18. Hier, waar van zo'n teken sprake is, dat ook in een getal kan bestaan en dat men voor een adiaphoronor onverschillig iets zou kunnen houden, waarvan het aannemenniet veel te betekenen heeft, is de wijsheid op haar plaats, die zich niet door uitwendige schijn laat verblinden, maar tot het wezen van de zaak doordringt. Die het verstand voor goddelijke zaken heeft (
Exodus 31:3), rekent het getal van het beest, dat nu zal worden genoemd, opdat men de bijzondere verhouding tot het dier kent en zich voor het aannemen van het teken als voor een verderfelijke pest wacht (
Hoofdstuk 14:9-
11); want het is een getal van een mensen. Het staat met de Christus des Heeren volstrekt in geen verband, zoals men op bedrieglijke wijze zal voorgeven, maar karakteriseert integendeel degene die in
2 Thessalonicenzen 2:3 "de mens van de zonde" heet en zijn getal, dat het hele wezen van deze mens als van de afvalligen uitdrukt is zes honderd zes en zestig (de volgorde in de grondtekst is "zes honderd, zestig, zes.
Nadat de valse profeet ervoor gezorgd heeft, dat hij in wiens dienst hij zich gesteld heeft, na het uitroeien van het Roomse pausdom, in een zichtbare gedaante belichaamd is en de erkenning en aanbidding van deze tot algemene rijkswet is verheven, die op doodstraf streng moet worden gehouden, zorgt hij er nu ook voor, dat niemand, die evenwel deze erkenning en aanbidding weigert, zich heimelijk zou kunnen verbergen en zijn leven behouden. Volgens de wil van de Heere moet in de anti-christische tijd het zo ver komen, dat ieder, die Hem wil toebehoren en van de anti-christ niets wil weten, dit ook belijdt en zo'n belijdenis met zijn bloed moet bezegelen. Een verschoond blijven van de laatste grote verdrukking moet, behalve voor hen, wie het op bijzondere wijze en ook slechts tot op zekere hoogte is bescheiden (Hoofdstuk 12:14; 19:11), volstrekt niet mogelijk zijn. Nu heeft reeds keizer Diocletianus bij de vervolging van de Christenen, die hij beval, de laatste en zwaarste onder die, die over de oude Kerk zijn gekomen (van 303-311 na Christus), een edict uitgevaardigd, dat de heidenen verbood, aan de Christenen iets te verkopen. Evenals hierin, dat bij ieder, die het wilde verbergen dat hij een Christen was, de foltering werd toegepast, de inquisitie van de Roomse kerk, de Jezuïten tegenover de Protestanten reeds het voorbeeld van Diocletianus hebben nagevolgd, zo doen zij het ook aan het einde in het vaststellen en ten uitvoer leggen van een maatregel, zoals aan de straks genoemden. De valse profeet volvoert dus op deze plaats van de Openbaring en kunst, hem sinds lang bekend, als hij, om hen uit te vinden, die aan het dier de gevorderde eer weigeren, het aanzien van een kenteken eist, zonder hetwelk niemand mag kopen of verkopen, d. i. in het algemeen niet meer in de wereld zal kunnen bestaan, al wilde hij zich in de geheimste hoek verbergen. Evenmin, als men er nu voor terugdeinzen zou om allen, die niet aanbidden, zonder uitzondering om te brengen, al moest men het bloed ook bij stromen laten vloeien en er machines moesten worden aangewend, om de grote menigte opeens van het leven tot de dood te brengen, heeft men in menigerlei opzicht er belang bij de menigte van hen, die niet aanbidden, niet te groot te laten worden en het integendeel daartoe te leiden, dat zoveel mogelijk, al is het ook maar voor de uiterlijke schijn, door waarneming van een zekere vorm, zich tot onderwerping onder het gezag van het beest leven. De Jezuïten hebben bij hun diensten, de pauselijke stoel verleend, zich tevreden gesteld bij bijzondere omstandigheden met een nietige, de andersdenkenden niet al te zeer bezwarende vorm, als zij maar de schijn van onderwerping konden redden. Zo zullen zij, zoals onze tekst dat zeker wil doen verstaan, als een middel tot uitkomst