15. En het werd, om de ontzaglijke dwalingen, die God in de antichristische tijd zendt, zodat de mensen de leugen zonden geloven (
2 Thessalonicenzen 2:11), vol te maken, ook nog macht gegeven, om, in satanische nabootsing van het goddelijk wonderwerk van de schepping van de mens op de zesde dag (
Genesis 2:7), het beeld van het beest, welks vervaardiging en plaatsing het van te voren had bewerkt een geest van het leven te geven. Dit geschiedde, opdat het beeld van het beest nu ook zelf zou spreken en om daardoor duidelijk degenen, die het moest voorstellen, als een God te doen zijn, waarvoor die zichzelf uitgaf. En bovendien werd het macht gegeven om te maken, dat allen, die a) het beeld van het beest niet zouden aanbidden; gedood zou worden, als die de goddelijke heerlijkheid van de daardoor voorgestelden niet willen erkennen. Door zijn woord werd dat nu ook uitdrukkelijk aangekondigd, evenals de heraut van de koning Nebukadnezar dat in
Daniël 3:4, deed.
a) Openbaring 9:20
Dat zij, die op aarde waren, d. i. die hier hun tenten hebben opgeslagen, het dier zonden aanbidden, welks dodelijke wond was genezen, hebben wij reeds in Vers 4 gehoord; nu vernemen wij ook, aan wiens bemoeiingen dat te danken zal zijn het is het tweede dier, dat de bewoners van de aarde daartoe brengt. Het is toch niet gepast voor de wereldbeheerser, zijn eigen heraut en profeet te zijn en te verkondigen wat wonderbaars met hem is voorgevallen; dit werk doet integendeel het tweede dier en dat aan zijn verkondiging geloof wordt geschonken, brengt het teweeg door de tekenen, die het doet.
Omdat deze "groot" worden genoemd, is het ons niet geoorloofd, aan wonderen in schijn te denken; er zijn wezenlijke wonderen gemeend, die het dier, dat met de macht van satan is toegerust, verricht; groot is toch zeker geen teken, dat alleen zulk een schijnt te zijn.
Zelfs voor gelovige Christenen wordt het moeilijk, zich te vinden in wonderen, die, als de hier voorlegde, van satanische aard zijn. Dat berust deels op het gebrek aan geloof aan het persoonlijk bestaan en de macht van de vorst van de duisternis, deels op de invloed van den tijdgeest, die al wat bovennatuurlijk is, loochent en waaraan zich zelfs de gelovigen nauwelijks geheel en al kunnen onttrekken. En toch spreekt de hele Heilige Schrift van zulke wonderen. Farao's tovenaars herhalen, zoals bekend is, tot op een zekere hoogte de wonderen van Mozes. In Deuteronomium 18:10 verbiedt God de zonde van toverij; als zij niet bestond, kon ze ook niet worden verboden. In Deuteronomium 13:1, zegt God uitdrukkelijk, terwijl Hij ervoor waarschuwt, om naar de valse profeten en die dromen dromen, te luisteren, dat het teken of wonder, waarvan zij hadden gesproken, komen kon. Juist voor de laatste tijd verzekert de Heere in Mattheus 24:24, dat valse Christussen en valse profeten zullen opstaan en grote tekenen en wonderen doen. Eveneens verzekert Paulus in 2 Thessalonicenzen 2:9, dat de toekomst van de boze, van de mens van de zonde zal plaats hebben naar de werking van de satan met allerlei krachten van de leugens en tekenen en wonderen en noemt uitdrukkelijk het doel, dat deze demonische wonderen naar de toelating van God hebben, namelijk de mensen te verleiden, zoals zij dat om hun ongeloof en hun ongerechtigheid hebben verdiend. Zulke wonderen kunnen echter nooit van de natuurlijke zijde losraken en dat geeft een wezenlijk onderscheid van de ware wonderen te kennen.
