4. En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een ieder, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, (maar verlos ons van de boze).
Vergelijken wij deze tekst met die in Mattheus 6:9, dan ontbreekt niet alleen de doxologie aan het einde, maar er is ook bij de vierde bede (Vers 3) en de vijfde Vers 4) verschil in de woorden. Omtrent het eerste punt verwijzen wij naar de opmerking bij 1 Kronieken 29:12 , over het tweede wat over het verschil in de woorden van de tien geboden bij Exodus 20:6 gezegd is. Veel opmerkelijker is echter de afwijking in verscheidene handschriften van de grondtekst, waarvan ook de oudste kerkvaders spreken, zodat men bijna zou geloven dat Lukas werkelijk oorspronkelijk zo geschreven heeft als de handschriften de woorden weergeven en dat onze tekst eerst door aanvulling uit Mattheüs is ontstaan. Daar ontbreekt namelijk zowel iedere bijvoeging bij de aanspraak "Vader, " als ook de 3de en 7de bede geheel, zodat het gebed slechts de verkorte vorm heeft, die ontstaat als men wat boven tussen haakjes gezet is, weglaat. De grote verkorting moet daaruit worden verklaard dat, toen Lukas zijn evangelie schreef, het gebed van de Heere juist in die vorm en niet in de volledige bij Mattheüs onder de Paulinische gemeenten in gebruik was. Maar, zo is verder de vraag, hoe kwamen deze gemeenten er toe die beide beden weg te laten? Wij geloven dat de 7de bede, vooral wanneer wij ze, zoals onze Statenvertalers, vertalen: "Verlos ons van den boze", d. i. van de duivel (1 Johannes 5:18, ) in bijzondere betrekking staan tot het binden van de satan gedurende duizend jaren en de 4de bede tot de oprichting van het duizendjarig rijk (Openbaring 20:1, ). Deze zaken hebben minder betrekking op de kerk, die uit de heidenen is samengebracht, omdat zij een vervulling zijn van de bijzonder aan Israëls volk gegeven beloften. Nu blijkt ook verder bij Mattheüs dat hij in Zijn voor Israël geschreven evangelie graag op het duizendjarig rijk doelt, alhoewel hij het niet noemt (vgl. Mattheus 19:28, 20:1-16) terwijl de beide andere evangelisten, die hoofdzakelijk op de heidenwereld het oog hebben, dergelijke plaatsen, die op die toekomst doelen, die de heidenen niet dadelijk aangaat, liever weglaten. Zolang de kerk de vorm is van het rijk van God, dat de Joden is ontnomen en de heidenen gegeven, heeft zij in haar geloofsleer geen plaats voor het chiliasme of de leer van het duizendjarig rijk en zal zij die ook niet hebben; maar zij richt haar blik van de overwinning van de Antichrist dadelijk op de wederkomst van Christus ten oordeel met overspringen van de voorspelling in Openbaring 0:1-10. Tot deze tijd van de kerk, nu de natuurlijke takken van de olijfboom zijn afgehouwen en in hun plaats takken van de wilde olijfboom zijn ingeënt (Romeinen 11:17, ), zou dan de vorm van het "Onze Vader" bij Lukas overleiden. Is het rijk van God om zo te zeggen verkort, is er een gebrek aan zichtbaar, zo komt daarmee ook een verkort kort gebed van de Heere overeen; deze zou dan de gedachte zijn geweest, die de Paulinische gemeenten heeft geleid. Nu is evenwel in die verkorte vorm het "Onze Vader" toch een volledig gebed. Dat heeft Quesnel nader uiteengezet in de volgende woorden: "Door de rangschikking van de bede is de opvolging van de wensen aangewezen, die in een hart opkomen, dat God lief heeft - ten eerste: God, de Vader, wil niet door knechten, maar door kinderen aangebeden zijn; wij moeten voor Hem komen uit liefde tot Hem en tot heiliging van Zijn naam. Het eerste verlangen van het hart en de eerste beweegreden van ons handelen is dus de eer van God in deze wereld door de heerschappij van het rijk van de genade en de heiliging van onze zielen; het tweede is het komen van het rijk van de heerlijkheid, waarin de kennis van God, het kindschap, de heiligheid en de liefde tot volkomenheid wordt, waar alle uitverkorenen met hun hoofd voor alle eeuwigheid geheel in de eenheid van het geestelijk lichaam worden samengevat. Het derde is het verlangen naar de bijstand van God tot onze heiligmaking, waartoe voor het lichaam zijn voedsel evenzo noodzakelijk is als voor de ziel de genade. Een arm reiziger begeert zijn brood iedere dag en eet slechts om verder te kunnen reizen - zo willen ook wij ons dagelijks brood als reizigers naar het vaderland begeren, waar wij met het brood des levens verzadigd zullen worden. Een reiziger heeft echter niet alleen voedsel nodig, maar bij moet de hinderpalen ter zijde stellen, die hem ophouden of zijn loop kunnen vertragen, zijn schulden betalen, van zijn processen bevrijd worden, zich met zijn vijanden kunnen meten; daarom is het vierde verlangen, dat naar de vergeving van zonden en naar de barmhartigheid van God. Eindelijk het vijfde verlangen van ons hart is naar het volharden in de liefde voor God onder alle gevaren van de verzoeking, waardoor wij overal omringd zijn. Hoe meer wij de genade van God, waarvan ons eeuwig heil afhangt, naar haar hele waarde weten te schatten, des te ernstiger moeten wij waken en bidden, opdat zij ons niet door de verzoeking wordt ontrukt. Het laat zich wel denken dat de Heere zelf hier in Gethsemane aan de Olijfberg Zijn gebed in verkorte vorm aan de discipelen zal hebben meegedeeld; Hij wist toch hoe Hij van hier een half jaar later de discipelen ook van de ondergang van Jeruzalem en van de tempel zou moeten vertellen. Wij zullen ons intussen bij het verdere aanvoeren van woorden van de schriftuitleggers aan de volledige vorm houden, zoals die dan ook bij ons burgerrecht heeft verkregen, alsof de andere niet bestond; daardoor streeft dan ook de kerk naar de toekomst, naar de tijd dat Israël weer zal worden ingeënt, opdat het geheim van God zal worden volbracht (Openbaring 10:7).