voor degenen, die zij ondanks vuur en zwaard, ondanks marteling en vervolging, niet tot het aannemen van een kenteken kunnen brengen, dat het beeld van het dier of de naam ervan bevat, tot het getal 666 komen. Om welke redenen, dat hoeft niet onderzocht te worden in elk geval staan zij daarbij, hoewel onbewust, onder de leiding van God, die wel zal weten, hoe Hij het woord van de profetie vervuld zal krijgen. Slechts op bedekte wijze, zoals wij geloven, zal dit getal in de naam van de anti-christ liggen, in zoverre deze afstamt van de familie Bonaparte ("Re 13:2. In zoverre hij echter als Napoleon VIII regeert, kan geen verband tussen deze naam en het genoemde getal worden ontdekt; eer zou de naam, die voor de eersten, die die voerde, uitgevonden schijnt te zijn en vroeger niet bestaan schijnt te hebben, aan de engel uit de afgrond in Hoofdstuk 9:11 herinneren, die aan het hoofd van de Mohammedaanse krijgshorden stond, terwijl die kan worden opgelost in nai apolluwn (waarlijk een verderver!) zoals ook het woord apwleia (verderf Hoofdstuk 17:8. 2 Thessalonicenzen 2:3 er in ligt. Zo moet het dan toch ook zeker zijn. Voerde de antichrist een naam, waarvan de getalswaarde van zijn letters juist op 666 te berekenen was (bijv. LVDOVICVS, dat zoveel als 50 + 5 + 500 + 5 + 1 + 100 + 5 = 666 is), dan was de naam zelf reeds het getal en niet juist te begrijpen, waarom er een onderscheid gemaakt zou worden in die zin, dat het getal wel als minder bedenkelijk en gevaarlijk zou voorkomen dan de naam, maar verstandig nadenken zou teweeg brengen, dat zij als getal van het dier geheel hetzelfde is als zijn naam en evenzeer zijn wezen in zich bevat. Wij kunnen nu zeker niet als zonder twijfel en zeker voorstellen, hoe het in het vervolg met deze zaak zijn zal; maar een mogelijkheid kan toch worden berekend en die zou het volgende zijn: de valse profeet heeft, zoals vroeger gezegd is, als getal van het dier het getal 666 uitgedacht, dat is voor hem en de hele anti-christische aanhang voor het aanwijzen van de nieuwe aera. Omdat toch de antichrist zich zal vermeten tijd en wet te veranderen (Daniël 7:28), zal men ook een karakteristiek kort begrip voor die verandering moeten hebben. Het getal, zoals het in het Grieks is geschreven, is xxv (600, 60, 6); en nu zou men de belijders van Christus diets kunnen maken, dat zij dit getal zouden kunnen aannemen, zonder bedenking, omdat het niets anders is dan het verkorte xpistov (Christus), alhoewel, als het dat werkelijk was, op de tweede plaats niet x maar p zou moeten staan; maar in zulke gevallen is dit een gewone kunstgreep van de valse profeten. Nu ligt voor de belijders van Christus de verzoeking voor de hand om aan te nemen: als getal komt het teken voor als iets onverschilligs; men heeft zich niet verenigd met het beeld, niet met de naam van het dier, zoals men denkt, de aanbidding ervan afgewezen, maar zich verenigd met het getal van de nieuwe aera, dat eiste toch wel het gebod: alle ziel zij de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God en de machten, die er zijn, die Zijn door God verordend. Bovendien is het getal bepaald uitgedrukt in een vorm, waardoorn men eigenlijk Christus belijdt. Men zou hierbij altijd nog God kunnen geven, wat van God is, terwijl men de keizer geeft wat van de keizer is. Tegenover dergelijke kunsten van verleiding, waarin zich ook, als het mogelijk was, de uitverkorenen zouden kunnen laten verstrikken, wordt nu door de profetie hier het getal 666 dadelijk als dat van het dier gebrandmerkt. Slaat men de Hebreeuwse bijbel op, die met het eerste boek van Mozes begint en met het tweede boek van de Kronieken eindigt, dan bevat zowel het eerste vers (Genesis 1:1), als het laatste (2 Kron. 36:23) de letter a zes maal. Dat hebben de Joodse schriftgeleerden vanouds voor