1 Corinthiërs 11:23-34
Ten einde dit gruwelijk bederf en deze ongeregeldheden weg te nemen, stelt de apostel hun de heilige instelling voor ogen. Dat moet de regel zijn waarnaar alle ongeregeldheden verbeterd worden.
I. Hij zegt ons hoe hij tot de kennis ervan gekomen is. Bij de instelling was hij niet met de apostelen tegenwoordig, maar hij heeft van den Heere ontvangen, hetgeen hij hun overgegeven heeft, vers 23. Hij heeft zijne kennis van deze zaak door openbaring des Heeren, en wat hij ontvangen heeft, heeft hij hun overgegeven, zonder een tittel van de waarheid te veranderen, zonder er iets aan toe te voegen of af te nemen.
II. Hij geeft ons een meer bijzonder verhaal van de instelling dan wij ergens anders vinden. Wij hebben hier een verslag:
1. Van den insteller, onzen Heere Jezus Christus. Alleen de Koning der kerk heeft de bevoegdheid om sacramenten in te stellen.
2. Van den tijd der instelling. Het was in den nacht, in welken Hij verraden werd, op het punt dat Hij het lijden zou ondergaan, waarvan daarin gedachtenis gevierd wordt.
3. Van de instelling zelf. Onze Zaligmaker nam het brood en nadat Hij gedankt (of gezegend, Mattheus 26:26) had, brak Hij het en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt, doet dat tot Mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker na het eten des avondmaals en zei: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijne gedachtenis, vers 24, 25. Merk hier op:
A. De middelen van het sacrament. De zichtbare tekenen zijn brood en beker. Het eerste wordt hier meermalen brood genoemd, ook na wat de Roomsen noemen de heiliging. Wat gegeten wordt heet brood, ofschoon het tegelijkertijd gezegd wordt het lichaam des Heeren te zijn, een duidelijk bewijs dat de apostel niets weet van de monsterachtige en onzinnige leerstelling der transsubstantiatie. De beker is zo duidelijk een deel van de instelling als woorden slechts aanduiden kunnen. Mattheus zegt ons dat de Heere hun allen beval daarvan te drinken, 26:27, alsof Hij door deze woorden opkwam tegen de handeling der Roomse kerk, die den leken den beker onthoudt. Beide van brood en beker moet genoten worden, want het is een heilig feestmaal. Zomin hier als ergens anders wordt noodzakelijk gesteld dat de beker een bepaalde soort van drank bevat. Bij een der evangelisten is het duidelijk dat de vloeistof, door onzen Zaligmaker gebruikt, wijn was, ofschoon die waarschijnlijk naar Joodse wijze met water gemengd was. Maar dit maakt het op generlei wijze onmogelijk het sacrament te vieren, wanneer men niet in de gelegenheid is om wijn te bekomen. In elke plaats der Schrift, waarin ons deze instelling wordt verhaald, wordt altijd zinnebeeldig gesproken. De beker wordt genoemd voor hetgeen er in is, zonder, zelfs in de woorden der instelling, aan te duiden welke vloeistof hij bevat. De dingen, door deze uiterlijke tekenen voorgesteld, zijn het lichaam en bloed van Christus, Zijn verbroken lichaam en Zijn vergoten bloed, met al de zegeningen, die voortvloeien uit zijn dood en offerande. Het is het Nieuwe Testament in Zijn bloed. Zijn bloed is het zegel en de bevestiging van al de voorrechten van het Nieuwe Verbond, en de waardige ontvangers nemen het als zodanig, volgens deze heilige instelling. Zij hebben het Nieuwe Testament en hun eigen aanspraak op al de zegeningen van het nieuwe verbond, verzekerd door Zijn bloed. B. Wij hebben hier de sacramentele handelingen, de wijze waarop de voorwerpen van het sacrament behoren gebruikt te worden. De handelingen van onzen Zaligmaker waren brood en beker nemen, dankzeggen, het brood breken, en beiden aan Zijne discipelen geven. De handelingen van de deelgenoten moeten zijn: het brood nemen en eten, den beker nemen en drinken, beide ter gedachtenis van Christus. Maar deze uitwendige handelingen zijn niet alles, ze zijn zelfs niet het voornaamste van wat bij deze heilige instelling geschieden moet, ze hebben hare betekenis. Onze Zaligmaker na Zich zelven Gode geofferd te hebben en door Zijn dood voor al Zijn getrouwe gelovigen de vergeving der zonden met al de andere voorrechten des Evangelies verworven te hebben, gaf, door deze instelling, Zijn lichaam en bloed aan Zijne discipelen, en gaat daarmee voort telkens als het avondmaal gevierd wordt. Die worden hier voorgesteld en het wordt voorgezet als voedsel voor de zielen. En aangezien voedsel, hoe gezond en overvloedig het ook zij, geen voeding geeft indien het niet wordt gegeten, moeten zij, die het avondmaal vieren, ook eten en drinken, of Christus ontvangen en zich met Hem voeden, en door het geloof dat voedsel in hun zielen opnemen. Zij moeten Hem aannemen als hun Heere en leven, zich aan Hem onderwerpen en leven door Hem. Hij is ons leven, Colossenzen 3:4.
