Openbaring 20:1-10
Wij hebben hier:
I. Ene profetie van het binden des Satans voor een bepaalden tijd, waarin hij veel minder macht zal hebben en de gemeente veel meer vrede dan vroeger. De macht van den Satan was gedeeltelijk gebroken door de vestiging van het koninkrijk des Evangelies op aarde. Zij werd voorts verminderd toen het keizerrijk Christelijk werd. Zij werd nog meer geknot door den val van Babylon. Maar nog had de draak vele hoofden, en wanneer een daarvan gewond werd, bleef een ander nog levend. Wij zien hier de verdere beperking en vermindering van zijn macht. Merk op:
1. Aan wie het werk wordt opgedragen om den Satan te binden: Een engel, afkomende uit den hemel. Het is zeer waarschijnlijk dat met dezen engel niemand anders bedoeld word dan de Heere Jezus Christus, de beschrijving van Hem komt hier in vele punten overeen met menige andere. Die de macht heeft een sterk gewapend man uit te werpen en zijne goederen te roven, moet sterker zijn dan deze.
2. De middelen, welke Hij tot dat doel gebruikt, Hij heeft een keten en een sleutel, een grote keten om Satan te boeien, en den sleutel van den kerker, waarin Hij hem werpen zal. Christus ontbreken nooit de macht en de middelen, die geschikt zijn om de macht van Satan te breken, want Hij heeft de krachten des hemels en de sleutelen der hel.
3. De uitvoering van dit werk, vers 2, 3.
A. Hij greep den draak, de oude slang, welke genoemd wordt duivel en Satanas. Noch de kracht van den draak noch de listigheid van de slang was voldoende om hem uit de handen van Christus te verlossen, deze nam hem gevangen en hield hem gevangen.
B. Hij wierp hem in den afgrond, wierp hem met kracht daarin en bestemde dien met rechtvaardige wraak tot zijn gevangenis, vanwaar het hem toegestaan was tijdelijk uit te komen om de gemeenten te ontroeren en de volken te bedriegen, nu wordt hij in de gevangenis teruggebracht en in ketenen gesloten.
C. Hij sloot hem daarin en verzegelde dien boven hem. Christus sluit en niemand kan openen, Hij sluit door Zijn macht en verzegelt door Zijn gezag, en zelfs de duivel kan Zijn slot en Zijn zegel niet verbreken.
D. De duur van Satans opsluiting was duizend jaren. Daarna moet hij voor een kleinen tijd ontbonden worden. De gemeente zou een aanmerkelijken tijd van vrede en voorspoed hebben, maar al haar beproevingen waren nog niet geëindigd.
II. Een voorstelling van de regering der heiligen gedurende datzelfde tijdvak, waarin Satan gebonden bleef, vers 4-6. Merk hier op:
1. Wie waren het, die deze eer ontvingen? Zij, die voor de zaak van Christus geleden hadden, en allen, die Hem getrouw aangehangen hadden, het merkteken van het beest niet ontvangen en zijn beeld niet aangebeden hadden, allen, die zich rein gehouden hadden van heidense en pauselijke afgoderij.
2. De hun geschonken eer.
A. Zij stonden op van den dood en werden weer levend gemaakt. Dit kan letterlijk of zinnebeeldig opgevat worden. Zij waren in burgerlijken en staatkundigen zin dood en hadden een burgerlijke opstanding, hun rechten en voorrechten herleefden en werden hun teruggegeven.
B. Tronen, macht en oordeel, werden hun gegeven. Zij werden in het bezit gesteld van eer, grote macht en gezag, naar het mij voorkomt meer in geestelijken dan in stoffelijken zin.
C. Zij leefden en heersten als koningen met Christus de duizend jaren. Zij, die met Christus lijden, zullen met Christus heersen, zij zullen met Hem heersen in Zijn hemels, geestelijk koninkrijk in heerlijke gelijkvormigheid aan Hem in wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid, in een luister, die alles overtreft wat zij ooit in de wereld aanschouwd hebben. Dit wordt genoemd de eerste opstanding, waarmee alleen zij begunstigd worden, die Christus gediend en voor Hem geleden hebben. En wat de goddelozen aangaat, dezen zullen niet weer opstaan en tot hun vorige macht hersteld worden, alvorens de Satan ontbonden wordt. Deze regering der heiligen kan met recht ene opstanding genoemd worden, gelijk de bekering der Joden het leven uit de doden heet.
