeft meestal onder Christelijke volken, door Christelijke invloeden onaangeroerd en door zijn verbintenis met Christenen bestendig gedrongen Jezus van Nazareth, die het verworpen en gekruisigd leeft even zo gedachtig te blijven, als aan de gegeven belofte en uit de gruwel en de verachting, die het ondanks allen voortgang van beschaving en aller groei in macht en betekenis toch bij de Christenen vindt, de schaduw van zijn verhouding tot Christus op te merken, dat is de voeding in geestelijke zin. En hoe vaak nu ook beproefd is Israël met wortel en tak uit te roeien, toch heeft het altijd nauwlettend zijn bestaan bewaard en hoe het ook in onze tijd gelijke rechten en voorrechten, zeden en gewoonten verkregen heeft met hen, onder wie het leeft, toch kan het in die niet opgaan, het blijft ook op maatschappelijk en staatkundig gebied een bijzonder volk niet een nationaliteit en bijzondere individualiteit. Het wandelt, zoals dit in Ezechiel 20:32, zo opmerkelijk wordt uitgesproken, midden onder de volken toch in een woestijn dat is de voeding in fysische zin op de plaats, die God heeft bereid. Intussen voelen wij wel, dat met deze verklaring de inhoud van ons 6de vers nog niet is uitgeput. Zij laat een leemte in zoverre als Israël gedurende dezen hele tijd van zijn verstrooiing onder de volken slechts ideaal, zoals wij zeiden, alleen als het volk van God, dat in de toekomst bekeerd en verheerlijkt zal worden, nog de vrouw is, waarover het hoofdstuk handelt, in zijn werkelijkheid daarentegen, d. i. in zijn verstoktheid die tegenwoordig op hen ligt, in het zo weinig meer de vrouw met de zon bekleed, die de maan onder haar voeten heeft en een diadeem van twaalf sterren boven haar hoofd, dat integendeel, zoals Hoofdstuk 6:12 v. zon voor haar zwart is geworden en de maan als bloed en de sterren van de hemel op de aarde zijn gevallen. Nu mag zeker de vrouw met de zon nooit een rustend, zuiver ideaal begrip zijn. Het mag niet alleen zijn verleden en zijn toekomst, het moet ook zijn bestendig heden en een onafgebroken voortgaand bestaan hebben. Maar juist daarom komt bij dat eerste van de 1260 dagen, waarvan wij vroeger spraken, nog een tweede, namelijk de 1260 dagen van de twee getuigen. En nu is de roeping, die aan deze twee getuigen wordt gegeven, om te voorspellen en de twee olijfbomen en twee fakkels te zijn, staande voor de God van de aarde (Hoofdstuk 11:3), het middel, waardoor de leemte tussen het verleden en de toekomst van Israël aangevuld wordt en het onafgebroken voortgaande bestaan van de vrouw met de Zon wordt hersteld. Met andere woorden: is ook het rijk van God van de Joden weggenomen, dan is het toch niet van de aarde verdwenen, maar intussen de heidenen gegeven, totdat het aan Israël kan worden teruggegeven. En zijn ook de natuurlijke takken van de olijfboom afgebroken, toch staat deze niet als een kale stam, zonder tak, bladeren en vruchten, maar van de wilde olijfboom zijn takken ingeënt en hebben hem door hun groei een nieuwe kroon verschaft, zodat hij groen wordt, bloeit en vrucht draagt. Het heden van de vrouw is dus, als men van het ideale afziet en de werkelijkheid beschouwt, de gemeente, die uit de heidenen is geroepen en tot de heilige Christelijke Kerk vergaderd. Toch komt aan deze geen