Openbaring 21:1-8
Wij hebben hier een meer algemeen overzicht van de gelukzaligheid der gemeente Gods in haar toekomstigen staat, waaronder wij veiligst haar toestand in den hemel kunnen verstaan.
I. Een nieuwe wereld opent zich nu voor onze ogen, vers 1. En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, dat is: een nieuw heelal, want onder het woord hemel verstaan wij hemel en aarde. Onder een nieuwe aarde bedoelen wij een nieuwe toestand voor de lichamen der mensen en een hemel voor hun zielen. Deze wereld wordt niet opnieuw geschapen, maar opnieuw geopend en vervuld met degenen, die haar beërven zullen. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde zullen dan niet van elkaar onderscheiden zijn, die aarde van de heiligen, hun verheerlijkte lichamen, zal dan geestelijk en hemels zijn en deel uitmaken van deze reine en schitterende woningen. Om plaats te maken voor den aanvang van deze nieuwe wereld, was de oude wereld met al haar moeiten en veranderlijkheid voorbijgegaan.
II. In deze nieuwe wereld zag de apostel de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, niet plaatselijk maar oorspronkelijk. Dit nieuwe Jeruzalem is de gemeente Gods in haar nieuwen en volmaakten toestand, toebereid als ene bruid, die voor haar man versierd is, heerlijk gemaakt door al de volmaaktheid van wijsheid en heiligheid, geschikt voor de volkomen vereniging met den Heere Jezus Christus in heerlijkheid.
III. De gezegende tegenwoordigheid van God bij Zijn volk wordt hier afgekondigd en bewonderd. Ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en God zelf zal bij hen en hun God zijn, vers 3. Merk hier op:
1. De tegenwoordigheid van God bij Zijne gemeente in hare heerlijkheid.
2. Het is een oorzaak van verwondering, dat de heilige God ooit bij een van de mensenkinderen zal wonen.
3. De tegenwoordigheid van God bij Zijn volk in den hemel zal nooit, gelijk hier op aarde, onderbroken worden, maar Hij zal voortdurend bij hen wonen.
4. Het verbond, het gemeenschappelijk belang en de betrekking, die hier tussen God en Zijn volk bestaan, zullen in den hemel volmaakt worden. Zij zullen Zijn volk zijn. Hun zielen zullen als het ware in Hem opgaan met al de liefde, de verering voor en de blijdschap in God, welke hun betrekking tot Hem vereist, en dat zal hun volmaakte heiligheid uitmaken.
God zelf zal hun God zijn, Zijne onmiddellijke tegenwoordigheid bij hen, Zijne liefde aan hen geopenbaard, Zijne heerlijkheid op hen gelegd, zullen hun volmaakte gelukzaligheid uitmaken. Hij zal van Zijne zijde geheel aan den aard der betrekking voldoen, gelijk zij van hun kant.
IV. Deze nieuwe en gezegende toestand zal geheel vrij zijn van alle moeite en verdriet.
1. Alle gevolgen van vroegere droefenissen zullen weggenomen worden. Hier hebben zij dikwijls tranen gestort, om hun zonden, van droefheid, bij de rampen die de gemeenten troffen, maar nu zullen alle tranen van hun ogen afgewist worden. Geen teken, geen gedachtenis van vroegere droefheid blijft over, geen andere dan die hun tegenwoordige gelukzaligheid nog voller en groter maken kan. God zelf als hun tedere Vader, met Zijn eigen zachte hand, zal al de tranen uit de ogen Zijner kinderen wegwissen, en zij zouden die tranen niet willen missen, nu zij weten dat God zelf ze afdrogen zal.
2. Alle oorzaken van toekomende droefheid zullen weggenomen worden. De dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn, dat waren dingen, die mogelijk waren in en behoorden bij hun vroegeren toestand, maar de eerste dingen zijn weggegaan.
V. De waarachtigheid en zekerheid van dezen gezegenden toestand worden bevestigd door Gods woord en belofte, Johannes ontvangt bevel om het op te schrijven ter eeuwige gedachtenis, vers 5. Het onderwerp van dit gezicht is zo groot en zo belangrijk voor de gemeente en het volk van God, dat zij daarvan de volste verzekering ontvangen moeten en God daarom de waarachtigheid er van herhaalt en doet opschrijven. Bovendien, verscheidene eeuwen zouden voorbijgaan tussen den tijd, waarin het gezicht gegeven, en dien, waarin het vervuld werd, en daarin zouden zware beproevingen in menigte voorkomen, en daarom beval God het op te schrijven tot eeuwige gedachtenis en voortdurend gebruik voor Zijn volk.