C. We vinden hier meegedeeld wat het doel van deze instelling is. Het werd gegeven om te doen tot gedachtenis van Christus, om in onze zielen levendig te houden een vroegere gunst, Zijn sterven voor ons, zoveel als ons te herinneren aan een afwezigen vriend, Christus tussen treden voor ons door kracht van Zijn sterven, aan de rechterhand Gods. De beste van onze vrienden en het grootste bewijs van vriendschap worden ons daardoor herinnerd, met de mededeling van alle daaruit voortvloeiende genegenheid en genade. Het doel van de handeling en hare betekenis is: Zo dikwijls gij dit doet, gedenk Mijns. Het was het verkondigen van den dood van Christus, dien openbaar maken en belijden. Het is niet slechts ter herinnering aan Christus, aan wat Hij gedaan en geleden heeft, dat deze instelling gegeven werd, maar om deel te nemen aan, om te vieren, Zijn heerlijke neerbuiging en genade in onze verlossing. Wij verklaren dat Zijn dood ons leven is, de oorsprong van al onze vertroosting en hoop. En wij verheerlijken Hem door deze verklaring, wij tonen Zijn dood en leggen dien Gode voor, als de offerande en het rantsoen door ons aangenomen. Wij tonen ons eigen geloof, onze eigen vertroosting en redding, en we laten ze door dezen dienst aan de wereld zien, dat wij discipelen van Christus zijn, die alleen van Hem onze zaligheid en aanneming bij God verwachten.
D. Verder wordt er hier op gedoeld, betreffende de instelling zelf, dat ze dikwijls moet gevierd worden. Zo dikwijls als gij dit brood eet, enz. Onze lichamelijke maaltijden herhalen zich dikwijls, wij kunnen zonder die leven en gezondheid niet onderhouden. En het is betamelijk dat ook geestelijk die leefregel moet in acht genomen worden. De oude gemeenten vierden het avondmaal elke dag des Heeren, indien zelfs niet elke keer dat zij ter Godsverering samenkwamen. Het moet voortdurend geschieden. Het moet gevierd worden totdat de Heere komt, tot Zijne wederkomst, zonder zonde, tot zaligheid van hen die geloven, en tot oordeel over de wereld. Dat is onze volmacht tot het vieren van dit feest. Het was de wil onzes Heeren, dat wij de herinnering aan Zijn lijden en dood zouden vieren, tot Hij wederkomt in Zijne heerlijkheid en in de heerlijkheid des Vaders, met Zijn heilige engelen, om een einde te maken aan den tegenwoordigen staat van zaken en aan Zijn middelaars-regering, door het laatste oordeel. Het avondmaal des Heeren is geen tijdelijke instelling, maar ene voor den gehelen duur dezer bedeling. III. Hij houdt den Corinthiërs voor het gevaar van onwaardig ontvangen en gemeen maken van deze instelling, zoals zij deden door het te gebruiken voor feesten en scheuringen, met oogmerken geheel tegen het doel in, en in een toestand des geestes, die er ten enenmale niet bij paste, door het verbond met zonde en dood te houden, terwijl zij beleden het verbond met God te vernieuwen en te versterken.
1. Daarin ligt grote schuld. Zij zouden schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren, vers 27, aan geweldpleging aan de heilige instelling, aan verachting van Zijn lichaam en bloed. Zij handelden alsof zij het bloed des verbonds, waardoor zij geheiligd waren, onrein achtten, Hebreeën 10:29. Zij maakten de instelling gemeen, en kruisigden in zekeren zin hun Zaligmaker opnieuw. In plaats van door Zijn bloed gereinigd te worden, werden zij schuldig aan Zijn bloed.
2. Zij liepen daardoor grote gevaren. Zij aten en dronken zich zelven een oordeel, vers 29. Zij tergden God en liepen gevaar zich een oordeel op den hals te halen. Zonder twijfel laadden ze grote schuld op zich, en maakten zich der verdoemenis waardig, geestelijke oordelen en eeuwige ellende. Elke zonde is in zich zelve verdoemelijk, en dus vooral zulk een schandelijke zonde als het gemeen maken van deze heilige instelling. En zij wordt op de ergste wijze ontheiligd door de verachting en ruwheid, waaraan de Corinthiërs schuldig stonden. Maar vreesachtige gelovigen moeten niet ontmoedigd worden om aan deze heilige handeling deel te nemen, door de woorden van den apostel, alsof zij zich blootstelden aan het oordeel der verdoemenis door onvoorbereid tot de tafel des Heeren te naderen. Deze zonde zowel als de andere kan, na berouw, vergiffenis vinden, en de Heilige Geest heeft nooit deze woorden van de Schrift gebruikt om ernstige Christenen van hun plicht terug te houden, ofschoon de duivel ze er dikwijls voor misbruikt heeft, en daardoor vele goede Christenen van hun heerlijkst voorrecht beroofd. De Corinthiërs kwamen tot de tafel des Heeren als tot een gewoon feest, niet onderscheidende het lichaam des Heeren, geen verschil of onderscheid makende tussen dat lichaam en gewoon voedsel, maar beide op een lijn stellende, zelfs gebruikten ze vrij wat meer onverschilligheid bij dit heilige feest dan bij gewone maaltijden. En dat was zeer zondig in hen en mishaagde God grotelijks. En het bracht Zijne oordelen over hen. Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen, vers 30. Sommigen werden met ziekte gestraft, anderen met den dood. Een zorgeloos en onverschillig ontvangen van des Heeren avondmaal kan tijdelijke straffen veroorzaken. Toch schijnt het verband aan te duiden, dat zelfs zij, die op zulke wijze gestraft werden, in Gods gunst deelden, tenminste velen hunner.