een goddelijke vingerwijzing aangezien, dat de tijd van de wereld slechts 6000 jaren zal duren en dan is het drievoudige zes een teken, dat de nieuwe aera, waarover hier wordt gehandeld, het einde is van de tijden of de tijd van de anti-christ. Men begeeft zich dus, door het aannemen van 666 onder de heerschappij van de tegenstander, die geenszins te rekenen is onder de door God verordende machten. Maar 6 is ook het symbolisch getal voor de menselijke zonde. Evenals op Vrijdag de verzoening door Christus volbracht is, zo heeft op deze zelfde dag van de week, de zesde, zonder twijfel ook de zondeval plaatsgehad en zal, wordt nu dat getal in de Heilige Schrift vaak genoeg daar gebruikt, waar de mensheid, als van God losgerukt en een anti-goddelijk zoeken van haar moet worden gesignaliseerd (in Genesis 14:16, gaat de geslachtslijn van Kaïn voort tot in het zesde lid; in Deuteronomium 20:17 zijn zes Kanaänitische volken genoemd; 1 Samuël 17:4, 7, 2 wordt ten opzichte van de twee Filistijnse reuzen, die Israël hoonden, nadrukkelijk zes als teken van hun wapens of leden genoemd; eveneens in Daniël 3:1 en 5:4 kenschetsing van het beeld in Dura en als getal heidense afgodsbeelden; in Daniël 1-6 vertoont zich tegenover alle betuigingen van God, Babels karakter, dat zich ontwikkelt tot godslasterlijk tegenstaan, in zes trappen enz.). Is nu in 666 de zes eerst vertienvoudigd (60) en dan die vertienvoudiging nogmaals vertienvoudigd, dan is dat getal onmiskenbaar, dat van de zonde van de mensen; het kwaad in zijn drievoudige gestalte, die in de geschiedenis van de mensheid mogelijk is (vgl. de verzoeking van Jezus in Mattheus 4:1-11), is nu volledig ontwikkeld: 1) het algemeen menselijke of heidense kwaad, dat met Adam is begonnen; 2) het in vergelijking daarmee toegenomen Farizese of Joodse kwaad, dat in de kruisiging van Jezus zichtbaar werd; 3) het in vergelijking met het laatste weer tienvoudig versterkte kwaad, of het kwaad dat tot het anti-christische en tot iets bepaalds duivels is voortgegaan. En inderdaad lost men 666 op in 1 + 80 + 70 + 6 + 8 + 300 + 8 + 200 en schrijft nu daarvoor de letters, die er in het Grieks mee overeenkomen, dan krijgt men het woord apostov (afvallige); neemt men 60 + 200 + 6 + 400 en schrijft men dat met Hebreeuwse getaltekens, dan krijgen wij de meervoudige vorm xzdo, die de afval van de Heere voorstelt. Nu is het een merkwaardig spel van de geschiedenis, als de poging van keizer Julianus Apostata, om Christus' woord door het weer opbouwen van de Joodse tempel onwaar te maken, in het jaar 362 na Christus valt Lu 21:24. Dit jaartal heeft in het midden een 6; uit de vermenigvuldiging van het 1ste en 3de cijfer komt ook een 6. Zeker is het de bedoeling van het woord op onze plaats, in dat 666 de belijders van Christus op een tijd, dat de anti-christ werkzaam is, een bepaald kenteken aan de hand te geven, waarmee zij te doen hebben. Mogen er ook nog zoveel stemmen van buiten en binnen zich laten horen, om aan het genoemde getal zich niet te ergeren; zij weten dat dit het getal van het dier is en met het teken van het dier op gelijke lijn staat. Daarentegen is het getal van Christus, om dit bij deze gelegenheid mee op te merken, het getal 888; de naam Jezus, met Griekse letters geschreven, doet dit zien (ihsouv = 10 + 8 + 200 + 70 + 400 + 200). Evenals de Heere op de achtste dag van de week is opgestaan van de dood, zo voltooit hij ook met het begin van het 8ste tiental eeuwen van de wereld Deze 40:47 de zaligheid door de algemene opstanding, om de eeuwige Zondag aan te brengen, die is "de nasabbath, of het jaar van de toekomstige wereld, waarin geen dood meer in eeuwigheid zijn zal en geen zonde en straf, maar enkel vreugde over Gods wijsheid en kennis", zoals in een Joodse uitlegging van Psalm 92:2 wordt gezegd.
