13. En ik hoorde, nadat de derde engel zijn waarschuwing had gegeven aan hen, die op de aarde waren (
Vers 9) een stem uit de hemel als in
Hoofdstuk 10:4 die tot mij sprak, om mij en alle volgende geslachten, in het bijzonder die van de anti-christische tijd, mededeling te doen over het lot van hen, die de geboden van God houden en het geloof van Jezus (
Vers 12) en daarom de dood moeten ondergaan (
Hoofdstuk 13:15). Die stem zei: "Schrijf wat u als woord van de openbaring uit de hemel wordt toevertrouwd, opdat het zeker bewaard wordt tot die toekomst: "Zalig (
Hoofdstuk 19:9) zijn de doden, die in de Heere Jezus sterven, door het geloof in Zijn Naam met Hem verbonden en door getrouwheid tot in de dood in Zijn gemeenschap volharden, van nu aan. Met de anti-Christische tijd, waarin zij gedoopt zijn, is toch het begin van het rijk van de heerlijkheid voor hen zo nabij (
Hoofdstuk 19:11-
20:6), terwijl de vroegere bloedgetuigen nog moest worden aangezegd, dat zij een tijd lang zouden moeten wachten (
Hoofdstuk 6:11). Ja, zegt de Geest, het woord van deze hun zaligheid nader verklarende, zij sterven, opdat zij de korte tussentijd tot het begin van dat rijk rusten mogen van hun arbeid, van hun moeite en hun strijd, hun lijden en hun benauwdheden, die zij moesten doorstaan, opdat die niet te zwaar voor hen zouden worden (
Mattheus 24:22. 1 Kor. 10:13
Jesaja 57:2). En hun werken, waardoor zij hun geloof getoond en voor de eer van Christus hebben gestreden (
Hoofdstuk 2:2), gaan niet mee de rust in, alsof die tevergeefs waren geschied en vergeten, maar volgen met hen, om dadelijk, als de beslissing komt, wie aan de zaligheid van de opstanding deel zullen hebben een beslissing ten hun gunste teweeg te brengen (
Hoofdstuk 20:4).
In het voorgaande werd op negatieve wijze de reden aangegeven, waarom tot lijdzaamheid moest worden aangemaand en gewezen op de zware oordelen van God over de antichrist en degenen, die zich door hen laten verleiden hier op positieve wijze en gewezen op de eeuwige zaligheid van de getrouwen! Wie zou niet met het oog daarop het armzalig leven gewillig overgeven? Wie zou kunnen twijfelen, als hem de keuze werd gelaten tussen "geen rust hebben dag en nacht vanwege de pijnen van de hel" en het "rusten van hun arbeid? " De stem van de hemel kan noch die van God, noch die van Christus zijn, want zij spreekt van hen, die in de Heere sterven. Zij is zeker die van een zalige rechtvaardige, die uit eigen ervaring getuigenis geeft, wat de getrouwe medeleden van de strijdende Kerk op aarde in de hemel te wachten hebben, misschien die van een ouderling (vgl. Hoofdstuk 7:13 v.); want het bevel om te schrijven doet ons denken aan een overwegend gezag.
Dit bevel om te schrijven wordt in de Openbaring waalf keer herhaald (Hoofdstuk 1:11, 19; 2:1, 8, 12, 18; 3:1, 7, 14; 14:13; 19:9; 21:5), om te kennen te geven, dat alle zodanige onderwerpen belangrijke zaken zijn, die door de gemeente niet mogen worden vergeten. Wat is het dan, dat Johannes hier moet schrijven? Wat voor ons arme mensen in ons leven en sterven het allerzaligste is om te weten. Zo schrijft dan de Geest van Jezus Christus zelf deze woorden, die zo waarachtig en zeker zijn, met eigen vinger allen in het hart en graveert ze in ons gemoed, zodat zij niet weer uitzekert worden of vergeten! Ja, zij zullen ons op de juiste tijd wel ten zegen worden, als wij ze met alle ernst in ons opnemen en in een goed hart bewaren.
Met "van nu aan" is in het bijzonder een woord voor bloedgetuigen, die vaak zo vele bittere uren en minuten, die zich tot ondraaglijke lengte uitbreiden, de smart van de dood moeten lijden; zij hebben ook nog dubbel de troost nodig; heden nog, ja van nu aan zalig bij de Heere in het paradijs! En omdat deze troost vast in de zielen wordt gedrukt van hen, die ze nodig hebben, wordt dat, wat van de hemel gesproken wordt, ook door de Geest in het hart van Johannes bevestigd. "Ja, zegt de Geest" en het woord ophelderend voegt hij erbij: "opdat zij rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen met hen" en gaan met hen over.