Het dier met de twee horens staat in verhouding tot de anti-christ, als de twee getuigen of profeten in Hoofdstuk 11:3, tot Christus. De werkzaamheid van de laatsten heeft nu zoverre met die van Mozes en Elia gelijkheid, als hun woorden het vuur zijn, waarmee zij verteren, de werkzaamheid van de eersten met die van Elia in zoverre, als het deze nabootst in de verdelging van de tegenstanders daardoor, dat het vuur van de hemel laat neerdalen. Dat was echter volgens Lukas 9:51, voor de tijd van het Nieuwe Testament verboden, maar heeft hier juist voor het omgekeerde doel plaats, namelijk om de aanbidders van de ware God te verdelgen en aan de Baäls-priesters de zege te verschaffen. De onreine vleselijke ijver, waarin eens die beide discipelen de macht begeerden, om door vuur van de hemel de ketterse Samaritanen te vernietigen, is de eigenlijke ziel van de Jezuïten-orde. Zolang zij nog in de dienst van het pausdom staat, moet zij zich met vuur van de aarde tevreden stellen en zij brengt dit aan, van waar zij het ook maar meester kan worden, totdat eenmaal, als zij in de dienst van de anti-christ en daardoor onmiddellijk in die van de duivel treedt, zij werkelijk de macht verkrijgt, om het vuur van de hemel te nemen, maar niet uit die hemel, die Elia ter hulpe was, maar die, waaruit in Job 1:16 door satans werking en alleen onder Gods toelating vuur valt. Een beeld te maken voor de voorwerpen, door haar ter verering gekozen, voor de maagd Maria en de heiligen; dat heeft de kerk, wier zonen en dienaren de Jezuïten in die tijd nog zijn, vanouds verstaan en men heeft ook aan deze beelden steeds gezocht de geest van het leven te geven door allerlei legenden, alsof zij weenden en lachten, spraken en aanwijzingen gaven. Zij zelf tonen zich daarbij het ijverigst en vindingrijkst en bewijzen, dat zij de eigenlijke meesters zijn in het voeden van het bijgeloof, door voedsel te geven aan de fantasie en het fanatisme te doen ontvlammen door hemelse verschijningen voor te spiegelen. En nu zal dan Gods rechtvaardige straf voor hun doemwaardig streven zijn, dat zij worden overgegeven aan het dier uit de zee, om dit naar de werking van de satan met allerlei krachten van de leugens te dienen, maar om ook daarna met het dier levend in de poel van het vuur te worden geworpen, die van zwavel brandt en de duivel en alle verdoemden de weg daarheen te banen (Hoofdstuk 19:20; 20:10, 15).
Het lukt de leugenprofeet het vreemdste wonder te verrichten, dat men zich kan denken. Wel heeft men reeds in het heidendom verteld van sprekende godenbeelden en ook de legenden van sprekend, bloedzwetend, wenende heilige beelden van de Roomse kerk behoren hiertoe. Maar waaraan men tot die tijd slechts vertelde, dat zal dat dier van de aarde volbrengen; de macht wordt ertoe gegeven. Het geeft aan het beeld van het beest geest en levensadem, opdat het ook spreekt en door zijn spreken teweeg brengt, dat zij, die het beeld van het dier niet willen aanbidden, gedood worden. Zo brengt het de leugen-profeet tot een dienst van de antichrist en van zijn beeld en er ontstaat aldus een soort van drie-eenheid. De plaats van God de Vader wordt ingenomen door de duivel, de plaats van de Zoon door de anti-christ, die enigermate in betrekking van Zoon tot de duivel staat, zodat deze ook wel tot hem kan zeggen (Psalm 2:7): "U bent mijn Zoon. " De plaats van de Geest wordt ingenomen door het beeld, dat met geest begaafd is, dat enigermate, evenals de Heilige Geest de Vader en de Zoon, zo ook de anti-christ, wiens afbeelding hij is en de draak, die hij bezield heeft, openbaart.
Dit hoofdstuk komt mij voor, (in verband met het 17de) de hardste veroordeling te zijn van het afgodische en vervolgzieke Katholicisme, en de schitterendste verheerlijking van de reformatie. Bewijst men mij, dat ik de symbolen van de Openbaring erkeerd verstaan heb, het boek slecht ingedeeld, de gezichten door de geschiedenis ten onrechte heb verklaard, dan zal ik verklaren, dat de beelden geen afgoderij en de inquisitie een vrucht van de evangelische geest is. Als echter deze uitlegging de gedachten van de goddelijke gerichten getrouw voorstelt, zoals ik daarvan de innigste overtuiging heb, dan durf ik hopen, dat zij de evangelische Christenen in hun geloof aan het Evangelie zal versterken en hier en daar een katholiek zal bewegen, Babylon te verlaten.