In het woord Vader wordt het dubbele gevoel van onderwerping en van vertrouwen uitgedrukt. De naam wordt in het Oude Testament alleen gevonden in Jesaja 63:16 (vgl. Psalm 103:13) en wordt alleen met betrekking tot het geheel van de natie gebruikt. De vrome Israëliet voelde zich als knecht van Jehovah, niet als kind. De kinderlijke betrekking, waarin de gelovige tot God staat, rust op de menswording van de Zoon en van de openbaring van de Vaders, daarin begrepen. (Hoofdstuk 10:22; vgl. Johannes 1:12).
Voor het nieuwe en volmaakte gebed stelt Jezus Zijn discipelen op een nieuw standpunt, in een nieuwe, in de volkomenste en innigste betrekking tot God. Zij moeten God kennen, vertrouwen, ervaren als Vader, zich voelen als kinderen van God. Voor u, zegt Hij tot hen, is God Vader; u, de Mijnen, Mijn broeders, bent voor Hem kinderen; voel zo, geloof zo, vertrouw zo, bid zo. Het kind kan de vader bidden als niemand anders; het kind kan om alles bidden. Zo hadden de discipelen nooit gebeden, zo had men in het algemeen in Israël nooit gebeden. Wij hebben in het Oude Testament een menigte gebeden van gelovige en heilige Israëlieten, maar niet een met de aanspraak "Mijn Vader" of "Onze Vader. " In alle psalmen van David, die gelovigste, kinderlijkste , met God zo vertrouwelijk omgaande man, komt die uitdrukking van kinderlijk gevoel niet eens voor. Hoe waar, hoe eigenlijk, in hoe grote mate zij dat moesten opnemen, hebben de discipelen gaandeweg beter leren begrijpen, naarmate zij in de kennis van Jezus Christus en van Zijn betrekking tot God en mensen verder kwamen.
Tot God "Vader" te zeggen mag geen roof zijn, die vlees en bloed, eigenwaan en wil zich toeëigent, maar een macht gegeven aan hen, die de eengeboren Zoon van de Vader aannemen en daardoor Gods kinderen worden (Johannes 1:12), een macht van de wedergeboorte.
Het woord "Vader" maakt scheiding onder de mensen, zodat het gebed van de Heere alleen bestemd is voor discipelen van de Heere, die door Hem tot God komen (Johannes 14:6) en dat alleen diegenen moeten bidden, waarin het kindschap aanwezig is. Het woord "onze" verenigt daarentegen die tot de familie van Gods kinderen behoren, die hebben opgehouden alleen te staan, zich alleen te voelen en alleen zichzelf te zoeken. In hen allen moet één erkentenis zijn van de hemelse Vader, één behoefte en één verlangen, één gevoel van broederliefde beweegt hen en iedere behoefte en iedere aangelegenheid moet in het gevoel van de liefde voor alle kinderen van God, die hetzelfde nodig hebben en dezelfde belangen hebben, aan de ene gemeenschappelijke Vader in de hemel worden voorgedragen. Zoals het "vader" kinderlijk klinkt, zo klinkt het "onze" broederlijk; wanneer u bidt, om alleen te zijn met uw God, sluit dan de deur achter u, maar de deur van uw hart moet wijd worden opengezet voor de gemeenschap van de Heilige Geest, zodat door deze tederste en meest vaste band de schare van de zuchtende en strijdende kerk van alle oorden van de wereld daarin plaats heeft, evenals u uit het "Onze Vader" zeker kunt zijn dat u een plaats hebt in de gebeden van de broeders, zeker, dat zij en u met alle priesterkoren van de Christenheid in de voorbede bent ingesloten van de enige Hogepriester, wanneer die aan het hoofd van de verloste mensheid voor zijn Vader treedt en zegt: "Zie, hier ben Ik en de kinderen, die Gij mij gegeven hebt. " - Zolang nog de verschillende kerken het "Onze Vader" hebben, is het geloof in "één heilige algemene kerk" meer dan een beeld van de fantasie, meer dan een schone droom. Daarin is iets van de een kudde schapen met de ene Herder. Er is een algemeen heiligdom, waarin zij allen voor hun Heer verschijnen; het is de algemene bodem, waarop zij allen zich voor de Heere plaatsen. Daarin klinkt de gemeenschap van de heiligen, terwijl de hele Christenheid daarin gezamenlijk de handen van de Vaders grijpt, elkaar de handen reikt en wel over zo menige kloof, die hen scheidt. Het "Onze Vader" is het gedenkteken voor de eenheid van de strijdende kerk midden in de scheiding daarvan; het is ook de profetie voor de eenheid van de triomferende kerk in haar volmaking.
God is in de hemel, daar, waar de zetel van volmaaktheid, reinheid en zaligheid is, waar de vrije, zalige ruimten van de volmaakte geesten zich uitbreiden, waar licht zonder schaduw, grootheid zonder vlekken, goedheid zonder perken heerst en liefde, blijdschap en genade neerstroomt van de troon van de Eeuwigen op allen en waar wat geen oog heeft gezien, geen oor gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, degenen openbaar wordt, die Hem beminnen - daar is God, de Grote en Verhevene, wie te denken, te noemen, tot wie te durven bidden al zaligheid is. Maar wij zijn nog op aarde, in het land van nacht en tranen, op de strijdplaats vol zweet en bloed vergieten, onder de lijken van de vallende broeders. Hij is in het zijn, wij zijn in het worden; Hij is in eeuwige zaligheid, wij zijn in de toestand van wankelen, van kiezen, van beproeving. Hij is in de hemel; want Hij is zelf de hemel, heerlijk en wonderbaar in Zijn eigen helderheid en oneindigheid en wij zijn op aarde, want wij zelf zijn aarde, van de aarde genomen, voor de aarde bestemd! Wat een onmetelijke kloof tussen hemel en aarde, tussen Schepper en schepsel! Echt, bij deze afstand zouden wij kunnen duizelen en allen moed zouden wij kunnen verliezen bij de woorden "die in de hemelen zijt" als niet de voorzin "onze Vader" de woorden inleidde, die verzachtend. Door die voorzin worden echter deze woorden, die ons niet neerdrukken, woorden van zaligmakende vertroosting en van hemelse hoop. Want al was het dat de verheven God in de hemel woont, in ontoegankelijk licht en wij geen weg tot Hem wisten, zo heeft Hij toch in ontfermende liefde de weg tot ons weten te vinden en Zich aan ons als Vader geopenbaard, opdat ook wij eens zouden zijn waar Hij is en nu is de blik naar boven tot de hoogte van de hemel voor ons de zaligste blik van het aardse leven. Nu stijgen onze harten, zo vaak het hier beneden zwaar en drukkend wordt en rondom ons alles woest en vijandig zich voordoet, naar boven in het vaderland van de liefde, waar de trouwste Vriend, de beste Vader en Raadsman woont. Nu zijn wij onbevreesd in ieder lijden, want wij weten; onze God is in de hemel, Hij kan doen wat Hij wil en Hij is in de hemel omwille van ons, om ons van daar te beschermen, te bewaren, het plan van ons leven te ontwerpen en ten einde te brengen. Nu zoeken wij naar hetgeen boven is, zoals ieder zoon in de vreemde aan het huis van de vader, aan zijn vrienden, aan broeders en zusters met innige liefde terugdenkt en wij vergeten het nooit, dat de goederen van de aarde niets zijn bij de goederen van de hemel, de vreugde van de aarde niets bij de heerlijkheid van de volmaakte geesten, de gunst van de mensen niets bij de genade van God. Nu verlangen wij naar de hemel, waar Hij is en ons een plaats heeft bereid; wij zouden vaak al graag overwinnaars zijn, kronen, palmtakken en witte klederen willen dragen; wij heffen dagelijks onze ogen op naar gindse bergen, waarvan wij de Heiland Jezus Christus, onze Heere, verwachten.