Voor de gelovigen is de dood reeds in zo verre een overgang in een betere en zaliger toestand, als de ontkleding van het stoffelijk lichaam, van dit lichaam van de dood een bevrijding is van de ziel van de moeite van het aards bestaan, door die toestand van het lichaam teweeg gebracht en van de aanklevende zonde en onreinheid. Terwijl het lichaam wegvalt, wordt het vernieuwde ik, het geheiligde persoonlijke leven, dat met de geest overeenstemt, ontrukt aan de belemmerende en verstorende invloeden, die het tot hiertoe ondervond van de lichamelijk-stoffelijk natuur. Zo komt nu voor de ziel een toestand, waarin zij vrij is van de moeilijke arbeid, dus een toestand van rust, van stil, vreedzaam ongestoord leven, die echter niet als bewusteloze rust, niet als een passief schimmenleven moet worden gedacht, maar als een hogere trap van gemeenschap met Christus. Het meer inkeren van de ziel in zichzelf is tevens een dieper indringen in Christus, met wie zij reeds in persoonlijke gemeenschap staat een thuis zijn bij de Heere. Door middel van deze inwendige en onmiddellijke betrekking van het onstoffelijke deel tot Christus kan zich nu Zijn leven ongehinderd als een zachte stroom in hen uitstorten en haar leven, door dezen doordrongen, tot volle vrijheid in Hem ontsluiten. In deze volmaakte eenheid van wil en liefde met God, waarin ook het laatste overblijfsel van de oude zonde geheel en voor altijd wordt verslonden, bereikt de persoonlijkheid van de verlosten haar zedelijke voltooiing. Wat de bedenking aangaat, dat ook de nog zondige ziel niet meteen in de volle gemeenschap met God kan indringen, zal men wat in het stervensuur plaats heeft in rekening moeten brengen.
Wat de lange tijd van het leven niet kon of verzuimd heeft, dat kan de korte tijd van sterven zegerijk volbrengen door de hulp van Degene, die voor ons aan het kruis gestorven is, die niemand zo duidelijk, zo tastbaar nadert als de stervende. Het is juist, wat Luther in de 13e thesis verkondigde, dat het sterven eigenlijk het laatste purgatorium, (reinigingsvuur) is, dat zo velen aan de andere zijde zoeken, het purgatorium, dat ten slotte nog zonde, zwakheid en dwaling tot het laatst toe uitbrandt. Hoe zullen wij verwonderd staan, als wij hiernamaals zullen zien, die roeping het sterven heeft ontvangen en wat een oogst de laatste uren hebben aangebracht!
Het hoofdbewijs voor het purgatorium (want de Schrift leert het niet; de plaatsen, waarop men het bouwt, zeggen, onbevooroordeeld beschouwd en verstandig uitgelegd, geheel andere dingen) is zijn psychologisch ethische noodzakelijkheid, die men beweert. Het is de sterkste tegenspraak, zegt bijvoorbeeld Mahler in zijn symboliek, in den hemel met zonde bevlekt in te gaan, hetzij die door verzoening bedekt of onbedekt zij. De vraag dringt zich daarom aan ons op: hoe wordt de mens eindelijk van zonde bevrijd en het heilige in hem volkomen levend? Of verlaten wij, nog bevlekt met het zondige, deze wereld, hoe zullen wij er van gereinigd worden? Deze vraag dringt zich aan ons op: van het lichaam bevrijd zijn wij daardoor nog niet van de zonde bevrijd; en de rechtvaardiging door de genade van God in Christus bevrijdt ons van onze zondenschuld, zonder echter de zonde in ons te ontwortelen. Deze blijft hier beneden met ons samengegroeid en het ernstigste streven naar heiligmaking overweldigt ze wel, beheerst ze, verbant ze naar steeds engere grenzen, zonder ze echter geheel uit ons te kunnen afzonderen en verdelgen. Hoe wordt dan de ziel, die genade bij God heeft gevonden, bij haar overgang in het volgende leven van de zonde verlost? Hoe het ook plaats heeft, zeker geschiedt het door geen vuur, dat de werking van het bloed van de Zoon van God zou moeten helpen; geenszins door een betalend lijden, dat het doel van "Jezus" verzoenend lijden moet helpen bereiden. En hoe dan? Men heeft gezegd, dat het sterven zelf ons purgatorium en de laatste doodsnik ook de laatste scheiding is (Hebreeën 4:12), die doorgaat tot de laatste beslissende reiniging. En inderdaad, wie zou het ontkennen, dat elke doorstane doodstrijd ook een laatste beslissende smelting is, die het goud van het door God gewerkte geestelijke leven, dat het vuur doorstaat, uit de onreinheid, die het hier te onderhield, verlost? Maar niet elke ziel wordt door God door zo'n bevestigend en louterend vuur van een lang ziekbed geleid; men zal dus moeten aannemen, dat het door woord en sacrament in ons teweeg gebrachte en gevoede geestelijke leven reeds krachtig genoeg is, om dan als het zich heeft losgemaakt van de wereld, die in het boze ligt, of haar plotseling wordt ontrukt, in het aangezicht van de duidelijke werkelijkheid van hetgeen hier beneden geloofd is, met zo'n inwendige kracht te voorschijn te treden, dat het de zonde, die het menselijk wezen nog aankleeft, tot het laatste spoor uitdrijft. Of dit bij de een op eenmaal, of de anderen langzamerhand zal plaats hebben, weten wij niet; de Schrift zegt daarover niets. En wat hun, die hier onbekeerd en ongelovig blijven, aangaat, zouden wij het zeker hun wel gunnen, dat er mogelijkheid tot verandering vóór het laatste oordeel was, maar de Schrift zegt ons het tegendeel en wij zien ervan af om ander licht dan dat van de Schrift te volgen, of ons in bedenkingen en gevolgtrekkingen te verdiepen. Wij houden ons aan het woord van God alleen.