Johannes heeft het getal 666 met de drie Griekse letters Chi, Xi, Sigma geschreven = 600 + 60 + 6. Dat zijn drie aanvangletters van drie merkwaardige woorden. Wanneer de koning na zijn overwinning over de koning van het Noorden en de koning van het Zuiden (Daniël 11:40-43) uit het morgenland als alleenheerser naar Europa terugkeert, dan zal hij zijn waardigheid met deze drie letters te kennen geven. Ch. geeft te kennen Christus, welks tegenbeeld de juist na die veldtocht optredende (16:12-14) anti-christ is; Ks of Cz geeft te kennen keizer of czaar, dat uit cezar of keizer is ontstaan; St; staat voor sultan. De koning treedt zoals overwinnaar uit het morgenland terugkerende, als Christus. en als keizer (czaar) en sultan, die beide waardigheden in het wereldlijke en geestelijke hij aan zich trekken zal, tegenover de volksheerschappij op. Deze beide heersers in het oosten, in Europa en Azië, zijn de geestelijke en wereldlijke gebieders over hun volken en zo'n gebieder of hoofd in dubbele zin zal ook deze koning worden. Zijn pseudo-profeet is hem ook behulpzaam bij het in bezit nemen van de waardigheid van het van het Christendom dan afgevallen pausdom (16:4-7, 10-11; 17:1-6), dat de godsdienst van de volksheerschappij (vergoding van de mensheid) aangenomen heeft. Op grond van al deze waardigheden klimt hij bijgevolg op tot de waardigheid van anti-christus (en niet slechts van zichtbaar plaatsvervanger van Christus) en matigt zich de eer en het gezag van de Godheid aan, zoals dat reeds sinds eeuwen is voorbereid en in de plannen van Napoleon I duidelijk doorschemert. Toen Napoleon, tot het toppunt van macht verheven, ook de zetel van het pausdom naar Parijs wilde verplaatsen, ten einde de pauselijke waardigheid op zijn persoon te doen overgaan, liet hij een catechismus in de scholen verspreiden, waaruit de jeugd moest leren: onze keizer Napoleon te eren en te dienen, is zoveel als God zelf te eren en te dienen, want hij is degene, die de Heere verwekt heeft. Zij, die hun plicht jegens keizer Napoleon niet betrachten, zouden zich tegen de wil van God verzetten en de eeuwige verdoemenis of zich laden.
