Jesaja 2:10-22
De profeet gaat hier voort met aan te tonen welke verwoestingen over hun land gebracht zullen worden, nadat God hen verlaten heeft, hetgeen inzonderheid zien kan eerst op hun verwoesting door de Chaldeën, en daarna door de Romeinen, of het kan in het algemeen zien op de methode, die God aanwendt om trotse zondaren op te schrikken en te vernederen, en hun het welbehagen te ontnemen, dat zij hadden in dingen, waarin zij zich verlustigden, en waarop zij vertrouwden meer dan op God.
Hier wordt ons gezegd dat vroeg of laat God een middel zal vinden:
I. Om geruste zondaars op te schrikken en te doen ontwaken, die vrede roepen voor zichzelf, en God en Zijn oordelen trotseren vers 10. "Ga in de rotssteen, God zal u aanvallen met zulke verschrikkelijke oordelen, en u met zo'n verschrikking er door slaan, dat gij gedwongen zult zijn om in de rotssteen te gaan en u te verbergen in het stof vanwege de schrik des Heeren". Gij zult al uw moed verliezen, sidderen op het ritselen van een blad, uw hart zal bezwijken van vrees Lukas 21:26 en "gij zult vlieden waar geen vervolger is," Spreuken 28:1. Van een zelfde strekking en inhoud is vers 10. Zij zullen in de spelonken van de steenrotsen gaan, en in de holen van de aarde, de donkerste en diepste plaatsen, zij zullen roepen tot de rotsen en bergen om op hen te vallen, en hen veeleer te verpletteren dan hen niet te bedekken, Hosea 10:8. Zo is het inzonderheid geweest bij de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen, Lukas 23:30, en door de vervolgende heidense machten, Openbaring 6:1-6, en dat alles vanwege de schrik des Heeren en om de heerlijkheid van Zijn majesteit, daar zij dan op Hem zien als een verterend vuur, en op zichzelf als stoppelen voor Zijn aangezicht, wanneer Hij zich opmaken zal om de aarde te verschrikken, en de goddeloze van haar uit te schudden, Job 38:13, en al die aardse steunsels te doen wankelen, waarop zij gesteund hebben, en die van onder hen weg te schudden. Bij God is ontzaglijke majesteit, en zo groot is de heerlijkheid ervan, dat zij vroeg of laat ons allen zal noodzaken om te vlieden van voor Zijn aangezicht. Zij, die God niet willen vrezen en niet tot Hem willen vluchten, zullen genoodzaakt zijn Hem te vrezen en van Hem te vluchten tot een toevlucht van de leugens. Het is dwaasheid van hen, die vervolgd worden door de toorn van God, om te denken dat zij eraan ontkomen kunnen, of er zich tegen kunnen verbergen of beschutten. De dingen van de aarde zijn dingen, die geschud worden, zij zijn aan schokken onderhevig en zij spoeden zich heen naar een algeheel verderf. Het doen schudden van de aarde vers 19, zal verschrikkelijk wezen voor hen, die hun hart en hun genegenheden geheel en al op de dingen ervan gezet hebben. Het zal ijdel wezen, om te denken een toevlucht te zullen vinden in de holen van de aarde wanneer de aarde zelf geschud wordt, er zal dan geen schuilplaats zijn dan in God en in de dingen, die boven zijn.