Geen Bijbelboek, dat meer vragen onbeantwoord laat, dan de Openbaring an Johannes; maar geen ander ook dat ondubbelzinniger antwoord op de grote vragen doet horen, die zich zo telkens bij vernieuwing weer opdringen: wie worden bij hun heengaan zalig; wanneer begint hun geluk; waarin zal voor hen bovenal de zaligheid van de hemels bestaan? Op die vragen spreekt hier een stem van boven zo duidelijk en tegelijk zo beslissend, dat wij het woord van de tekst wel een lichtstraal van de hemel mogen noemen in de donkere nacht van het graf. Met reden werden deze woorden sinds eeuwen als opschrift boven zerken en zoden als welkomstgroet aan de ingang van menig kerkhof geplaatst; maar zeker bieden zij geen minder uitlokkende stof tot stille bepeinzingen aan. Het blijkt ook hier weer, de Schrift weet van die jammerlijke oppervlakkigheid niets, die schier van iedereen bijna werktuiglijk zegt, dat hij zacht en dus ook zeker wel "zalig" ontslapen is, als verstond zich het laatste vanzelf. Er zijn graven, waarboven de Geest van de waarheid geen "zalig, zalig" laat klinken, maar het onheilspellend vonnis herhaalt: "heengegaan naar zijn eigen plaats. " Slechts "die in de Heere sterven" worden hier gelukkig geprezen; onmogelijk kan het sterven gewin zijn, zolang niet eerst Christus het leven van de ziel geworden is. Waar dit echter ons gadeloos voorrecht werd langs de weg van geloof en bekering, daar mogen wij een heilstaat verwachten, niet slechts nadat vele eeuwen over ons stof zijn henengesneld, maar ook reeds meteen na ons heengaan. "Van nu af aan" spreekt de Geest de in Christus gestorvenen zalig en hoe ook dit woord moge opgevat worden, altijd wordt daardoor elke voorstelling afgesneden, die de toekomstige heilstaat verschuift tot op een onafzienbare afstand. Moge de zaligheid reeds bij de laatste toekomst van de Heere voltooid worden, haar aanvang meteen bij de dood is zoals een onophoudelijk toenemen en haar eigenlijk wezen; maar wat hart gaat niet open reeds bij de enkele toezegging van rust na al de arbeid en de moeite van het leven? Zó roept geen rave om de spijze, zó smacht geen bloemknop naar de zon, als soms de bedelaar hierbinnen om een rust, die ons telkens verder op aarde ontvlucht. Er komen uren en het zijn voorwaar niet de slechtste, waarin het zinrijk grafschrift: "hier rust" ons een pijnlijke zucht naar een beter land kan ontlokken; maar alleen voor de Christen is die zucht tegelijk profetie van het einddoel, dat hij nadert met iedere stap. En in die rust "volgen de werken met hem", d. i. van ieder zaad van het geloof en van de liefde, hier beneden met onvermoeide handen gestrooid, staat daarginds de oogst te verwachten. Let wel, er staat niet, dat de werken hun voorgaan, om hun op enigerlei wijs de poort van de hemel te openen; maar wél, dat de werken hen volgen daar waar het verborgen goede in het helderst daglicht zal treden. De lijdenskelk is er vergeten, maar niet de beker koud water, uit liefde aan een discipel gereikt; de rijke jongeling zijn de schatten ontzonken, maar van de twee penningkjes van de weduwe wordt rente op rente gestapeld; de kleren, door Dorkas gesponnen, werden lang de mot ten prooi, maar de tranen van de weduwe, die ze droeg, zijn parels aan haar eerkroon geworden. Heerlijk uitzicht en toch oneindig meer dan een bekoorlijke droom. "Ja" zegt nog altijd de Geest als weleer tussen de rotsen van Patmos. Ja, spreekt Hij in ieder mensenhart, dat naar zo'n zaligheid smacht. Ja, getuigt Hij in het Evangelie, dat op zo'n zaligheid wijst. Ja, herhaalt Hij aanvankelijk in de gemeente van de verlosten, die deze zaligheid aanvankelijk smaakt. Zeker, de schijn kan zelfs de wakkerste ogen bedriegen; waar een van Alphen huiverend de doodsvallei intreedt, sterft een Thalleyrand met een glimlach van zorgeloze vreugde op de lippen: en het is daarom bovenal te begeren, dat nog vóór ons sterven ons leven zijn getuigenis