Maar welke naam duidt het getal 666 aan? Van alle vragen naar oplossing van de raadsels in dit boek, is wel geen meer gedaan dan deze. Het antwoord heeft talloze ongerijmdheden in het leven geroepen, en toch is de zaak zeer eenvoudig. Johannes beweegt zich in het Openbaringsboek geheel in de zinnebeelden van het Oude Verbond. Daar hebben wij dus de sleutel te zoeken. Nu is daarin slechts een plaats, waar het getal 666 in verband tot een naam voorkomt (Ezr. 2:13). Door Ezra worden die Israëlieten opgenoemd, die na de Babylonische ballingschap naar Jeruzalem en Judea terugkeerden en o. a. opgenoemd: "de kinderen Adonikams zes honderd zes en zestig. " Deze naam betekenend: de Heere verheft Zich, is de naam van het beest. En inderdaad, deze naam in de mond van het beest, dat vervuld is van aanmatiging en godslastering, komt volkomen overeen met de honende uitroep van de vereerders van het gedrocht: "wie is aan het beest gelijk? " Al wat de profeten van de geest, het wezen, het woord en het werk van het beest zeggen, wordt in de naam Adonikam uitgedrukt en samengevat. Immers, het is een naam van godslastering; die naam voegt in de mond van het beest, overmoedig en pralend als het is; hij behelst de begeerte van het beest, om door allen op aarde te worden aangebeden; hij zinspeelt op de strijd van het beest tegen de heiligen van God en hun wegvoering tot gevangenis en dood. Bovendien is die naam in volkomen overeenstemming met de beschrijving, die Paulus geeft van de mens van de zonde: "Die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd, of (als God) geëerd wordt, zodat hij in de tempel van God als een god zal zitten, zichzelf vertonend, dat hij God is. " Adonikam (de Heere verheft Zich) is oorspronkelijk een de Heere geheiligde naam. Vaak lezen wij in de lofliederen van de Kerk van het Oude en Nieuwe Verbond, dat de gelovigen God prijzen als de Almachtige, die Zich verheft tot straf over Zijn vijanden. En deze Naam van de Allerhoogste eigent zich het beest nu toe, zoals zijn vereerders reeds de naam MICHAËL (wie is als God?) die de Heere Jezus alleen toekomt, aan het beest hadden gegeven, roepend: "wie is aan dit beest gelijk? " En wat wil het beest te kennen geven, met zich de naam Adonikam toe te eigenen? Niets anders dan dit: "Niet die voorgevende God, die niemand ziet, is Heer; hij is een niets, slechts uitgedacht door de verhitte en wilde verbeelding van de zogenaamde vromen; deze eisen, dat redelijke mensen zich zullen onderwerpen aan een ingebeelde God, die niet bestaat. Nee, ik ben de heer, die macht en hoogheid heeft, wiens alvermogen ieder met de ogen zien en met de handen tasten kan. Ik ben het, die gelukkig maken kan hen, die mij dienen en verderven allen, die zich tegen mij verzetten. Niet hij, die zij de naam van Jezus (Behouder, Zaligmaker) geven, is het, die de zijnen uitredt en behoudt; niet Hij maakt Zich op om Zijn vijanden te straffen; Ik, Ik ben het alleen die dit doe; ik maak mij op om die belachelijke dwepers het gewicht van mijn toorn te doen voelen. "
Maar wat die naam wezen zal, beken ik zeer graag, niet te weten. De heer Rosenmuller, die, door het monsterdier, de afgoderij verstaat, die de Roomse keizer vervoerde, om de Christenen te vervolgen, schreef, in deze veronderstelling: "het gebrek van geschiedkundige berichten, zo door heidenen als Christenen, eertijds mogelijk in het licht gegeven, schijnt ons in de weg te staan, om dit getal te verklaren; hadden wij deze gedenkstukken, wij zonden zonder twijfel vele omstandigheden weten, waarop hier gedoeld wordt. Van onze erachtens is de vervulling van de hele geheimzinnige voorspelling nog toekomend; en daarom houden