3. De gelukzaligheid van deze dienstknechten Gods wordt nader beschreven.
A. Zij zijn zalig en heilig, vers 6. Alleen hij, die heilig is, kan zalig zijn, en allen, die heilig zijn, zullen zalig worden. Dezen waren heilig als eerstelingen Godes, in hun eerste, geestelijke opstanding, en daarin door Hem zalig gemaakt.
B. Zij zijn gewaarborgd tegen de macht van den tweeden dood. Wij weten er iets van hoe ontzagwekkend de eerste dood is, maar wij weten niet wat de tweede dood is. Die moet veel vreeslijker zijn, die is de dood der ziel, eeuwige scheiding van God. De Heere beware ons dat wij het niet bij ondervinding leren kennen! Zij, die een geestelijke opstanding ondervonden hebben, zijn beveiligd tegen de macht van den tweeden dood.
III. Een mededeling van de herhaling der moeiten van de gemeente, een andere vreeslijke krijg, zeer zwaar, maar kort en beslissend. Merk op:
1. Nadat de Satan gedurende langen tijd weerhouden was, wordt hij ten laatste opnieuw losgelaten. Zolang de wereld bestaat zal de macht van Satan over haar nooit ten volle vernietigd worden, zij kan begrensd en ingekort worden, maar voortdurend zal hij gelegenheid hebben iets te doen ter verontrusting van Gods kinderen.
2. Onmiddellijk nadat Satan losgelaten is, hervat hij zijn oude werk, hij gaat uit om de volken te verleiden, en hen op te hitsen tot een oorlog tegen Gods heilige dienstknechten, hetgeen zij nooit zouden ondernemen indien hij er hen niet toe verleidde. Zij worden bedrogen eerst in de voorstelling van de zaak, welke zij gaan dienen, een zeer slechte zaak, waarvan zij waarlijk geloven dat zij goed is, en daarna in den uitslag van den krijg, zij verwachten te zullen slagen en zullen zeker de nederlaag lijden.
3. Naar het schijnt zijn de laatste pogingen van Satan de geweldigste. De hem nu vergunde macht schijnt groter te zijn dan vroeger. Hij heeft nu het vermogen om al zijn aanhangers te vergaderen, die in de vier hoeken der aarde zijn, en hij brengt een machtig leger op de been, welks getal is als het zand der zee, vers 8.
4. De namen van de voornaamste aanvoerders van dit leger, onder den draak, worden ons vermeld: Gog en Magog. Wij behoeven niet al te veel te onderzoeken welke bijzondere machten onder deze namen bedoeld worden, omdat het leger bijeengebracht wordt uit alle delen der aarde. Deze namen worden ook gevonden in andere gedeelten der Schrift. Van Magog lezen wij Genesis 10:2. Hij was een der zonen van Japheth, en bevolkte Syrië, van waaruit zijn afstammelingen zich in andere landen verspreidden. Van Gog en Magog, tezamen genoemd, lezen wij alleen in Ezechiël 38:2, een profetie, waaraan dit deel der Openbaring vele zijner beelden ontleent.
5. Thans worden ons de optocht en de krijgsverrichtingen van dit schrikwekkende leger geschilderd, vers 9. Zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad, dat is het geestelijke Jeruzalem, dat de kostbaarste belangen van Gods volk in zich bevat, en daarom de geliefde stad voor hen is. Het leger der heiligen wordt hier voorgesteld als buiten de stad getrokken, het lag onder de wallen om haar te verdedigen, zij waren rondom Jeruzalem gelegerd. Maar het leger van den vijand was zoveel groter, dat het de stad en het gehele leger van de gemeente kon omsingelen.
6. Hier volgt een beschrijving van den krijg en den uitslag daarvan. Vuur kwam neer van God uit den hemel en verslond den vijand. Zo was ook de vernietiging van Gog en Magog voorzegd in Exodus 38:2. Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed, en Ik zal een overstelpenden plasregen en hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op de vele volken, die met hem zijn, vers 22. God zelf zou, op buitengewone en meer onmiddellijke wijze dezen laatsten en beslissenden slag voor Zijn volk strijden, opdat de overwinning volkomen zou zijn en Hem al de eer gegeven worden zou.
7. Het vonnis en de straf van den groten vijand, den duivel. Hij wordt nu in de hel geworpen met zijn beide voornaamste onderbevelhebbers, het beest en den valsen profeet, dwingelandij en afgoderij, en dat niet voor een bepaalden tijd, maar om daar gepijnigd te worden dag en nacht, tot in alle eeuwigheid.