geeft. Maar toch, een Christen reist niet incognito uit de wereld, heeft de grote Bengel niet zonder reden gezegd en zeker draagt wel menig van onze de liefelijke herinnering van een heengaan mee, dat wel scheiden, maar geen sterven mocht heten. O vriendelijke lichtstraal nog eens, tegenover al de moeiten van het leven en de raadsels van de dood, die ons vaak zo zwaar op het hart wegen? Hier geldt het woord van de dichter: "het is van sterven op te houden, wat men ten onrecht sterven noemt. " Maar, o krachtige wekstem tegelijk tot verhoogde Evangelie-waardering en ernstige zelfbeproeving! Het betreft toch niets minder dan de vraag, of wij tot de doden behoren zullen, dan wel tot die ongelukkigen, waarvan het slechts twee verzen vroeger heet: "zij hebben geen rust dag en nacht. O God trekt een scheidslijn, die geen schepsel uitwissen kan; zorgen wij in tijds te weten, of wij aan de linker- of de rechterzijde behoren. En als aan de laatste, laat de hemelstem, hier vernomen, ons niet tevergeefs tot blijmoedig werken, nog op de laatste dag van de arbeidsweek wekken; de grote sabbath zal komen. (VAN OOSTERZEE).
Dit is een waarheid, van Adam tot op de voleinding van de wereld; maar hier geven die woorden wat bijzonders te kennen en hier wordt gezien op de tijd van de uitgang van de Kerk uit Babel, in welke tijd een grote strijd en vele verdrukkingen waren uit te staan en duizenden om de waarheid gedood zouden worden. Ofschoon zij de naam van Christus houden, omdat zij zich een Christus van wat meel maken en dat stukje brood aanbidden, omdat zij de voldoening van Christus verloochenen en zij hun zaligheid bij verstorven heiligen zoeken, omdat zij dagelijks offeren tot voldoening voor hun zonden en zo Christus een en volmaakte offerande vernietigen, omdat zij de beelden eren en de paus, de antichrist, de vijand van Christus is; daarom is het meer tot verheerlijking van de Heere Jezus, als een getuige voor Hem tegen de antichrist te sterven dan van de Heidenen om de zuivere naam van Christus gedood te worden en daarom doen deze martelaren een groter werk dan de vorigen onder de Heidenen en zij hebben niet minder de kroon van het marteldom te verwachten dan de anderen. Dus zijn die woorden, van nu aan, tot moedgeving om getrouw te zijn in de strijd tegen de antichrist, doordat de getrouwe getuigen de kroon van het leven en van de heerlijkheid zullen beërven, dit bevestigt de Heilige Geest, de Geest van de waarheid. In dit leven hebben zij moeite en verdriet gehad, maar na de dood is het rust en vrede en hun getrouwheid voor de naam van Jezus zal nooit in vergetelheid komen bij God en na hun dood zullen anderen door hun leven en martelaarschap opgewekt worden, om hun godzalige wandel na te volgen en ook getrouw te zijn tot de dood.
Diegenen sterven in de Heere, die door een waarachtig geloof Christus zijn ingelijfd, zich geheel op Hem verlaten, Hem alleen aanhangen, alleen op Hem zien en naar geen ander dan Hem alleen vragen. Van hen wordt gezegd: "zij leven in Christus", in wie Christus leeft door het geloof, die in Christus leven en hun leven geheel naar de wil van God gericht hebben. Zij sterven in het bijzonder in de Heere, die om de belijdenis van het ware geloof de dood lijden en in pijnen en martelingen komen. En voorts niet alleen dit, maar ook zij, die van het zwaard van de vervolgers niet worden verdaan, maar als de Heere hen roept, met een waarachtig Christelijk geloof heenreizen. Ook deze zijn zalig, zoals de Heere zegt: "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, die Mijn woord houdt, die zal de dood niet zien in de eeuwigheid. " Maar diegenen sterven niet in de Heere, die Hem verloochenen, opdat zij niet gedood worden, of zich met hun verdienste en voorbidding van de heiligen of met vreemde werken van de monniken en priesters vertroosten en zo wegsterven en menen, dat zij de werken van andere mensen zullen genieten.