Zeven feesttijden heeft het kerkelijk jaar en zeven beden heeft het "Onze Vader" die met dezen overeenstemmen. In de adventstijd wachten wij op de openbaring van de goddelijke vadernaam; in de Kersttijd juichen wij dat het rijk van God is gekomen in Christus Jezus, de Zoon van God; in de Epifanieëntijd zien wij het voorbeeld aan van de rondgaande profeet, door wie ten minste de wil van God is gedaan, zoals in de hemel zo ook op aarde; in de lijdenstijd worden wij herinnerd aan Hem, die, hoewel Hij vreugde had kunnen hebben, het kruis heeft verdragen en de schande veracht, om ons in de eerste plaats het brood van de ziel te geven en ons in het bezit van de vrede van God tevreden te maken, wanneer wij slechts voor het tijdelijke leven voedsel en kleren hebben. In de tijd van Pasen, waarin wij gedenken aan Hem, die om onze zonde is gestorven en tot onze rechtvaardigmaking opgewekt, roepen wij blijder dan ooit: vergeef ons onze schulden enz. Op het Pinksterfeest verblijden wij ons in de komst en worden iets gewaar van de kracht van de Heilige Geest, waardoor wij alleen de verzoekingen kunnen tegenstaan; in de tijd van Trinitatis ten slotte wandelen wij met de kerk door de wegen van de heiligmaking tot de laatste dingen, tot de laatste verlossing van de boze. De drie eerste beden: 1) een neerdalen van de belofte van de hemel tot de aarde de naam in de hemel, het rijk tussen hemel en aarde, de wil op aarde; 2) een opstijgen van het offer van de aarde tot de hemel, een opoffering van onze naam, van onze macht, van onze wil.
In het woord: "Uw naam worde geheiligd" spreekt de Heere het eerste, diepste heilige gevoel uit van Zijn eigen hart, Zijn innigst verlangen, Zijn eigen eerste bede: dat, wat de ziel van al Zijn willen en leven was (Johannes 17:4, 6). Hij legt dat in de ziel en in de mond van Zijn discipelen, opdat het ook voor hen het eerste en laatste, het hoogste en liefste worden zal, hun hele hart vervullend, hun hele leven regerend. Gods naam wordt geheiligd wanneer Hij, zoals Hij is, als God, zonder dat dwaling, bijgeloof, ongeloof of onwetendheid aan Zijn Wezen iets toedoet, of aan Zijn wezen, Zijn gezindheid, Zijn wil, Zijn bedoelingen, Zijn wegen iets ontneemt, wordt erkend, geëerd, geliefd, vertrouwd, ervaren; wanneer Hij zelf, geen afbeelding, noch enige gelijkenis van een willekeurig, zelfgemaakt begrip van Hem, maar Hij zelf, zoals Hij is, zoals Hij zelf Zich aan de mensen heeft geopenbaard, erkend en geëerd wordt. De duivel heeft vanaf het begin geprobeerd om Gods naam te onteren, te lasteren, door dwaling en leugen te verdringen en te misvormen. De Zoon van God had geen ander, geen hoger werk dan de naam van God, de naam van Zijn Vader, de onbekende, misvormde, ontheiligde naam van Zijn God en Vader te prediken, te openbaren, te heiligen. Zo is nog steeds elke verkondiger van de door God geopenbaarde en tot God leidende waarheid, iedere weerlegging van de leugen en van de dwaling, elke tegenspraak tegen de geest, die in de wereld heerst, die God niet kent noch God vereert, elke verdediging van de Bijbel en de wegen en instellingen van God, een heiliging van Gods naam.
Hoeveel onwaardige begrippen van God en Zijn wezen heersen er onder de mensen! Het kind van God bidt Hem Zijn heilig wezen in het geweten van de mensen krachtig te openbaren, opdat alle onreine, grote en fijne afgoderij, alsook alle farizese vormdienst wegvallen zal en ieder menselijk wezen door aanbidding vervoerd, met de serafs (Jesaja 6) uitroept: Heilig, heilig, heilig!
Zoals de tweede bede vooral in verband staat met het werk van de zending, zo de eerste vooral met de zaak van de bijbelverspreiding; zij leert ons wanneer wij de betrekking tot de gave van de Heilige Schrift nader moeten aangeven, 1) danken voor de openbaring van de goddelijke naam, 2) een zelfbeproeving instellen over ons verdiepen in de Heilige Schrift, 3) waken voor de reine en luide prediking van het goddelijke Woord.
Wat is het voor een rijk, om welke komst wij bidden, met de woorden: Uw Koninkrijk kome! Het is zeker niet het rijk van de natuur, waarin God door Zijn almacht de Heere is en alle dingen, zelfs de wereld, zelfs hel en satan Hem onderworpen zijn; hierom toch hoeven wij niet eerst te bidden, het is al overal en waar wij ons ook mogen bevinden zijn wij in dit rijk en kunnen wij Hem nooit ontvluchten. Het rijk van God, waarover de Heere spreekt in Zijn gebed, is het rijk van de genade, in de harten van de mensen en het eeuwige rijk van de heerlijkheid, het rijk van God in zijn voltooiing.