II. Om trotse zondaars te vernederen en te verlagen, die hoog van ogen zijn, hoge gedachten koesteren van zichzelf, en minachtend denken van allen, die om hen heen zijn, vers 11. De hoge ogen van de mensen zullen vernederd worden, de ogen die naar hoge dingen zien in de wereld, het aangezicht, waarin de hoogmoed des harten te lezen is, die zullen in schaamte en wanhoop neergeslagen worden en de hoogheid van de mannen zal neergebogen worden, hun moed en geestkracht zullen gebroken zijn, zij zullen moedeloos, terneergeslagen wezen, en over de dingen, waarop zij zo trots waren, zullen zij zich schamen. Dit wordt herhaald in vers 17. De hoogheid van de mannen zal vernederd worden. Op de ene of andere wijze zal hoogmoed vallen. De hoogheid van de mannen zal vernederd worden, hetzij dat zij door de genade van God overtuigd zullen worden van het kwaad van hun hoogmoed, en met ootmoedigheid zullen worden bekleed, of doordat de voorzienigheid Gods hen berooft van al de dingen, waarop zij hoogmoedig waren, en ze terneerwerpt. Onze Heiland heeft het dikwijls als een grondbeginsel gesteld dat hij, die zich verhoogt, vernederd zal worden. Hij zal of zichzelf vernederen in waar berouw en bekering, of God zal hem vernederen of verachting over hem uitstorten. Nu wordt ons hier gezegd:
1. Waarom dit gedaan zal worden, namelijk omdat de Heer alleen in die dag verheven zal zijn. Hoogmoedige mensen zullen daarom vernederd worden, omdat de Heer alleen verhoogd. zal worden. Het is de eer van Gods macht om de hoogmoedigen te vernederen, hiermede bewijst Hij zich God te zijn, en weerlegt Hij Jobs aanspraak om met Hem te wedijveren, Job 40:6-9 :Zie al wat is hoogmoedig is verneder het, dan zal Ik ook u loven. Het is ook voor de eer van Zijn gerechtigheid, hoogmoedige mensen staan in mededinging met God, die ijvert voor Zijn eer en heerlijkheid, en de mensen niet zal toelaten, hetzij om datgene voor henzelf te nemen, of aan een ander te geven, wat Hem alleen toekomt, zij zijn ook in tegenstand met God, zij weerstaan Hem, en daarom wederstaat Hij hen, want Hij zal verhoogd worden onder de heidenen, Psalm 46:11. En de dag komt, wanneer Hij alleen verhoogd zal zijn, als Hij teniet zal doen alle heerschappij en alle macht en kracht, 1 Corinthiers 15:24.
2. Hoe dit gedaan zal worden, door vernederende oordelen, die de mensen zullen vernederen, en hen naar beneden zullen brengen, vers 12. De dag des Heeren van de heerscharen, de dag van Zijn toorn en oordeel, zal zijn tegen alle hovaardigen, en daarom lacht Hij nu over hun onbeschaamdheid, omdat Hij ziet dat Zijn dag komt, die dag, die tegen hen komen zal eer zij het weten, Psalm 37:13. Deze dag des Heeren wordt hier gezegd te zijn tegen alle cederbomen die van Libanon, die hoog en verheven zijn. Hiëronymus merkt op dat van de ceders gezegd wordt, dat zij God loven, Psalm 148:9, en dat zij bomen des Heeren zijn, Psalm 104:16, Zijn planting zijn, Jesaja 41:19, en toch gaat hier Gods toorn uit tegen de ceders, hetgeen te kennen geeft-zegt hij-dat sommigen van iedere rang en stand van mensen, sommige groot en aanzienlijk behouden zullen worden, en sommigen zullen omkomen. Het wordt hier te pas gebracht als een voorbeeld van de kracht van Gods stem, dat zij de cederbomen verbreek!, Psalm 29:5, en hier wordt gezegd dat de dag des Heeren zal zijn tegen de ceders, die van de Libanon die de rechtste en statigste waren, tegen de eiken, die van Basan, die de krachtigste en stoerste waren, en, vers 14, tegen de natuurlijke hoogten en vestingen, de hoge bergen en verheven heuvelen, die boven de valleien uitsteken en tegen de hemel schenen te stoten, en vers 15, tegen de door kunst aangelegde vestingen, tegen elke hoge toren en tegen elke vasten muur. Versta dit:
A. Als voorstellende het hoogmoedige volk zelf, die als de cederbomen en eiken zijn, naar hun eigen begrip vastgeworteld zijn en door geen stormen bewogen kunnen worden, en alles rondom hen als struiken aanziende, deze zijn de hoge bergen en verheven heuvelen, die de aarde schijnen te vervullen, die door allen aangestaard worden, en die wanen onbeweeglijk te zijn, maar het meest blootgesteld zijn aan Gods donderslagen, (teriuntque summos fulmina-de hoogste heuvelen zijn het meest aan de bliksem blootgesteld). En voor de kracht van Gods toom worden deze bergen verstrooid, buigen deze heuvelen en versmelten als was, Psalm 68:9, Habakuk 3:6. Deze snoevende mannen, die als hoge torens zijn, waarin de luidruchtige klokken zijn opgehangen, op welke de moorddadige schietwerktuigen geplant zijn, deze vaste muren, die zich versterken met hun aangeboren stoutmoedigheid, en zich verschansen in hun sterke stellingen, zullen terneergeworpen worden.