De valse wijsheid bevordert de aanbidding van de aardse macht bij de aarde en degenen, die daarop wonen. Zij bestuurt de hele macht van het eerste beest en ook deze is geducht.
De valselijk dus genoemde wijsheid maakt dat de aarde en die daarop wonen (gesteld tegenover "die in de hemel wonen" Vers 6) de aardsgezinden dus, zich verheffen boven God en Zijn Woord, de macht van het eerste Beest erkennen en zich aan deze gewillig onderwerpen. En hoe wordt dit teweeg gebracht? Door aan de mensen te doen zien, dat de dodelijke wond van het eerste beest genezen is en zich zo te herroepen op het nieuwe leven, dat in de aardse heerschappij is ontstaan, op de gelukkige uitslag van de vervolging van de gelovigen en op de machteloosheid van de Kerk, waaruit dan volgen moet, dat het Evangelie van Jezus Christus niets ademt dan leugen en bedrog.
De Heere Jezus spreekt ook van valse profeten, die grote tekenen en wonderheden zullen doen, zodat zij, was het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden; en Paulus maakt op gelijke wijze melding van een werking van de satan, in alle kracht en tekenen en wonderen van de leugen. Die tekenen zijn zo een middel tot verleiding van de mensen. Zij zijn niet geheel, ofschoon dan ook ten dele, schijn en misleiding. De demonische invloed, die de mensen beheerst, maakt dat door meer dan gewone krachten dingen plaats hebben, die tot aan de grenzen van de wonderen naderen. Men denkt hier aan de door leugenachtige en geheimzinnige krachten verrichte wonderen van de Egyptische tovenaars aan het hof van Farao, aan de toverkunstenarijen in het Romeinse rijk in de eerste tijd van het Christendom, aan een Alexander van Abonoteichos en zo vele anderen als in het Oosten en Westen hun naam berucht hebben gemaakt en zich, ofschoon hun werk uit de boze was, een grote aanhang hebben weten te maken. Maar wat zegt de Heere daartoe? "Wanneer een profeet of droomdromer in het midden van u zal opstaan en u geven een teken of wonder en dat teken of dat wonder komt, dat hij tot u gesproken had, zeggende: laat ons andere goden, die u niet gekend heeft, navolgen en hen dienen; u zult naar de woorden van die profeet of naar die dromer niet horen, want de Heere uw God verzoekt jullie, om te weten of u de Heere uw God liefheeft met uw hele hart en met uw hele ziel. Maar al gaan ook de tekenen van de valse profeten hier en daar het gewone te boven, toch zijn zij zeer onderscheiden van de ware wonderen, die uit God zijn. En waardoor? Door doel, middelen en inrichting. De valse profeet roept de bewoners van de aarde op, om een beeld te maken voor het beest, dat een dodelijke wond ontvangen heeft door het zwaard van het woord van het Evangelie. In de eerste tijden van het Christendom schenen de heidense godsdienst en wereldheerschappij weer te zullen bloeien, zodra beide bekomen waren van de schrik, die hun om het hart was geslagen, ten gevolge van de gebeurtenissen, die in Palestina hadden plaats gehad. Het oprichten van standbeelden van de keizers was in de eerste tijden van het Christendom een van de krachtigste middelen, waarvan zich de heidense tirannen bedienden, ten einde zich te stellen in de plaats van de God van de hele aarde. En ofschoon dus de Romeinse keizer slechts op een plaats te Rome woonde, werd hij door middel van zijn overal ter aanbidding opgerichte standbeelden, inderdaad alomtegenwoordig en de Christenen bleef geen andere keuze over, dan of voor Jezus en Zijn zaak te willen sterven, of van Hem afvallig te worden en het beest te aanbidden. Geest en spraak als het ware, bekwamen de standbeelden van de Romeinse keizers door de spitsvondige voorstellingen van de heidense wijsbegeerte, die het volk wisten te vervullen met hoge voorstellingen van het beest en het probeerde te overreden, dat Jezus, de mededinger van die tot godheden verhevenen, slechts een machteloos wezen was. Aldus werd de eerbied voor de keizer op zijn standbeelden overgedragen.