onvoorwaardelijke zelfstandigheid toe, dat zij, zoals zo vaak geschiedt, zich tegen de natuurlijke takken, die afgebroken worden, zou mogen beroemen, maar zij is slechts Israël's plaatsbekleedster en draagster van zijn roeping voor het verlossingswerk; en evenals nu in Hoofdstuk 11:11 de bekering en wederaanneming van Israël zonder meer onder het beeld van een weer levend maken van de getuigen van de Kerk kon worden voorgesteld, kan hier het in de Kerk voortlevende getuigen van Israël in Hoofdstuk 11:3, ook voor het voeden van de vrouw op de haar door God in de woestijn bereide plaats gelden. "Het is een vlucht, schrijft Auberlen, waardoor de vrouw in de woestijn komt; " het "van waar" kan ons ook een wenk voor het "waarheen" geven. Zij vlucht voor de vervolgingen van de duivel, die haar door de Joden worden bereid, waarheen zal zij dan vluchten? Waarheen is zij snel na Christus hemelvaart gevlucht? Van de Joden tot de Heidenen; daar is haar van God een plaats bereid tot verzorging en verberging. De woestijn zou dus het land van de Heidenen zijn en de vlucht van de vrouw in de woestijn niet anders dan de wegneming van het rijk van God van de Joden en zijn verplaatsing onder de Heidenen. Intussen mogen wij bij deze algemene waarheid nog niet blijven staan. In de gezichten van het 8ste en 9de Hoofdstuk is ons gebleken, dat de wereld van de oude Grieken en Romeinen, waarin de Kerk eerst haar tente opsloeg, eigenlijk nog niet de door God voor de vrouw bereide plaats was, om daar te worden gevoed. Wel heeft het gebied van het Romeinse rijk gedurende vijf eeuwen verblijf gegeven, opdat zij bewaard zou blijven, maar tot werkelijk herbergen, tot vast domicilieren is het daar met haar nog niet gekomen. Nog altijd bevond zij zich op de vlucht voor de draak, die haar vervolgde, waaraan het dan ook ten slotte gelukte grote streken land, die Christelijk waren geworden, voor de Islam te veroveren en het zaaisel van de Kerk in de volksverhuizing te vertreden. Zo weinig heeft de vrouw in de oosterse Kerk haar werkelijk, voortdurend voedsel gevonden, dat deze integendeel ten slotte in een geheel verminkte en ziekelijke toestand is gekomen en dus de vrouw haar weg verder moest trekken. Met de Romeinse wereld, uit de oude plaatsen van de beschaving van het Christendom verdrongen, vindt zij eerst aan de grenzen van deze, onder de volken, die nog onbeschaafd zijn, of nog in de beginselen van de beschaving, van Germaanse en Slavische afkomst, vaste opname en voortdurende verzorging, om met nieuwe, verse krachten een werkelijk nieuwe wereld te vormen en het woord over de Heidenen, die aan het rijk van God hun vruchten brengen (Mattheus 21:43) in een mate te vervullen, die met de mening van de Heere overeenkomt. Wij hebben boven in Hoofdstuk 11:1 v. de tijd van de Heidenen, die op 1260 gerekend is, geteld van het jaar 637 na Christus en dus de voorafgaande 5 eeuwen sinds Jeruzalems verwoesting niet verder in rekening gebracht. Zeker was toen reeds het rijk van God van de Joden genomen en de Heidenen gegeven, maar wat sinds die termijn is geschied, valt evenzeer, als 1260 meer dan het dubbele van 600 jaren zijn, met meer dan dubbel gewicht in de weegschaal en komt bij de apocalyptische tijdrekening alleen in aanmerking.