Onder het "rijk van God" kan niets anders worden verstaan dan het Koninkrijk der hemelen, welk begin Johannes als nabij verkondigt en welke Koning Christus, de Zoon van David is, dat in de harten van Zijn gelovigen begint zich ruimte te maken en ze met Zijn eerstelinggaven te verkwikken, totdat de Heere zal komen in Zijn heerlijkheid, om het zo te bewerken en te openbaren, dat alle voorspellingen van de profeten van dit rijk als vervuld voorkomen. De Heere beveelt ons te bidden om de vervulling van dit laatste doel van alle profetie, dit voorwerp van de hoop van allen, voor wie de profetische getuigenis Gods Woord is (Hoofdstuk 18:7 v. ). Doelt deze bede in haar volste, eigenlijke betekenis op het einde van de wegen van God, zo is daarom, zoals vanzelf spreekt, niet uitgesloten wat nodig is om dit doel teweeg te brengen en in zoverre vraagt deze bede ook voor het tegenwoordige de overwinning van de waarheid in de harten van degenen, aan wie ze wordt gepredikt; de vermeerdering en de groei van de kerk van God in- en uitwendig.
Het rijk van God kan op tweeërlei manier komen, ten eerste hier tijdelijk door het woord en het geloof, ten tweede eeuwig door de openbaring (1 Corinthiërs 1:7. Romeinen 8:19). Nu bidden wij beide, dat het komen zal tot degenen die nog niet daarin zijn en tot ons, die het verkregen hebben, door dagelijks toenemen en later in het eeuwige leven.
Het rijk van God komt van de hemel op aarde, zodat van de aarde een hemel wordt; niemand zal echter van de aarde ten hemel varen, tot wie niet het rijk van God van de hemel op aarde is neergedaald. (JOH. MAJOR).
Uw wil geschiede op aarde als in de hemel; dat is een moeilijke bede; zij is zo makkelijk voor het gehoor, zij is zo snel na gesproken; zij is in haar wezen zo natuurlijk en toch is zij in haar volbrenging zo bovenmate moeilijk. Miljoenen hebben haar dagelijks gebeden tot aan hun einde en toch de wil van hun God nooit volbracht; zij bevat een toon, waaraan de mens zich zijn hele leven moet oefenen. Daarom is zij echter ook verder een hoogst belangrijke bede en het doel, waartoe de beide eerste beden moeten leiden. Zij staat daarmee in betrekking als het einde tot het begin en tot het midden. Wie de naam van God erkend en bekend heeft en wie daardoor Zijn rijk deelachtig is geworden, diens roeping is het dan ook dat hij de wil van God vervult op aarde, zoals die in het rijk van de hemel altijd vervuld wordt; deze bede is dus het hoofdpunt in de drie eerste beden.
Een verschillende opvatting is er over de vraag of men onder de wil van God de bevelende Godswil van ons, of de besluitende Godswil over ons moet verstaan. Die de laatste mening volgen, denken vooral aan de wil van God, die ons beproeving toeschikt; omdat echter van de bereidvaardigheid om de goddelijke beproeving op zich te nemen bij de geheel rechtvaardige geen sprake meer kan zijn, komt de eerste opvatting als de juistere voor.
De hemel, de gezindheid en het gedrag van hen, die in de hemel wonen, wordt in derde bede aan degenen die op de aarde zijn als ideaal en voorschrift gesteld.
Verbreek, verbrand, vernietig wat U niet volkomen welgevallig is; of mij de wereld aan een draad of aan een keten vasthoudt, is alles in Uw ogen hetzelfde, omdat alleen een geheel vrijgemaakte geest, die al het andere schade noemt en alleen zuivere liefde gelden. - Heere! Ontneem mij, wat mij van U scheidt; Heere! Geef mij, wat mij tot U voert; Heere! Neem mij en laat mij geheel Uw eigendom zijn. (NICOLAAS VAN DER FLÜE). Wij kennen tweeërlei leven, dat van de vrees en dat van de vreugde; een leven van vreugde nu is het, dat wij in het heilige "Onze Vader" op zo'n hoogte worden verheven, hier al onder de heiligen en zaligen daarginds en het is niet anders dan alsof wij in de hemel waren, daarin verheven over drie trappen, over de drie eerste beden. Waarom Jezus het dierbare gebed niet met deze woorden besloten heeft? Kunnen wij dan iets hogers bidden? Jezus wist wel wat ons heilzaam was en wat wij op deze aarde nog hadden door te strijden; daarom voegde Hij er nog vier beden bij.
Biddend heeft de Christen eerst God de eer gegeven; de naam van God heeft Hem toegeschitterd, zodat Hij Zijn eigen naam vergat; het rijk van God heeft Hem met zijn volheid overladen en verootmoedigd, zodat zijn bijzondere heerlijkheid tot niet werd; de wil van God heeft hem aangegrepen als de heldere laatste dag en heeft hem verteerd als een offervuur met het innigste van zijn eigen leven, met zijn eigen wil. Zo heeft hij God Zijn recht gegeven, maar hij zelf schijnt verdwenen. Ja, de wereld schijnt een heilige ashoop onder dit verterend vuur van de alles doordringende wil van God geworden te zijn (Hebreeën 12:29). Maar de God van de Christen verteert zijn offers niet, maar Hij verheerlijkt ze door het kwaad in hen teniet te doen. Zo komt dan de gelovige gelouterd te voorschijn uit het vuur van God en heeft nu zijn wil in God. In de drie eerste beden openbaarde zich de ijver voor de eer van God, voor de hemelse naam van de Vader, voor het koninkrijk van de Zoon, voor de volkomen wil van de Heilige Geest. In de vier laatste beden daarentegen wordt gesproken van de zaligheid van de Christenen, die uit het aanschouwen van deze eer van God voortkomt, het hogere leven van de mens op aarde, waarin zij als eeuwige individuen voor God staan. Drie is het getal van de Geest 35:26), vier is het getal van het leven op aarde.