1. De zekerheid van de belofte wordt bevestigd. Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. Daarop volgt: Het is geschied. Zo zeker alsof het reeds gebeurd was. Wij mogen en moeten Gods belofte aannemen alsof zij de vervulling waren, wanneer Hij zegt dat Hij alle dingen nieuw maakt, is dit in beginsel reeds geschied.
2. Hij verpandt ons Zijn titels en Zijn eer als zekerheid voor de gehele vervulling, de titels de Alfa en de Omega, het begin en het einde. Het was Zijne heerlijkheid dat Hij den aanvang van de wereld en van de gemeente tot stand bracht, het zal Zijne heerlijkheid zijn dat Hij het aangevangen werk voleindigt en het niet onvoltooid laat. Gelijk Zijn macht en Zijn wil de eerste oorzaak van alle dingen zijn, zo zijn Zijn welbehagen en heerlijkheid er de volmaking van, Hij zal Zijn doel niet missen, want dan zou Hij niet langer de Alfa en de Omega zijn. De mensen beginnen dikwijls aan dingen, die zij niet voltooien kunnen, maar de raad Gods zal bestaan en Hij zal al Zijn welbehagen doen.
3. Het verlangen van Zijn volk naar dezen zegenrijken toestand levert een ander bewijs voor de waarachtigheid en zekerheid er van. Zij dorsten naar een toestand van zondeloze volmaaktheid en onafgebroken blijdschap in God, en God zelf heeft deze reikhalzende begeerte in hen gewrocht, die nooit voldaan worden kan door enig ander ding hoe ook genaamd, en daarom zou het de foltering der ziel zijn indien zij teleurgesteld werden. Maar dat zou onbestaanbaar zijn met Gods goedheid en met Zijne liefde voor de Zijnen, heilige en hemelse begeerten in hen te scheppen, en hun dan de voldoening daarvan te onthouden, .en daarom kunnen zij er van verzekerd zijn, dat wanneer zij hun tegenwoordige moeilijkheden overwonnen hebben, Hij den dorstigen zal geven uit de fontein van het water des levens voor niet.
VI. De grootheid van deze toekomstige gelukzaligheid wordt beschreven en toegelicht.
1. Door de kosteloosheid ervan, zij is een vrijwillige gave Gods. Hij geeft het water des levens voor niet en daarom zal Zijn volk er niet minder, maar meer dankbaar voor zijn. 2. De volheid ervan. Het volk van God is dan gelegerd bij de hoofdbron van alle zegeningen: het zal alles beërven, vers 7, door God te genieten zullen zij alle dingen genieten. Hij is alles in allen.
3. Door het recht waarmee zij deze zegeningen genieten, het recht van erfgenamen, zij zullen zonen Gods zijn, de meest-eervolle van alle namen, die voortspruit uit de naaste en dierbaarste betrekking tot God, en de zekerste en onveranderlijkste tevens, want er kan geen sprake van zijn dat die betrekking ooit gewijzigd wordt.
4. Door den grotelijks daarvan verschillenden toestand der goddelozen. Hun ellende draagt er toe bij om de heerlijkheid en gelukzaligheid van de heiligen in het licht te stellen, zowel als de onderscheidende goedheid Gods jegens hen, vers 8. Merk hier op:
A. De zonden van hen, die verloren gaan. In de eerste plaats worden genoemd hun vreesachtigheid en ongeloof. De vreesachtigen openen de zwarte lijst. Zij durfden de moeilijkheden van den godsdienst niet het hoofd bieden, en hun slaafse vrees bracht hen tot ongeloof. Maar zij, die zo bang waren dat zij het kruis van Christus niet op zich durfden nemen en hun plicht jegens Hem vervullen, schroomden niet zich over te geven aan allerlei afschuwelijke goddeloosheid, doodslag, hoererij, toverij, afgoderij en leugen.
B. Hun straf. Hun deel is in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer, hetwelk is de tweede dood.
a. Zij konden niet voor de zaak van Christus op den brandstapel sterven, nu moeten zij voor hun zonden branden in de hel.
b. Zij moeten na hun natuurlijken dood een tweeden dood lijden, de angsten en verschrikkingen van den eersten dood leveren hen over aan de veel groter verschrikkingen en angsten van den tweeden dood, die is sterven en eeuwig stervende zijn.
c. Hun ellende zal hun verdiende deel en loon zijn, zij hebben het rechtvaardig verdiend, in werkelijkheid hebben zij het zelf gekozen, het is hetgeen zij door hun zonden zich zelven bereid hebben. Zo zal de ellende der verdoemden de gelukzaligheid van de geredden in het licht stellen, en de gelukzaligheid der geredden zal de ellende der verdoemden vergroten.