De woestijn is het zinnebeeld van veiligheid en zekerheid, maar ook van nood en armoede. Daaruit laten zich de kommerlijke omstandigheden van de gemeente, ook de aard van haar veiligheid en zekerheid opmaken. Midden in de geestelijke woestijn van de uitwendige Kerk konden de waarachtige aanbidders God in stilheid dienen. Door de woestijn kan men ook werkelijk afgelegen en eenzame oorden verstaan. Zo waren de Waldenzen ook eeuwen lang voor de Hervorming in de stille dalen van de Cottische Alpen verborgen en konden zij zelfs het Apostolisch Christendom in Italië herstellen en belijden en als kooplieden aan de Rijn vertoeven. In deze woestijn wordt de vrouw 1260 dagen lang gevoed, juist zolang als de twee getuigen; zij voeden haar met het levensbrood van het zuivere Evangelie, in weerwil van de instellingen van het Pausdom, waardoor het woord van God de gelovigen onthouden wordt. In de eerste eeuwen van de 1260 jaren treffen wij als onderhouders van de vrouw aan de zendboden van Gregorius I tot de Angel-saksers; verder de Duitse Apostelen Gallus, Bonifacius en hun medegenoten en opvolgers; in de latere eeuwen waren het lieden als Bernhardt van Clairvaux (1086-1156), Tauler, Wyklef, Huss en anderen. Ten tijde van de Hervormers was het Luther, de Bisschop van Filadelfia, een van de twee getuigen in engere zin, die in de kracht van Elias het zwaard van Gods woord dermate voerde, dat het rijk van de draak te Rome tot de dood toe verwond werd; verder de overige Hervormers en hun navolgers tot op de predikers van de gerechtigheid in onze dagen. De Hervorming in het laatste derde gedeelte van de 1260 jaren wordt hier niet vermeld; zij stelt een voor de twee Getuigen in hun profeteren ontzagwekkend en glansrijk tijdperk daar en wordt ook afzonderlijk Hoofdstuk 14:1-5 heerlijk voorspeld. Vooral gedurende de Middeleeuwen verkeerde de vrouw in de woestijn, evenwel in Protestantse en Katholieke landen verkeert zij nog aldaar. Eerst aan het slot van de 1260 jaar, tegen het einde van onze eeuw, wanneer de gemeente weer apostolisch wordt, is de zonnevrouw weer in de hemel.
De Gekruisigde is opgestaan en ten hemel gevaren; zo is Hij als weggerukt tot God en Zijn troon, waar Hij als het ware in veiligheid is gebracht tegen de verdere aanslagen van de bozen vijand. "Hij is", zegt Jesaja, uit de angst en uit het gericht weggenomen. hij is afgesneden uit het land van de levenden. "
Dat de Kerk van de Heere of een gedeelte van haar, toevlucht tegen de aanvallen van de boze vindt in de woestijn, is in de Godsregering niet vreemd. Toen de draak in Farao was gevaren om Israël te onderdrukken, vond het erfdeel van de Heere een wijkplaats in de woestijn van Arabië. Toen een woedende Jesabel dorstte naar het bloed van de profeten, ontkwam Elia aan haar moordaanslagen in de woestijn. Op zodanig ontkomen in de woestijnen zinspelen ook Hosea, Jeremia en Ezechiël. Onbetwistbaar is het, dat in het Oude Testament, als er van de vrouw sprake is, altijd gedoeld wordt op Israël, althans in die profetieën, die tot de aanstaande heerlijkheid van Gods rijk betrekking hebben. In deze tijd van de 7de bazuin is de Kerk veel meer uit Israël dan uit de volken. Het is dan de tijd van Jesaja 60:1, 2, dat Israël zich opmaakt en verlicht wordt door de uitstorting van de Geest (Jesaja 59:19-21 Joël 2), terwijl de vijanden van God vergelding ontvangen en duisternis de aarde bedekt en donkerheid de volken. De verlichting van Israël komt echter niet zonder barensnood. Vaker was het ware Israël in die toestand. Tijdens Hiskia en zijn voorbeeldelijke strijd tegen Babel, was ook het volk in barensnood; het moest door een nieuwe geboorte komen tot de kracht om Babel te overwinnen, maar kwam er niet toe. Klagend riep de vrome vorst uit: de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, maar er is geen kracht om te baren (2 Koningen 19:3). God kwam tijdelijk door een wonder te hulp, maar later viel Israël toch in handen van Babel. Voor en na die tijd was er menigmaal barenssmart, maar zonder vrucht. Merkwaardig is in dit opzicht Jesaja 26:17, 18 : "Gelijk een bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft en schreeuwt in haar weeën, zo zijn wij geweest, o Heere! vanwege Uw aangericht. Wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan en de inwoners van de wereld vielen niet voor ons (als de bestemde koningen en priesters) neer. " Maar deze tijd van onvruchtbare barensweeën zou niet altijd duren. Er zou een andere tijd komen, Gods uitverkorenen zullen niet tevergeefs arbeiden noch baren ter verstoring (Jesaja 65:22, 23). "Eer zij barensnood had heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost. Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijk gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enige dag? Zou een volk geboren kunnen worden op een enige reis? Maar Zion heeft weeën gekregen en zij heeft haar zonen gebaard. Zou Ik de baarmoeder openbreken en niet genereren! zegt de Heere; zou Ik, die genereer, voortaan toesluiten? zegt uw God. " (Jesaja 66:7-9). En dat deze geboorte van Gods volk met zegen over Jeruzalem, gepaard gaat met de verzameling van de verstrooide Joden in hun land onder veel liefdebetoon van heidenen en als tegenover geweldige vijanden, waaronder de Heere met vuur en met Zijn zwaard rechten zal, staat in hetzelfde hoofdstuk van Jesaja Mij dunkt, wij hebben hier in Openbaring 2 en Jesaja 66 met dezelfde gebeurtenis te doen; de geboorte van een volk van God in het aangezicht van de vijanden, onder de benaming van een knechtje of mannelijke zoon. Maar in de Openbaring taat, dat de draak deze geboorte bedreigt. Om haar te verhinderen, tracht hij de sterren (leraren of overheden) te doen vallen en dit lukt hem bij een derde gedeelte door zijn staart (valse profeet, valse leer, zie Jesaja 9:14). God komt echter tussenbeide en rukt het kind weg, tot Zich en Zijn troon. Ook deze redding is voorspeld (Jesaja 49:24-25): "Zou ook een machtige de vang ontnomen worden? Of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen? maar zo zegt de Heere: "Ja, de gevangenen van de machtigen zullen hem ontnomen worden en de vang van de tiran zal ontkomen, want met uw twisters zal Ik twisten en uw kinderen zal Ik verlossen. En Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van zoete wijn en alle vlees zal gewaar gorden, dat ik de Heere uw Heiland ben en uw Verlosser, de Machtige Jakob. " Deze verlossing van Gods volk en de verdelging van de vijanden geschiedde echter niet op hetzelfde tijdstip; er liggen daar tussen nog andere gebeurtenissen. Nu blijkt het zeer klaar uit Jesaja 66:8, dat Zion en haar zonen twee uitdrukkingen zijn voor de Israëlitische natie. Is dit onweersprekelijk, dan zijn de vrouw en haar mannelijke zoon in Openbaring 2 ook twee uitdrukkingen om Gods volk aan te duiden. Als wedergeboren kern is de vrouw haar kind en als vrouw het uitwendige zedelijke lichaam.
Zij vlucht voor de vervolgingen van Herodes en in het algemeen ook voor de Joden. Waarheen zal zij nu vluchten? Waarheen is zij snel na Christus' hemelvaart gevlucht? Immers van de Joden tot de heidenen. Daarom ontvangt Christus hier de Hem ook overigens toekomende toenaam "dat Hij alle heidenen hoeden zal met een ijzeren scepter. " (Openbaring 12:5; 2:27; 19:5 Psalm 2:9). Sinds Zijn hemelvaart is Hem het heidendom tot een bijzonderen werkkring geopend; onder de heidenen vlucht Zijn van de Joden vervolgde gemeente van Handelingen 8:1 af, daar heeft God haar een plaats en voeding bereid (Openbaring 2:6-14). Wanneer gezegd wordt, dat de vrouw in de woestijn een plaats had, haar door God bereid, blijkt hieruit, dat aanvankelijk slechts een bestemd gedeelte van de heidenwereld tot opname van de gemeente is gesteld. Welke plaats dit zij, kunnen wij, door Daniël's profetie geleid, reeds vermoeden en ervaren het uit het verdere beloop van de Openbaring. Het is het vierde wereldrijk, dat in het tegenwoordige Babel, in Rome, zich vestigde, een hoogst opmerkelijke opheldering voor deze verplaatsing van de Kerk van Jeruzalem naar Rome schenkt ons de Handelingen van de Apostelen. De apostel Paulus beoogde haar reeds in al zijn werkzaamheden en drukt het uit in zijn brief aan de Romeinen, aan wie hij betuigde "steeds voor hen biddende te zijn en het verlangen van zijn ziel, om hen te enige tijd te zien en hun enige geestelijke gaven mee te delen en onder hen vertroost te worden. " (Romeinen 1:9-12). Paulus zocht ook persoonlijk in de Romeinse rijks- en rechtordening bescherming.