De heilige Alpenhoogten van het Onze Vader liggen achter ons, wij komen nu in de dalen; de drie verheven beden om heiliging van Gods naam, om de komst van Zijn rijk, om het geschieden van Zijn wil, zijn een enige, drie-enige bede, om de verheerlijking van de drie- enige God op aarde. Wij begeven ons nu in de diepte, tot het vierledige gebed van de kinderen van God, voor eigen welzijn en zaligheid, namelijk tot de beden om brood, om vergeving, om bewaring en om verlossing.
Met reden wordt de bede om brood vooraan geplaatst; want als de zorgen voor het lichaam niet overwonnen zijn, kan de ziel zich niet verheffen om haar zaligheid te zoeken; als het lichaam al te hard door gebrek geplaagd wordt, als een man met zijn kinderen altijd door nood gedrongen is om brood te vragen, wordt daarbij vaak alle nood van de ziel, ja, de ziel zelf vergeten. Daarom moeten wij in de vierde bede onze zorg voor het aardse aan de eeuwige Verzorger overgeven, opdat wij vrij en ongehinderd en van ganser harte in de laatste beden zoeken en bidden kunnen wat van de Geest is.
Het woord van de grondtekst, dat bij ons door "elke dag" is vertaald epiousiov komt verder in de Griekse taal nergens voor; (dergelijke woorden zijn er nog enige andere: pioticov Markus 14:3. Johannes 2:3 "onvervalst", peiyov 1 Corinthiërs 2:4 "beweeglijk", parabouleuomaiFilippenzen 2:30 "niet achten", euperistatov Hebreeën 12:1 lichtelijk omringend en schijnt door de apostelen in de tijd toen het gebed van de Heere voor het dagelijks gebruik ook bij die leden van de gemeente overging, die alleen het Grieks machtig waren (vgl. Handelingen 6:1, ) gevormd te zijn voor de Aramese uitdrukking, waarvan de Heere Zich bediend had en dat zal wel volgens Spreuken 30:8 deze zijn geweest Nqh Mhl "het brood van het bescheiden deel", dat Gij als voor ons nodig, maar ook voldoende acht, dus niet minder, maar ook niet meer. Door de bijvoeging op onze plaats van to cay hmeran komt de bedoeling uit: "dat voor iedere dag juist genoeg is", dus het brood dat voor ons bestaan dagelijks gevorderd wordt (1 Timotheus 6:8. Hebreeën 3:5). Anderen geven de voorkeur aan een afleiding, volgens welke men zou moeten vertalen "geef ons heden ons brood voor de volgende dag", dat met het woord van Christus in Mattheus 6:34 in strijd is; want als men dat al zegt, daarmee neemt juist de Heere de zorg voor de volgende dag weg, wanneer Hij de nooddruft voor die nu al ons van God laat vragen, dan moet men juist omgekeerd zeggen: daardoor zou Christus juist de zorg voor de volgende dag ons inscherpen, wanneer Hij geleerd had in ons dagelijks gebed over de grenzen van de tegenwoordige dag heen te kijken en ons dan slechts tevreden te laten zijn, als wij nu al hadden, waarmee wij ons morgen moesten verzorgen.
Wat eist dagelijks de vierde bede van ons? 1) een mond, die zich het gebed niet schaamt en het danken niet vergeet; 2) een hand die getrouw is in de arbeid en mededeelzaam in de liefde.
Volgens de letterlijke zin is het brood, waarom wij in de vierde bede bidden, het gewone brood, het "lieve" brood, zoals onze vaderen het noemden en waarvan zij zeiden: "Het is iets groots Gods woord en een stuk brood te hebben". De waarde van het brood in die eenvoudigste betekenis van het woord kunnen het best de geringen onder het volk, onze met stof bedekte broeders met handen vol eelt waarderen, maar ook de rijken moeten aan de waarde daarvan denken, zodat het gebrek niet over hen komen zal als een gewapend man en de ontbering hen zal leren achten wat zij in de overvloed niet achtten. Een voornaam Arabier was eens in de woestijn verdwaald en werd door de honger gekweld; daar vindt hij een zak, die een reiziger vergeten had; vol hoop bekijkt hij die en denkt niet anders dan dat het voedsel zal zijn wat daarin is. Maar er zijn edelstenen in en bitter teleurgesteld roept de man vol smart uit: "Het zijn slechts edelstenen, ik dacht dat het brood was!" Heb achting voor het brood en verzamel steeds de overgeschoten brokken! Wij mogen echter in onze verklaring niet bij de eerste letterlijke zin blijven staan, maar moeten met de catechismus van Luther (zie ook de Heidelbergse Catechismus Zondag 50) tot het dagelijks brood rekenen alles wat tot voeding en onderhouding van het lichaam behoort, als eten, drinken, kleren, schoenen, huis, hof, akker, vee, geld, goed, een vroom echtgenoot, goede kinderen, brave dienstboden, rechtschapen en getrouwe bestuurders, goede regering, goed weer, vrede, gezondheid, orde, goede naam, goede vrienden, trouwe buren en dergelijke. Elke wens omtrent stoffelijke goederen, in zoverre ons die volstrekt nodig zijn evenals het brood, mag in de vierde bede tot God opstijgen. God is zeker niet zo'n God, dat Hij het Zich niet zou laten welgevallen als bijvoorbeeld een arme dienstmaagd, die zich de voeten heeft stuk gelopen, Hem om een paar schoenen vraagt, of als een vaak geplaagd burger, wier kwade buren het leven lastig gemaakt hebben, Hem om getrouwe buren bidt. Een van de door Luther genoemde 23 stukken hebben velen in latere tijd van die gebedslijst van de gelovigen willen schrappen, namelijk het geld. Men heeft het verkeerd gevonden ook het geld als een gave van God te beschouwen en gemeend dat om het geld als zodanig wel nooit een gelovige zal hebben gebeden, laat staan voor een ontvangen muntstuk een dankzegging zou hebben uitgesproken. Maar om hoe menig geldstuk heeft de godzalige Aug. Herm. Francke gebeden en voor hoe menige daalder die hij ontving, heeft hij dankbaar de handen gevouwen! Nee, echt, zo is het woord van de "onrechtvaardige Mammon" niet bedoeld, alsof het geld metalen zonde was. De Heiland zelf nam zonder vrees de penning in de hand en wij mogen zonder vrees om penningen en guldens, als wij ze nodig hebben, de handen tot gebed opheffen. Om alles wat tot voeding en onderhouding van het lichaam behoort mag en moet de Christen zijn hemelse Vader bidden; dat leert het woordje "brood"; maar ware bidders moeten ook vergenoegde mensen zijn, dat leert het woordje "dagelijks"; en vlijtige mensen, dat leert het woordje "ons brood" en barmhartige mensen, dat leert het woordje "geeft ons" en mensen, die op God vertrouwen, dat leert het woordje "heden" en erkentelijke mensen, dat leert het woordje "geef".