B. Als in bijzonderheden aanduidende de dingen, waarop zij hoogmoedig waren, waardij op vertrouwden, en welke zij roemden. De dag des Heeren zal tegen die dingen zijn, waarop zij vertrouwen als hun kracht en veiligheid, Hij neemt hun gehele wapenrusting, waarop zij vertrouwden. Hebben de inwoners van Libanon geroemd in hun cederbomen, en die van Basan in hun eiken, die door geen andere landen geëvenaard konden worden? De dag des Heeren zal deze cederbomen, deze eiken scheuren, en de huizen, die erven gebouwd zijn. Heeft Jeruzalem geroemd in de bergen, die rondom haar zijn als haar onneembare sterkte, of in haar muren en bolwerken? Zij zullen op de dag des Heeren geslecht en met de grond gelijk gemaakt worden.
Behalve op de dingen, die voor hun sterkte en veiligheid dienden, waren zij ook trots:
a. Op hun handel met het buitenland, maar de dag des Heeren zal wezen tegen alle schepen van Tarsis, zij zullen gebroken worden zoals die van Josafat, zinken in volle zee, of schipbreuk lijden in de haven. Zebulon was aan de haven van de schepen, maar zal zich niet meer verheugen over zijn uittocht. Als God verderf brengt over een volk, dan kan Hij alle takken van inkomsten doen achteruitgaan en vervallen.
b. Op hun versierselen in hun eigen land. Maar de dag des Heeren zal wezen tegen alle gewenste schilderijen, het beschilderen van hun schepen-zo verstaan het sommigen-of de kunstige schilderstukken, die zij uit andere landen meebrachten in hun schepen misschien wel uit Griekenland, dat later beroemd werd om zijn schilders. Op alles wat schoon is om aan te zien, zo verstaan het sommigen. Misschien waren het de portretten van hun bloedverwanten, en om die reden gewenst, of van hun goden, die kostelijke heerlijke dingen waren voor de afgodendienaars of wel zij bewonderden ze om hun fraaie kleuren. Er is geen kwaad in het maken van schilderijen, of in het versieren van onze kamers er mee, mits zij noch het tweede, noch het zevende gebod overtreden. Maar wel in onze schilderijen onder onze gewenste dingen te plaatsen, er verzot op te zijn, er trots op te wezen, datgene er aan te besteden, dat te koste gelegd behoort te worden aan werken van liefdadigheid, ons hart er op te zetten, en gelijk dit weinig betaamt aan hen, die zoveel degelijke zaken hebben om zich in te verlustigen, zo brengt het God er toe om ons van al zulke ijdele versierselen te beroven.
III. Om afgodendienaars beschaamd te maken over hun afgoden en over de genegenheid die zij er voor gekoesterd hebben, en de eerbied, die zij hun hebben bewezen, vers 18. Elkeen van de afgoden zal ganselijk vergaan. Als de Heer alleen verheven zal zijn, vers 17, dan zal Hij niet alleen verachting uitstorten over hoogmoedige mensen, die, gelijk Farao, zich verheffen tegen Hem, maar nog veel meer over voorgewende godheden, die Zijn mededingers zijn voor goddelijke eerbewijzen, zij zullen vergaan, ganselijk vergaan, hun vrienden zullen hen verlaten, hun vijanden zullen hen vernietigen, zodat men voor goed van hen bevrijd wordt. Zie hier:
1. De ijdelheid van valse goden, zij kunnen zichzelf niet beveiligen, zover is het er vandaan, dat zij instaat zouden zijn, om hun aanbidders te beveiligen of te beschermen.
2. De zegepraal van de ware God over hen want groot is de waarheid, en zij zal zege vieren. Dagon viel voor de ark, en Baäl voor de Heer, de God van Elia. De goden van de heidenen zullen uitgeteerd worden, Zefanja 2:11, en zullen trapsgewijze vergaan, Jeremia 10:11. De rechtmatige soeverein zal triomferen over alle indringers en overweldigers. En gelijk God de afgoden zal doen vergaan, zo zullen hun aanbidders hen verlaten, hetzij uit een godvruchtige overtuiging van hun ijdelheid en leugen, zoals Efraïm, toen hij zei: Wat heb ik meer met de afgoden te doen? of uit een late en treurige ervaring van hun onmacht om hen te helpen, en van wanhoop om door hen verlichting te verkrijgen, vers 20. Als de mensen door de oordelen Gods verschrikt zijn en een toevlucht zoeken in de spelonken van de rotsstenen en de holen van de aarde, en bevinden dat zij tevergeefs pogingen aanwenden om zich te beveiligen, dan zullen zij hun afgoden, die zij zich tot goden gemaakt hebben en hoopten