Sommigen verstaan hierdoor, zoals ook door de volgende strijd van MICHAËL tegen de draak, Constantijn, de eerste Christelijke keizer, die voor de Christelijke Kerk na drie honderd jaren van vervolgingen, is te voorschijn gebracht en na vele oorlogen en overwinningen over de dienaars van de afgoden en van de draken, het Roomse rijk eindelijk onder het gebied van de Christenen heeft gebracht en de Christelijke Kerk boven alle anderen heeft verheerlijkt en tot aan de hemel verheven. Deze verklaring is zeer oud; Constantijn voerde daarom zelf dit gezicht in zijn wapen, nadat hij Maxentius, Licinius en andere vijanden en vervolgers van de Christenen met hun legers had overwonnen en de afgodendienst uit het Roomse rijk had geweerd. Maar zo hier van dit mannelijk kind en hier namaals van deze MICHAËL en de Draak vele dingen worden gezegd, die zeer bezwaarlijk alleen op Constantijn en de zijnen konden geduid worden, zo is het wel zo gevoeglijk, dat dit ook van Christus zelf wordt genomen en van Zijn geestelijke geboorte door de hele wereld, in het hart en in de belijdenis van de gelovige, door de dienst van de Kerk, zoals op het tweede Hoofdstuk is aangewezen, tegen welken Christus; en Zijn geestelijke geboorte de satan zich met alle geweld en listigheid heeft gesteld, zowel door de vervolgingen van de Joden en van de heidenen, als door verscheidene godslasterlijke ketterijen, die hij tegen de persoon en de voldoening van Christus onder de Christenen heeft verwekt. Hoewel Christus, die nu ter rechterhand van God zit als het hoofd van de uitverkorenen, altijd de overhand heeft behouden en in Zijn troon altijd gebleven is.
De Kerk in smart zwanger zijnde en zeer verlangend, dat de Heere haar verlossing wilde geven en dat er iemand mocht komen, die dat grote werk bij de hand nam en daarom als in barensnood tot God riep. Ziedaar, zij wordt verhoord, zij baart een zoon; niet alleen van het mannelijk geslacht, maar ook een mannelijke zoon, een dapper held. Constantijn wordt bekeerd van het heidendom tot het Christendom en belijdt Jezus niet alleen de Zaligmaker te zijn, maar verdedigt de Kerk met al zijn macht, verslaat Maxentius, overwint Licinius, verdrijft de heidense afgoderij, sluit hun tempels en werpt ze neer. Hij stelt de Christenen in burgerlijke en militaire bedieningen, doet de Christenen kerken bouwen om openlijk samen te komen tot de godsdienst, houdt synoden en brengt de Kerk uitwendig in een gewenste staat, hij hoedt de heidenen met een ijzeren roede. Dit komt de Heere Jezus, als Heer van Zijn kerk toe, tot wier nut Hij alle macht had ontvangen; deze macht voert Hij uit door Zijn kerk, zoals haar beloofd wordt, dat zij de heidenen zou hoeden met een ijzeren staf (Openbaring : 26-27). Constantijn, een lid van de Kerk, ontving macht en last om de heidenen tot het Christendom te brengen en om de tegenstanders met een ijzeren roede als pottenbakkers vaten te morzel te slaan en te straffen. Of de draak op hem toeleide om hem te verslinden. God neemt hem in Zijn macht en bescherming. Hij rukt hem uit zijn geweld tot Zich en tot Zijn troon, dat is, in een aller veiligste en in de allerheerlijkste staat.