Zij werden door den Heere getuchtigd, opdat ze niet met de wereld veroordeeld zouden worden, vers 32. Goddelijke kastijding is een bewijs van goddelijke liefde. Dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, Hebreeën 12:6, voornamelijk met het genadige doel om hun eeuwige veroordeling te voorkomen. Temidden van zijn oordelen gedenkt God Zijner barmhartigheid, en dikwijls kastijdt Hij hen, die Hij het tederst bemint. Het is liefde de roede te gebruiken ten einde het verderf des kinds te voorkomen. Zulke ongerechtigheid als de hier behandelde bezoekt Hij met slagen, maar Hij maakt die slagen tot tekenen van Zijne liefde. Zij waren deelgenoten van Gods gunst, die Hem nu in deze zaak zo zwaar beledigden en Zijn oordelen over zich haalden, tenminste velen hunner waren het, want zij werden gekastijd uit vaderlijke toegenegenheid, opdat ze niet voor eeuwig verloren zouden gaan. Het is beter in deze wereld druk te verdragen dan voor eeuwig rampzalig te zijn. En God kastijdt Zijn volk hier, ten einde hun eeuwig leed af te wenden.
IV. Hij omschrijft den plicht van hen, die tot de tafel des Heeren naderen willen. 1. In het algemeen. De mens beproeve zich zelven, vers 28, onderzoeke en doorzoeke zich zelven. Laat hem achtslaan op de heilige bedoeling, het karakter, het gebruik van deze heilige instelling, en daarmee vergelijken zijn doel in het gebruik daarvan en zijn geestesgesteldheid, en wanneer hij zo zich zelven door zijn eigen geweten voor Gods aangezicht beproefd heeft, dan kome hij. Zulke zelfbeproeving is nodig voor een waardig deelnemen aan deze heilige instelling. Zij, die door zwakheid van verstand, zich zelven niet beproeven kunnen, zijn ongeschikt om dit brood te eten en dezen beker te drinken, en evenzeer zij, die na ernstige zelfbeproeving, zich te beschuldigen hebben van onboetvaardigheid, ongeloof of afkeer van een leven met God. Zij, die aan deze bruiloftsdis welkom zijn zullen, moeten het bruiloftskleed aan hebben: genade in overkleding en genade in de praktijk.
2. De plicht van hen, die totnogtoe ongestraft bleven voor hun ontheiliging van deze instelling. Indien wij ons zelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden, vers 31. Indien wij grondig ons zelven doorzochten, en hetgeen we ongerechtig bevonden veroordeelden en verbeterden, dan zouden wij de goddelijke oordelen voorkomen. Nauwgezet en gestreng voor ons zelven en voor ons gedrag te zijn is in dit leven het beste middel om niet onder de rechtvaardige gestrengheid van onzen hemelsen Vader te geraken. Wij moeten niet anderen oordelen, opdat wij niet geoordeeld worden, Mattheus 7:1, maar wij moeten ons zelven oordelen, ten einde te voorkomen dat we door God geoordeeld en veroordeeld worden. Wij moeten zeer gestreng voor ons zelven, en zeer mild voor anderen zijn.
V. Hij besluit met ene waarschuwing tegen de ongeregeldheden, waaraan zij schuldig stonden, vers 33 en 34, hen vermanende alle onbetamelijkheid aan de tafel des Heeren te vermijden. Tot stilling van den honger en voor hun genoegen konden zij thuis eten, en zij mochten het heilig avondmaal niet veranderen in een gewoon feestmaal, nog veel minder den voorraad opeten alvorens zij, die niets konden meebrengen, er hun deel van genoten hadden, anders zouden ze gezamenlijk onder het oordeel komen. Door ons eigen wangedrag kunnen onze heilige plichten een middel voor onze verdoemenis worden. Christenen kunnen den Sabbat vieren, leerredenen horen, de sacramenten gebruiken, en daardoor slechts hun schuld vermeerderen en zwaarder oordeel over zich brengen. Een treurige maar ernstige waarheid! O laat ons allen toezien, dat we niet te eniger tijd samenkomen ter verering Gods, en daardoor Hem beledigen en Zijn wraak over ons halen! Heilige dingen moeten heilig gebruikt worden, anders worden ze ontheiligd. Wat verder onder hen niet goed was zou hij regelen wanneer hij zou gekomen zijn.