Psalm 92:1-7
Deze psalm was bestemd om gezongen te worden of werd tenminste gewoonlijk gezongen in het huis des heiligdoms op de sabbatdag, die dag van de rust, die een ingestelde gedachtenisviering was van het werk van de schepping, van Gods rusten van dat werk en de bestendiging ervan in Zijn voorzienigheid, want de Vader werkt tot nu toe. De sabbatdag moet niet alleen een dag zijn van heilige rust, maar van heilig werk, en de rust is voor en leidt uit het werk. Het voegzame werk van de sabbat is God te loven, iedere sabbatdag moet een dankdag zijn, en daartoe moeten de andere diensten op die dag strekken, weshalve wij dit volstrekt niet als in een hoek moeten dringen. Een van de Joodse schrijvers verwijst hem naar het koninkrijk van de Messias en noemt hem: Een psalm of lied voor de toekomende eeuw, die een en al sabbat zal zijn. Door Christus genieten de gelovigen dat sabbatisme, die rust, welke overblijft voor het volk van God Hebreeën 4:9, het begin van de eeuwigen sabbat.
In deze verzen:
I. Worden wij geroepen en aangemoedigd om God te loven, vers 2-4. Het is goed dat men de Heere love. God te loven is een goed werk, het is goed op zichzelf, en goed voor ons, het is onze plicht, het is de schatting die wij aan onze Heer hebben te betalen, wij doen onrecht zo wij haar terughouden, het is ons voorrecht, dat wij toegelaten worden om God te loven, en de hoop hebben van er Hem welgevallig in te zijn, het is goed, want het is lieflijk en aangenaam, het is een werk, dat zijn eigen loon meebrengt, het is het werk des hemels. Het is goed om dankzegging te doen voor de zegeningen, die wij hebben ontvangen, want dat is het middel om nog meer zegeningen te verkrijgen, het is voegzaam de naam te zingen van Hem, die de Allerhoogste is, verhoogd boven alle lof en dank. Merk hier nu op:
1. Hoe wij God moeten loven, wij moeten het doen door Zijn goedertierenheid en trouw te verkondigen. Overtuigd zijnde van Zijn heerlijke eigenschappen en volmaaktheden, moeten wij ze verkondigen, als degenen, die er zelf diep door zijn getroffen, en begeren dat anderen er evenzo door aangedaan zullen worden. Wij moeten verkondigen, niet alleen Zijn grootheid en majesteit, Zijn heiligheid en gerechtigheid, die Hem verheerlijken en ons vervullen van ontzag, maar ook Zijn goedertierenheid en Zijn getrouwheid, want Zijn goedheid is Zijn heerlijkheid, Exodus 33:18, 19, en door deze maakt Hij Zijn naam bekend. Zijn goedertierenheid en waarheid zijn de grote steunpilaren van ons geloof en onze hoop, en de grote aanmoedigingen voor onze liefde en onze gehoorzaamheid, deze moeten wij dus verkondigen als onze pleitgronden in het gebed en als de stof de oorzaak, van onze blijdschap Dit werd toen gedaan niet alleen door te zingen, maar ook door er muziek aan toe te voegen, op het tiensnarig instrument, vers 4, maar het moest gedaan worden met een plechtige klank, niet met een vrolijk geluid, dat de geest allicht kon afleiden, maar op ernstige wijze, geschikt om hun aandacht te bepalen bij hetgeen zij deden.
2. Wanneer wij God moeten loven, in de morgenstond en in de nachten, niet alleen op de sabbatdagen, maar op elke dag, dat is het wat door de plicht van iedere dag wordt vereist. Wij moeten God loven, niet alleen in de openbare vergaderingen, maar ook in het verborgen en temidden van ons gezin, onszelf en hen, die ons omringen, wijzende op Zijn goedertierenheid en getrouwheid. Wij moeten elke dag beginnen en eindigen met God te loven, Hem dankzeggen iedere morgen, als wij nog fris en opgewekt zijn en voordat de werkzaamheden van de dag ons in beslag nemen, en iedere nacht, als wij weer tot rust en kalmte zijn gekomen. Iedere morgen moeten wij Hem dankzeggen voor de goedertierenheden van de nacht, en iedere nacht voor de zegeningen van de dag, uitgaande en inkomende moeten wij God loven.