Onder de verklaring van wat tot het dagelijks brood behoort, vinden wij een menigte zaken genoemd, die zelden een mens allen tezamen heeft. Maar als sommigen iets hebben bijvoorbeeld akkers en vee, dan nemen de anderen uit hun volheid ook hun deel. Wat de rijke God aan ieder verleent, dat is zijn dagelijks brood, wat hij niet heeft, dat behoort niet tot zijn dagelijks brood.
Bij Mattheüs staat het dagelijks brood, bij Lukas de Gever vooraan: "Geef ons elke dag ons dagelijks brood. " Helaas! Heden denkt de grote menigte nog zelden aan zo'n gebed. Met woorden of zonder woorden zeggen zij: "Waartoe moet ik dan bidden? Het veld van hen, die niet bidden, draagt evengoed als het veld van degenen die bidden. Het gerecht van degenen die sinds hun jeugd het aangezicht van de Heere niet meer gezocht hebben, blijft bij de biddende Christenen niet achter. De tafel van hen, die aan geen gebed denken, is vaak beter bezet dan de tafel van hen, die met hun kinderen tot de Heere roepen". Dat is waar! Luther zegt zelf: "God geeft dagelijks brood, ook wel zonder onze bede aan alle boze mensen". Hij verzorgt ook de lasteraars van Zijn naam evenals de wilde dieren. Maar er is onderscheid tussen brood en brood; zonder gebed is het het brood van de lankmoedigheid en van het geduld, met de bede is het een brood van de vaderlijke goedheid; zonder gebed geeft Hij het uit ondoorgrondelijke ontferming aan weerbarstige knechten, met de bede geeft Hij het in blijdschap aan Zijn lieve kinderen; zonder gebed kan het een brood van de toorn zijn; Hij wil door Zijn lankmoedigheid en trouw onze ontrouw in des te sterker licht plaatsen en geheel tot zonde maken en als Hij ons oordeelt zullen wij geen verontschuldiging hebben; met het gebed is het een zegel, dat Hij ook de ziel steeds met het hemels manna wil spijzigen. Met de bede is het een genade ten leven, zonder gebed een genade ten oordeel. Wanneer u een verstokt, boosaardig kind hebt, kunt u het niet laten verhongeren, u reikt het ook zijn dagelijks brood toe; maar u geeft het met een geheel ander hart dan aan liefhebbende, biddende kinderen; het ontvangt dat ook met een geheel ander hart, het wordt daaronder harder. De vurige kolen op het hoofd hebben tweeërlei uitwerking; zij branden òf in het hart tot schaamte, berouw en bekering, òf zij branden om de laatste opwelling van liefde en dankbaarheid te doden.
Omdat onze middelen tot onderhoud, de pogingen tot bebouwing van de grond steeds rijker, de verzekeringsmiddelen tegen gevaar en nadeel steeds algemener zijn geworden, moet daarom misschien het woordje "geef" worden uitgewist? Is het misschien een overbodige vroomheid, een meegebracht huisraad van onze voorvaderen, maar in de grond bijgeloof, om het dagelijks brood voor een gave aan te zien en boven de aardse middelen een heilige plaats te bewaren voor het wonder en het geheim van de zegen? Welaan, hoop alle goud in uw kasten op en sta geblinddoekt daarvoor, maak uw schuren vol, bereken en verzeker u tegen ieder mogelijk ongeval - zie, oorlog en vrede met de gevolgen, wind en weer, gebrek en vruchtbaarheid, ziekte en gezondheid en alle onberekenbare wisselvalligheden van het leven zijn immers niet in uw hand? Dring de stille werkplaatsen van de natuur in, tracht iedere stof dienstbaar, iedere tegen u zich verheffende kracht ten minste onschadelijk te maken, achter en boven de keten van al deze oorzaken en werkingen staat vrij en vol kracht de persoonlijke werkmeester, God, de Schepper en Heer van hemel en aarde.
Meester wijshoofd wil mij vragen en onderzoeken, of ik dan werkelijk geloof, dat God mij op mijn bede iets zal schenken dat Hij mij zonder mijn bede niet geschonken zou hebben. Wedervraag: of u met zo'n houterig kind tevreden zou zijn, dat Zijn Vader nooit om iets bidt en eerst een halve dag overlegt of het dit uiterste middel zal aangrijpen, of dat na ontvangst van de gevraagde gave zich met vitterij ophoudt, of de Vader ten slotte de gave ook niet zonder gebed zou hebben geschonken en men zich dus de bede had kunnen besparen! Het gebed behoort toch echt niet onder de gedwongen belastingen, noch onder de nutteloze uitgaven; het gebed behoort tot de offeranden, die zalige privileges zijn en het Onze Vader is als een door de Heere ons opgedragen gebed, juist omdat het ons is bevolen, belofte; de bloem misleidt zichzelf niet, die uit de donkere schoot van de aarde oprijzend naar het gouden licht zoekt. (M. CLAUDIUS).