Het beest heeft tot geestverwant en bondgenoot een tweede beest, waarvan de beschrijving zich in Hoofdstuk 13:11-13 onmiddellijk aan die van het eerste paart, dat in Hoofdstuk 16:13 ook in verband met het eerste beest en de draak wordt genoemd en eindelijk in 19:20, 20:10 zijn vreselijk lot deelt. Bij de drie laatste aanhalingen wordt dit tweede beest met een nieuwe naam bestempeld: die van "valse profeet. " Zo was het ons in Hoofdstuk 13 nog niet bekend gemaakt. Intussen dient het om dezelfde zaak aan te duiden. Dit zien wij duidelijk bij een vergelijking van Hoofdstuk 19:20 met 13:13 valse profeet verleidt de aardbewoners tot aanbidding van het beest en het lukt hem wezenlijk, bij het meerdere gedeelte (zie Vers 12 en 14). Het beeld, dat op zijn aandrang voor het beest gemaakt wordt (Vers 14), tot welks denkbeeld de standbeelden aanleiding en voorbeeld gaven, die men voor de Romeinse keizers oprichtte en aan wie men goddelijke eer bewees, betekent de vergoding van de wereld en van de wereldheerschappij met de aanbidding van het genie, dat dan haar toppunt zal bereiken en wanneer de valse profeet aan dit beeld een geest gegeven heeft, opdat het zou spreken (vers 15), zo is ook dit van een hoogst treffende betekenis, namelijk, hoe die valse leer aan de schepselen-vergoding en aanbidding een verstandige filosofisch en schijn en uitdrukking zal weten te geven. De tijdgeest in zijn openbaring is die dode en toch weer leven-ademende afgod, voor wie de hele wereld zich buigt en als wiens uiterlijke verpersoonlijking de anti-christ zal verschijnen. Het is het moderne heidendom, tot natuur en mensvergoding verzonken en waarvan niet te bepalen is, welke vormen van dwaasheid en beestachtigheid het nog zal aannemen (Romeinen 1:22). Ook grote tekenen en wonderen zal het vermogen te doen, zoals zelfs de Heere Jezus Christus en de apostel Paulus ons bereids voorspeld hebben (Mattheus 24:24. 2 Thessalonicenzen 2:9). Dit heeft niet alleen betrekking op de wonderen van de natuurkrachten en haar beheersing, die aan de menselijke geest zijn gelukt en die hij ook tot mensvergoding misbruikt, omdat hij zichzelf de eer ervan toe-eigent; maar wij hebben zelfs alle demonische wonderen te wachten, buitengewoon geheimvolle werkingen van de leugens, zoals die onder andere ook door de Egyptische tovenaars van Mozes' tijd verricht werden. Het is van algemene bekendheid, dat het filosofisch beginsel van de zedelijke vrijheid van de menselijke geest en het daaraan beantwoordend godgeleerd beginsel van rationalisme, het idealisme, materialisme, deïsmus, pantheïsmus en atheïsmus, niets anders zijn dan voortbrengsels en uitwassen van een en dezelfde geest, wiens wezen afval is van de eerste beginselen van het Christendom, losscheuring van de levende, heilige God, schepsel-vergoding. " Dit alles te samen genomen verenigt de Openbaring n de uitdrukking "aanbidding van het beest" en deze beschrijving is juist naar het leven. Immers is veelszins tegenwoordig het ideaal van de vrijdenkers verdierlijking; maar zelfs daar, waar men niet in dit uiterste valt, is toch de eer van de valse profeet genoeg verbreid. Helaas, hoe vele duizenden worden van het ware Christendom afgehouden! En andere duizenden komen nooit tot doorbreking en onverdeelde toewijding aan de Heere, alleen door eerbied voor de verlichting van de wetenschap en gevangen door de verleidende tijdgeest van de moderne beschouwingen en ontwikkelingen, die meer en meer de wereld probeerden te beheersen. Maar het ongelukkigste daarbij is, dat nauwelijks iemand de diepte van het verval erkent, die deze stand van zaken in zich sluit; want immers bestond reeds in het Oude Testament de voornaamste bezigheid van de valse profeten daarin, dat zij het volk in de waan trachtten te brengen, dat het niet zo slecht met hen gesteld was, de oordelen van God ook niet zo nabij waren. Herhaaldelijk vernemen wij het verwijt tegen hen: "Zij genezen de breuk van Mijn volk op het lichtste en spreken van vrede, vrede en er is toch geen vrede. " Daarom had Jeremia voornamelijk met de valse profeten te doen, omdat bij de verwoesting van Jeruzalem beleefde en voor dit aanbrekend oordeel waarschuwen moest (Jeremia 4:9; 6:13-14; 8:10; 14:13; 23:9, 40; verg. Ezechiel 13).