wij het voor vergeefse arbeid, om iets te willen beslissen. De uitkomst zal alles, voor hen, die dan leven zullen, in een helder daglicht plaatsen. Volgens Herder is het in de Hebreeuwse taal het getal van het woord: afval. Volgens Zullig het getal van Bileam, de Zoon van Beor, de tovenaar. Zeer vele uitleggers vinden er het getal in van de Latijnse paus en in onze dagen wijzen meer dan 40 ernstige onderzoekers van de profetie er op, dat in de naam van Louis Napoleon Bonaparte in de Latijnse, Griekse en Hebreeuwse talen het cijfer van 666 te vinden is. Niet te ontkennen is het, dat de titel, die de paus zich aanmatigt, van Vicarius Filii Der (stedehouder van Gods Zoon) het getal 666 heeft, en dat Pierre L. in zijn opmerkelijk boek "Rome au dixneuvième siècle" mededeelt, dat de paus bij zijn benoeming 666 Louis d'op (Louis, gel. Ludovicus, gel. 666) van de kardinalen ontvangt. De naam Ludovicum is het allereerst door Seebachius als de vermoedelijke naam van het beest uit de zee aangegeven. Aan de ene kant acht ik het zeer gewaagd en onverantwoordelijk, iemand, wie hij ook zij, als de persoonlijke anti-christus aan te wijzen, voordat hij bepaald als godslasteraar optreedt en de aanbidding van zijn persoon eist; maar aan de andere kant zou het hoogst lichtvaardig zijn om de uitkomsten gering te achten van de studie van ernstige, gelovige mannen, die zowel tegen de paus als tegen de dynastie Napoleon waarschuwen, terwijl de wederzijdse ondersteuning van deze machtig, die belde onweersprekelijk het getal 666 hebben, tot dubbele waakzaamheid aanleiding moet geven. Het getal 666 heeft bovendien een symbolische betekenis. Zes is het getal van de werkdagen, het cijfer van hen, die nog niet tot rust zijn gekomen in God; het cijfer van de wereld in dienst van het verderfelijke, vergankelijke, dat niet komt tot de echte sabbath, het zegel, het jubeljaar van de rust en van de verlossing. Geen van de afgoderijen van de heidenen, van de Joden, of van het pausdom, hebben het kunnen brengen tot de wereldsabbat. De volken hebben gezocht naar de gouden eeuw van vrede en geluk, waarvan hun dichters de wenselijkheid zich voorstelden. Grote mannen streefden naar de daarstelling van een groot wereldrijk, en ten slotte brengt al het werken en tobben van de mensen buiten God, schijnbaar het begeerde rijk aan; maar het wezen daarvan is het werk van het vlees, dat, hoe ook vermenigvuldigd, het merk draagt van de onvolkomenheid, het cijfer 6. Merkwaardig is het, dat het cijfer van het beest eigenlijk geschreven is aldus: 600, 60, 6, zo steeds afnemend en eindigend in het cijfer van de werkdagen.
Wij ontkennen niet dat de Apcalyps, behalve het raadselachtig karakter, haar met alle waarheid goddelijke profetie gemeen, ook nog ten gevolge van haar eigen samenstelling vrij wat moeilijkheden en verwikkelingen ter oplossing aanbiedt. Maar tegenover die moeilijkheden staat ook weer die eigenaardigheid van het boek, dat het veelal of zelf de sleutel op zijn raadsel- of beeldspraak aangeeft, of duidelijk genoeg verwijst naar die plaatsen of uitdrukkingen van de schrijvers, vooral van het Oude Testament, dat bij een nauwkeurige vergelijking en juiste combinatie de verklaring als vanzelf volgt. Dus bijvoorbeeld komt in de Apcalyps het beeld voor van een beest uit de zee (13:1), waarvan de goddeloosheid en tirannie daarop de schilderingen volgen (ald. Vers 2-18). Een eenvoudige vergelijking met de insgelijks apocalyptische voorstelling bij Daniël (7), van vier grote wereldmonarchieën, onder het beeld van vier uit de zee geklommen grote dieren, geeft onmiddellijk de sleutel aan ter verklaring. Ook in de Apcalyps van Johannes moet