tot hun vrienden te maken in tijden van nood, wegwerpen voor de mollen en de vleermuizen, overal heen, het doet er niet toe waarheen, zo zij slechts buiten hun gezicht zijn, opdat zij, bevrijd zijnde van hun last, kunnen gaan naar de kloven van de rotsstenen vanwege de schrik des Heeren, vers 21. Zij die van hun zonden niet weggeredeneerd willen worden, zullen er vroeg of laat van weggeschrikt worden. God kan de mensen doen walgen van de afgoden, waarop zij het meest verzot zijn geweest, zelfs van de afgoden van zilver en de afgoden van goud van de kostbaarsten. Geldgierige mensen maken zilver en goud tot hun afgoden, het geld is hun god, maar de tijd kan komen, wanneer zij het als hun last zullen gevoelen, hoezeer zij er vroeger ook hun vertrouwen op hebben gesteld, zullen bevinden dat zij er door aan gevaar worden blootgesteld, terwijl zij dachten dat zij er door beschut zouden worden, als het hun vijanden aanlokt, als hun schepen vergaan, of als hun vlucht er door vertraagd wordt. Er was een tijd, toen de zeelieden de vaten, die in het schip waren, en zelfs het koren in de zee wierpen, Jona 1:5, Handelingen 27:38, en de Syriërs wierpen hun kleren weg in hun haasten, 2 Kronieken 7:15. Of de mensen kunnen het wegwerpen in toorn tegen zichzelf, omdat zij op zo'n gebroken rietstaf hebben gesteund. Zie Ezechiël 7:19. De afgodendienaars werpen hier hun afgoden weg, omdat zij er zich over schamen, en zich schamen over hun eigen dwaasheid om er op te vertrouwen, of omdat zij bevreesd zijn om in hun bezit te worden gevonden, als de oordelen Gods uitgaan, zoals de dief zijn gestolen goederen wegwerpt, als hij gezocht en vervolgd wordt. De donkerste holen, waar de mollen en de vleermuizen huizen, zijn de geschiktste plaatsen voor afgoden, die ogen hebben en niet zien, en God kan de mensen noodzaken om daar hun afgoden te werpen, Hoofdstuk 30:22, als zij zich schamen over de eiken, die zij begeerd hebben, Hoofdstuk 1:29. Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis Israëls beschaamd is geworden vanwege Bethel, Jeremia 48, 13. Het is mogelijk dat men van de zonde walgt en van haar aflaat, zonder dat men er toch waar berouw van heeft, men walgt ervan, omdat men er oververzadigd van is, men laat haar na, omdat er geen gelegenheid is om er in voort te gaan, maar men heeft er geen berouw van uit liefde tot God, maar slechts uit slaafse vrees voor Zijn toorn.
IV. Om hen, die op een mensen arm hebben vertrouwd, beschaamd te maken over hun vertrouwen, vers 22. "Laat gijlieden dan af van de mens. De voorzienigheid Gods over u zal dit luid tot u spreken, wees dus reeds van tevoren gewaarschuwd, opdat gij de onrust en de schande voorkomt van een teleurstelling, en bedenkt":
1. Hoe zwak de mens is zijn adem is in zijn neus, ieder ogenblik wordt hij uitgeademd, spoedig is hij voor goed, voor altijd, weg. De mens is een stervend schepsel, en kan spoedig sterven, onze neus, waarin onze adem is, behoort tot het uitwendige deel van ons lichaam wat daar is, is als iemand, die aan de deur staat, gereed om te vertrekken, ja de deuren van de neus staan altijd open, de adem er in kan wegglippen eer wij het weten, in een ogenblik tijde. Waarin is de mens de te achten? Helaas, er valt niet op hem te rekenen, want hij is niet wat hij schijnt te zijn, wat hij voorgeeft te zijn, wat wij hem denken te zijn. De mens is aan ijdelheid gelijk, ja hij is ijdelheid, hij is geheel en al ijdelheid, hij is minder, hij is lichter dan ijdelheid, als hij is de weegschaal van het heiligdom wordt gewogen.
2. Hoe wijs zij dus zijn, die aflaten van de mens, het is onze plicht, het is ons belang, om dit te doen. " Vertrouwt niet op de mens, stelt zelfs de aanzienlijkste, de machtigste van de mensen niet tot uw betrouwen, laat af van dit te doen. Laat uw oog niet wezen op de macht van de mens, want zij is eindig en beperkt, ontleend en afhankelijk, het is niet van hem, dat uw oordeel voorkomt, laat hem uw vreze niet zijn, last hem uw hoop niet zijn, maar zie op naar de macht van God, waaraan alle macht van mensen onderworpen en ondergeschikt is, vrees Zijn toorn, verzeker u van Zijn gunst, neem Hem tot uw helper, en laat uw hoop wezen in de Heer uw God."