Christus is een Zoon, een mannelijke Zoon, in Zijn menselijke natuur, dat hier niet zonder reden is bijgevoegd, ter aanduiding van Zijn inwendige grote kracht door de inwonende Heilige Geest, hoewel anders zwak naar het vlees. De heidenen zijn de vijanden van Zijn koninkrijk, die Hij zou hoeden (Psalm 2:9 Openbaring :27) met ijzeren scepter, een zinnebeeld, hoe Zijn gebied krachtig zou zijn over de overwonnen vijand. Had Christus altijd Zijn vijand bedwongen, Hij zou dat te meer doen en openbaarder doen blijken na Zijn geboorte, vooral in de voortgang van het Nieuwe Testament en in het einde van de eeuw (Psalm 110:1-6 Jesaja 53:12 Daniël 2:44). Het wegrukken van het kind zinspeelt op het onttrekken van Joas aan de woede van Athalia, of van Mozes aan die van Farao, zodat hij tot God in de hoogste waardigheid in Israël werd opgevoerd. Het beeldt Christus af, die na het ondergaan van veel strijd, de heerlijkheid van de hemel ingaat. Het wordt een "wegrukken" genoemd, omdat het schielijk geschiedt buiten verwachting van Zijn discipelen en buiten alle gedachten van de vijanden, die zich door het doden van Hem de overwinning inbeeldden.
Als Christus ten hemel gevaren was, zijn de apostelen uit de Joden tot de heidenen geweken en bovendien, de Joden hebben de Kerk uit hun landpalen verdreven, zodat zij gedwongen geweest is tot de heidenen te vluchten. Daar heeft de Heere Zijn gemeente een plaats bereid en de gemeente heeft ook onder de heidenen een grote groei gehad en dat door Zijn genade, niet door enige menselijke verdiensten. Zo wordt ons dan hier geleerd, dat de draak altijd dapper tegen de gemeente zal strijden, zodat zij ook gedwongen zal worden te vlieden; maar hoezeer hij ook tegen de gemeente zal strijden, zal nochtans de Heere haar een plaats op de aarde bereiden, waar zij onderhouden zal worden. Hij zal haar ook altijd herders geven, die haar zullen spijzigen. De Heere wil ons behoeden. Amen.
Vitringa, die in de zoon van de vrouw, Constantijn als zoon van de kerk ziet, zegt van Vers 6 dat dit gezegd wordt, bij wijze van prolepsis of voorverhaal, zoals blijkt uit Vers 14 Johannes, die voor een korte tijd het verhaal van de vrouw wil afbreken, wilde in het voorbijgaan met weinige woorden zijn lezers zeggen, wat er daarna aan de vrouw geschieden zou. Zo ook Durham, die zegt: "door vluchten wordt geen plaatselijke verandering van de Kerk verstaan, maar dat zij van nu aan van haar vroegere schoonheid vervallen is. Omdat er vroeger te Rome en op andere plaatsen heerlijke kerken zijn geweest, en haar bisschoppen martelaren waren, zoals allen te Rome voor de tijden van Silvester en Constantijn, dit nu bij trappen door trotsheid, pracht, geveinsdheid, heidense en antichristische optooisels verdorven en bedekt wordt, zodat het klein getal, dat de ware Kerk bleef zijn, in een verborgen hoek van de tempel wordt opgesloten (Hoofdstuk 11:1), terwijl de grote menigte de buitenste voorhof in bezit heeft.
EPISTEL OP ST. MICHAËL-DAG: (Vers 7-12 a)
"Uit 18:1"