De vrome heeft zelf niets, God is voor hem alles en wat hij voor zich op tafel en bord heeft, houdt hij in de eigenlijke zin niet voor het zijne; hij bidt dat God het hem moge geven. Het bidden van de vrome ziel is niet alleen een spreken voor God, maar ook een spreken met God en dat is het Amen, eigenlijk het antwoord van God in het gebed. Wanneer nu de mond of de ziel zegt: "Ons dagelijks brood geef ons heden", dan is het antwoord van de Heere, evenals hetgeen in Markus 8:6 geschreven staat: "En Hij gebood de schare neer te zitten op de aarde. "
Niet om het brood-kapitaal, dat God voor ons in handen heeft, maar om de renten daarvan leert de Heiland Zijn discipelen bidden, omdat Hij ze dringt om te smeken: "Ons brood geef ons heden!" Om alles, wat wij voor voeding en nooddruft van ons lichaam nodig hebben, maar nooit om meer dan dit, moeten wij bidden. De oude Herberger deelt ons een treffende geschiedenis mede van een Christelijke bidder uit den tijd van de hervorming, die wel gedachtig was aan het woordje "dagelijkse. " Toen Dr. Ziegler het klooster verliet en het Luthers geloof aannam, bad hij God dat deze hem een eerlijk ambt met ongeveer 40 gulden mocht schenken, opdat hij God en de naaste eerlijk moet dienen en zich mocht kunnen onderhouden. Het gebeurde. Toen hij getrouwd was, waren de 40 gulden niet toereikend meer en hij bad zijn hemelse Vader om 60 gulden. God gaf ze hem. Nu komt een duurte over het land en de vrome Doctor moet zijn God om 100 gulden smeken; God geeft ze hem ook. Als hij oud geworden is, zijn ze weer niet voldoende; nu werpt hij zich op zijn knieën en zegt: "Lieve Vader! Ik heb van Abraham gelezen, dat hij enige malen met U heeft gesproken en Gij hebt hem genadig verhoord. Dat heb ik ook ondervonden - ach word niet boos op mij, ik wil nog eens met U spreken, geef mij wat ik nodig heb, dan zal ik altijd genoeg hebben, ik wil U niets meer voorschrijven". Daarop schikt God hem jaarlijks 150 gulden toe en als de keurvorst van Saksen verneemt, dat hij zo heeft gebeden, zegt hij: "Die man moet niet alleen droog brood hebben, maar in zijn ouderdom ook een lafenis" en hij geeft er hem nog 200 gulden bij. Dat was een tevreden bidder, zoals de Heiland die wil hebben; heden is zo'n tevredenheid een zeldzaam iets. Door het leven van de tegenwoordige tijd gaat een grote hoeveelheid ontevredenheid, genotzucht, jagen naar aardse goederen en vermakelijkheden heen en zelfs onder de gelovige discipelen van Hem, die niets had om Zijn hoofd op neer te leggen, wordt veelvuldig een weelderige gezindheid gevonden.
Waarom heeft de Heere toch de bede tot een zo korte tijd beperkt "geef ons heden"? Waarom mogen wij niet dadelijk om voorraad voor langere tijd bidden? Hij wil ons in kinderlijke afhankelijkheid van onze Vader in de hemel bewaren; wie dadelijk voorraad voor lange tijd hebben wil, die spreekt daarmee uit: "Ik heb geen zin in bidden, ik heb geen vreugde daarin; ik zou het met één gebed voor een lange tijd willen afmaken". Dat is dwaasheid en geen kinderlijk gevoel. Morgen leeft uw God ook nog; morgen bent u ook nog Zijn kind; als het morgen tot heden geworden is, zult u weer komen en weer bidden. U weet verder niet of de Heere niet vóór morgen anders over u beschikt heeft, of u morgen nog eet en drinkt: waarom wilt u om zaken bidden, waarvan u niet weet of u ze nog nodig heeft? Als u nog leeft, heeft Gods bron weer overvloed van water en Zijn voorraadschuren zijn intussen niet leeg geworden.
De ongelovige, begerige mens denkt aan morgen en niet alleen aan morgen, maar aan vele jaren ver vooruit en daarom is zijn leven een angstig en zorgvol leven; onder voorwendsel zich zoveel mogelijk in veiligheid te brengen, komt hij nooit tot rust en tot vrede en hangt zijn hart steeds aan de gave en nooit aan de Gever. Dat wil echter de Heere niet hebben, Hij zou de Zijnen integendeel een leven willen bereiden vrij van zorgen, gemakkelijk en welgemoed; daarom zegt Hij (Mattheus 6:34): "Wees niet bezorgd voor de dag van morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad" en zelfs de dagelijkse zorg leert Hij ons op onze Vader werpen, omdat Hij ons beveelt te bidden: "Ons dagelijks brood geef ons heden".
Geen mens is op aarde aan het beeld van God zo ongelijk als de gierigaard en nijdigaard, die beiden alles goeds alleen voor zich begeren en niemand anders iets gunnen, evenals wilden zij alleen alle schatten en goederen van God verteren; integendeel is er echter ook geen liefelijker deugd en die meer aan Gods algemene liefde herinnerde, dan de liefde tot de naaste, die aan alle mensen het goede gunt, op aarde geen geluk, in de hemel geen zaligheid zich kan denken, die zij alleen, zonder deelgenoten zou genieten. Daarom wil ook de Heere dat wij allen elkaar iedere verkwikking, elke gave van God zullen gunnen en beveelt Hij ons voor elkaar te bidden: "Ons dagelijks brood geef ons heden, opdat Hij verheugd over de onderlinge liefde van Zijn Christenen, des te rijkelijker uit Zijn volheid schenken zal.