door het beest een grote wereld-monarchie of een wereldbeheerser verstaan worden. Aan deze eerste uitkomst sluit zich, bij verder nadenken een tweede aan. Het beest van de Apcalyps, met zijn zeven hoofden en tien gekroonde horens, heeft door laatstgemelde trek inzonderheid een in het oog lopende gelijkenis met het vierde dier bij Daniël (7:8); niets natuurlijker, zo verder, dan dat de voorstelling van het beest bij Johannes de verdere ontwikkeling en voortzetting van de aard en de geschiedenis van het vierde dier bij Daniël is. En is dan nu door dat vierde dier bij Daniël aangeduid de wereld-monarchie van Rome, zo hebben wij ook als vanzelf bij Johannes diezelfde Romeinse wereld-monarchie, (om het even voor het ogenblik, of hierbij aan het heidense of aan het pauselijke Rome gedacht moet worden), afgeschilderd in het Boek van de Openbaring. Het behoort tot de bijzonderheden, de eigenaardigheden, de uitnemende eigenschappen van de Apcalyps, dat het gelijkelijk ingericht is om de gave van dichterlijke intuïtie en die van wiskundige redenering en berekening in beweging te brengen. Maar zijn wij inderdaad hier enigermate ook of wiskundig of arithmetisch-logisch terrein, dan begint men dan ook niet (om de Apcalyps van onverstaanbaarheid te overtuigen), met de zwaarste en meest ingewikkelde voorstellen of vraagstukken. Onmiddellijk een oplossing te verlangen bijvoorbeeld van het getal van het beest in de Apcalyps (13:18), is toch echt niet veel anders, dan of men bij de eerste les in de wiskunde reeds bekend wilde worden met de hoge stellingen van de sferische driehoeksmeting.
Een getal, dat gerekend wordt door de letters van de naam van een mens of de order van een mens, naar de Hebreeuwse of Griekse wijze, die de letters van haar A B C gebruiken om het getal uit te drukken en hoewel het over verscheidene verklaringen hier gedaan wordt, zo is de oudste en de waarschijnlijkste verklaring die van Irenaeus, die kort na de tijden van de apostel geleefd heeft, 1450 jaar geleden, die dit past op het woord Lateinos, waarin het getal van 666 gevonden wordt. Dit komt met de zaak zeer goed overeen, naardien de paus zich opgeeft voor het hoofd van de Latijnse kerk, de godsdienst in de Latijnse taal gepleegd wil hebben en de oude Latijnse vertalingen van de bijbel voor authentiek gehouden wil hebben.
Hij wil niet dat iedereen hem kent, nochtans wil hij niet, dat hij geheel onbekend blijft; men openbaart hem aan hen, die Hij in het verborgen wijsheid bekend maakt. De verborgenheden van de Heere zijn voor hen, die Hem vrezen. De Grieken rekenden met hun A B C. Hun letters waren tegelijk cijfertekens, daarom kan een woord tegelijk een zaak, plaats of persoon te kunnen geven en tegelijk ook een cijfer-getal uitmaken. Hier was een getal van 666. De Griekse letters, die dit getal uitmaken, waren ook een getal van een mens, spellen ook de naam van een mens. Meteen na de tijden van de apostelen spelde men uit dat getal van 666 de naam Lateinos, die is geweest de eerste koning van die landstreek, waarin Rome ligt. Het land werd naar zijn naam Latinus genoemd en de taal, die men daar sprak, werd de Latijnse taal genoemd, zoals ze alsnog die naam behoudt en dus wordt men door dit getal, dat Lateinos uitmaakt, als met de hand tot Rome geleid en in Rome tot de paus, die zich gezet heeft in de Kerk, die toen de Latijnse kerk genoemd werd, ter onderscheiding van de oosterse, die de Griekse kerk werd genoemd; en nu ten huidigen dage geschiedt de dienst nog in de Latijnse taal en zijn bullen en besluiten schrijft de paus in de Latijnse taal. Deze naam en zijn getal geven duidelijk te kennen, dat de paus de anti-christ is.