De macht is dezelfde, de staatkundige en kerkelijke macht helpen en sterken elkaar; beider macht is heersen. Het tweede beest oefent zijn macht in de tegenwoordigheid van het eerste beest, dat toont, dat zij tegelijk, eentijdig waren. Het was dezelfde anti-christ met zijn twee zwaarden; het was dezelfde macht, hoewel in verscheidene opzichten, de ene staatkundig, de andere kerkelijk. Zij hadden hetzelfde oogmerk, de spil, waarop het alles draaide, de verheffing van hem in het staatkundige en kerkelijke, zijn heerlijkheid en gezag.
De profeten bevestigden hun leer met wonderen. Zo moest het beest ook wat doen, waardoor hij beter geloofd zou worden en meer ingang mocht hebben, maar het waren wonderen van de leugens. Zijn toekomst zou zijn in alle kracht en tekenen en wonderen van de leugen (2 Thessalonicenzen 2:9). Wie roemt op wonderen als de Roomse antichrist, waarvan hun legenden vol zijn? Hun kerken zijn vervuld met gedenktekens van wonderen, die zij voorgeven, gedaan te hebben. Wat zijn er al plaatsen, fonteinen, putten en beelden in hun landen, alwaar en waardoor zij zeggen, dat wonderen geschied zijn en nog geschieden! Het moesten geen gemene wonderen zijn, maar het moesten de allergrootste zijn, om zelfs vuur van de hemel te doen neervallen, zoals Elias deed; hun schrijvers roemen hierop. Hierbij heeft hij zijn bliksems van uitsluiting, die de dwaze mensen schrik aanjagen. Een beeld is een gelijkenis van iets, dat afgebeeld is. Hetgeen hier uitgedrukt werd, was het zesde hoofd van het beest. Het heidens afgodisch keizerrijk, dat ter dood gewond was door de Christen keizers, herleefde weer in de anti-christ. De antichrist, de paus van Rome, wilde, dat men een gelijkenis zou maken van het zesde godslasterlijke hoofd van het beest met zeven hoofden en dat is trouw geschied. De regering over Rome en het keizerrijk moeten van dezelfde natuur zijn en zo heeft hij ze, hoewel onder een andere schijn, gemaakt. Het moest het heidens keizerrijk in afgodendienst gelijken. 1. Veranderden de heidenen de heerlijkheid van de onverderfelijke God in de gelijkenis van een beeld van een verderfelijke mens en gevogelte en van viervoetig en kruipend gedierte (Romeinen 1:23). De anti-christ doet ook zo, als hij God de Vader afbeeldt in de gedaante van een oud man, de Zoon in de gedaante van een Lam, de Heilige Geest in de gedaante van een duif. 2. Hebben zij hun ondergoden gehad en vergoodden zij verstorven mensen, hij ook; menigten van genoemde heiligen heeft hij geheiligd, die door hen aangebeden worden. 3. Hadden zij tempels, heilige plaatsen, die zij naar hun goden noemden, hij ook 4. Hadden en eerden zij de beelden, hij ook. 5. Bestond hun godsdienst in een lichamelijke pracht en in vele plechtigheden, de zijne ook. 6. Hadden zij hun drinkpartijen, hij ook zijn vastenavonden. 7. Heerste de hoererij onder hen, daarin is hij niet alleen gelijk, maar gaat hen verre te boven. 8. Vervolgden zij de Kerk, hij niet minder, zodat de anti-christ een zeer nette afbeelding is van het heidense keizerrijk. Hij maakte niet alleen een afbeeldsel van het heidendom, maar hij gaf het een geest, maakte het werkstellig. Hij voerde de afgoderij in, die levendig en stipt onderhouden werd. Hij deed het spreken door zijn leerregels, besluiten, banbliksems. Die stem was gans verschrikkelijk, want zij sprak niet dan van doden, hangen en branden, al degenen, die dit beeld van Nebukadnezar niet zouden aanbidden.