II. Er wordt ons een voorbeeld gesteld in de psalmist zelf, beide om ons aan te sporen tot en ons te leiden in dat werk, vers 5. Want Gij hebt mij verblijd, Heere, met Uwe daden. Diegenen kunnen het best de plicht des lofs aanbevelen aan anderen, die zelf er het lieflijke van hebben ervaren. Gods werken, Gods daden, moeten geloofd worden, want menigmaal hebben zij mijn hart verblijd, en daarom: wat anderen er ook van mogen denken, ik moet er goed van denken en goed van spreken.
Als God ons de blijdschap heeft gegeven van Zijn daden, dan is er alle reden waarom wij er Hem de eer van zullen geven. Heeft Hij ons hart verblijd? Zo laat ons dan Zijn lof heerlijk maken. Heeft God ons verblijd door de werken van Zijn voorzienigheid voor ons en het werk van Zijn genade in ons? En beide door het grote werk van de verlossing? Zo laat ons er dan aanmoediging aan ontlenen voor ons geloof en onze hoop. Dat is het wat de psalmist doet: ik zal juichen over de werken Uwer handen. Uit de blijde herinnering aan hetgeen God voor ons gedaan heeft komt ons een blij vooruitzicht op hetgeen Hij zal doen, en zo kunnen wij juichen in de zekerheid ervan, 2 Thessalonicenzen 2:13, 14. Laat ons er stof aan ontlenen voor heilige aanbidding en bewondering van God, vers 6. O Heere, hoe groot zijn Uwe werken. Groot boven alle begrip of bevatting, boven alle uitdrukking! De voortbrengselen van grote macht en wijsheid, van groot belang en gewicht, daarbij vergeleken zijn der mensen werken niets. Wij kunnen de grootheid van Gods werken niet begrijpen, en daarom moeten wij ze met eerbied en ontzag bewonderen, verbaasd staan over hun pracht en heerlijkheid. Der mensen werken zijn klein en beuzelachtig, want hun gedachten zijn oppervlakkig, maar Heere, Uwe werken zijn groot, zodat zij niet gemeten kunnen worden, want Uwe gedachten zijn zeer diep, zij kunnen niet gepeild worden. Gods raad overtreft evenzeer het bedenksel van onze wijsheid, als Zijn werken de pogingen, of het streven, overtreffen van onze macht. "Zijn gedachten zijn hoger dan onze gedachten en Zijn wegen hoger dan onze wegen," Jesaja 55:9. "O diepten van Gods wijsheid en kennis," Romeinen 11:33. De grootheid van Gods werken moet ons leiden tot de beschouwing van de diepte van Zijn gedachten, de raad Zijns willens, waarnaar Hij alle dingen werkt. Hoe veelomvattend zijn Zijn gedachten, hoe wijd uitgestrekt zijn zij!
III. Wij worden vermaand om de werken Gods niet te veronachtzamen door ons te wijzen op de aard van hen, die dit wel doen, vers 7. Het zijn dwazen, zij zijn onvernuftig, die niet weten, niet verstaan hoe groot Gods werken zijn, er zich niet mee bekend willen maken noch Hem er de eer voor willen geven, zij "letten niet op de daden des Heeren, noch op het werk van Zijn handen," Psalm 28:5, zij verstaan inzonderheid de betekenis niet van hun eigen voorspoed, waarvan gesproken wordt in vers 8, zij beschouwen hem als een onderpand van hun geluk, terwijl hij slechts een voorbereiding is van hun verderf. Indien er zovelen zijn die de bedoelingen van Gods voorzienigheid niet kennen en er ook geen begeerte naar hebben om ze te kennen, dan hebben zij, die er door genade mee bekend zijn geworden, zoveel te meer reden om dankbaar te zijn.