Een rijk Londens koopman trad op een winteravond uit het kantoor in zijn woonkamer; hij wilde uitrusten, zette de leuningstoel bij de haard en plaatste zich gemakkelijk bij het heldere vuur. Het wilde echter met zijn rusten deze avond niet goed gaan, er zat iets bij de man in het hoofd. `s Middags was de agent van een filantropische vereniging bij hem in het kantoor geweest, had hem dringend gebeden zijn bijdrage ten behoeve van de vereniging dit jaar te verdubbelen en de behoeften daarvan zeer op het hart gedrukt; de koopman had hem afgewezen. "De mensen denken zeker dat ik geheel en al uit geld ben samengesteld", sprak hij nu bij zichzelf. Dat is nu de vierde vereniging waarvoor ik dit jaar mijn bijdrage zou moeten verhogen en juist dit jaar heb ik zulke grote uitgaven voor mijn huishouding als nooit te voren. Het bouwen heeft veel geld gekost en deze meubels en tapijten en gordijnen hebben veel gekost; ik zou echt niet weten hoe ik ook maar met een penning mijn bijdragen zou kunnen verhogen. " De man werd steeds verdrietiger, werd moe en slaperig en eindelijk sliep hij in zijn leuningstoel in. Toen kwam het hem in de slaap voor als hoorde hij voetstappen voor de deur en een eenvoudig, armoedig gekleed man trad binnen, plaatste zich voor hem en verzocht hem een ogenblik gehoor. De koopman trok een stoel bij de haard en verzocht plaats te nemen. De vreemde zag de schoon gemeubileerde kamer een paar minuten aan, trok vervolgens een papier te voorschijn, reikte het de koopman en zei met een ootmoedige en van harte zachtmoedige stem: "Mijnheer! Hier is de inschrijving van uw laatste jaarlijkse bijdrage voor de zending. U kent de behoeften van deze heilige zaak beter dan ik het u kan zeggen; ik wilde horen of u uw bijdrage dit jaar nog niet iets zou willen verhogen. " De zachte toespraak van de eenvoudige man verontrustte de koopman nog meer dan de agent van `s middags en hij herhaalde haastig en verlegen dezelfde verontschuldigingen; de drukkende tijd, de moeilijkheid om iets te verdienen, de uitgaven voor zijn gezin, enz. De vreemdeling zag met een rustige blik door de prachtige kamer, nam zijn papier weer terug, maar reikte hem op hetzelfde ogenblik een ander toe met de woorden: "Dit is de lijst waarop u uw jaarlijkse bijdrage voor het traktaatgenootschap hebt gezet; hebt u er niets bij te voegen? U weet hoeveel daardoor reeds geschied is, maar hoeveel er nog te doen over blijft - wilt u uw bijdrage niet verhogen?" De koopman werd door dit nieuwe verzoek wel enigszins ontstemd; maar in de stille zachte manier van de vreemde lag iets dat hem voor een hevige uitbarsting bewaarde. Hij antwoordde slechts dat het hem zeer leed deed, dat zijn omstandigheden van die aard waren dat die hem geen verhoging van zijn milde gaven voor dit jaar veroorloofden en de vreemde trok ook dit papier zonder de minste tegenstand terug; maar onmiddellijk daarop hield hij de lijst van de intekenaren voor het bijbelgenootschap hem voor en herinnerde de koopman met weinige, maar hartelijke woorden aan de algemeen bekende behoeften van dit genootschap en verzocht weer om een verhoging van de bijdrage. Toen werd de koopman ongeduldig: "Heb ik het niet duidelijk genoeg gezegd", riep hij uit, "dat ik dit jaar niets meer voor zulke doeleinden kan geven? Het schijnt alsof dergelijke aanvragen in onze tijd helemaal geen einde kennen. Eerst waren er slechts twee of drie verenigingen en de gaven daarvoor hoefden niet hoog te zijn; nu ontstaan er dagelijks nieuwe en nadat wij al rijkelijk hebben gegeven, dwingt men ons nog om onze gaven te verdubbelen en te verdrievoudigen. Die zaak neemt geen einde; wij moeten toch eindelijk eens ophouden!" De vreemde stak zijn papier weer in de zak, stond toen op, vestigde zijn oog doordringend op de koopman, die voor hem zat en zei met een stem, die tot in zijn binnenste drong: "In deze nacht voor een jaar dacht u, dat uw dochter op sterven lag; u had van angst nergens rust - wie riep u in die nacht aan?" De koopman schrikte en zag op: het was alsof de vreemde veranderd was, zo drukte hem diens rustig en doordringend oog ter neer; hij boog zich neer, hield de handen voor het gelaat en zei niets. "Voor vijf jaren", ging de vreemdeling voort: "Weet u het nog? Toen lag u op de rand van het graf en dacht een onverzorgde familie te moeten achterlaten, weet u nog, tot wie u toen bad? Wie u niet afwees? Wie u toen hielp?" Een ogenblik hield de vreemdeling stil, dodelijke stilte heerste in de kamer; de koopman boog voorover en legde het ontstelde hoofd op de leuning van de stoel, die voor hem stond; toen trad de vreemdeling dichterbij en op nog dringender toon vroeg hij voor de derde keer: "Denk vijftien jaren terug, aan die tijd toen u dag en nacht in het gebed worstelde, toen u zich zo hulp- en radeloos voelde, toen u graag de waarde van een hele wereld zou hebben gegeven voor een uur, waarin u de verzekering ontving dat uw zonden u waren vergeven - wie hoorde u toen op uw smeken?" - "Het was mijn God en mijn Heiland", riep de koopman; "Ja, Hij was het!" - "En heeft die Zich dan ooit beklaagd, dat u Hem te veel vroeg?" zei de vreemdeling en zijn stem was daarbij zo kalm en zo zacht en toch lag daarin het allersterkste verwijt. "Welaan, spreek! Bent u tevreden? Van deze avond af niets meer van Hem te vragen, wanneer Hij daarvoor van nu aan u ook om niets meer zal vragen?" - "Nee", riep de koopman en viel aan de voeten van de vreemdeling; maar op dat ogenblik scheen de gedaante te verdwijnen en hij ontwaakte. "O mijn God en Heiland", riep hij uit, "Wat heb ik gedaan? Neem alles, neem iedere zaak - wat betekent al wat ik heb bij hetgeen Gij voor mij hebt gedaan. "
Ik vraag u met de vierde bede, waarin gezegd wordt "ons dagelijks brood": is uw brood ook het uwe? Hun brood eten niet, die het nemen vanwaar zij het slechts kunnen krijgen en zich niet om recht bekommeren, die wat zij hebben genomen hebben, samengebracht hebben door list en bedrog, door ontrouw jegens het toevertrouwde, door fijne of grove aantasting met hun handen van datgene wat aan een ander toebehoort, aan privaat personen of aan het algemeen, door betaling voor arbeid, die niet heeft plaats gehad, voor wegen die niet begaan, voor diensten die niet bewezen zijn. Hun brood eten niet die zich laten onderhouden en, terwijl zij zichzelf konden verzorgen, het van anderen nemen, die het hun geven en daardoor beteren, waardigen wegdringen van de milde hand, deze zonder ook maar enige schijn van recht, anderen met een schijn van recht. Die laatsten bevinden zich in gezinnen, waar beiden, man en vrouw moesten verdienen en de een is slechts de winner, de ander de verteerder, waar kinderen, zonen en dochters zich door hun ouders laten voeden, die zelf al in staat konden zijn om niet het brood van de ouders te eten, maar wat zij zelf verdiend hebben, waar betrekkingen zich met hun behoeften werpen op hun welgestelde bloedverwanten, hen afdwingen en afpersen en niet doen wat zij doen moesten, maar in traagheid, verkwisting en zorgeloosheid leven. Eveneens zij, die leven van hetgeen hun toegevloeid is door erfenis, door schenking en nooit onderzochten, nooit vroegen hoe het samengebracht werd, of het wel onvermengd met het goed van vreemden was, waarvoor men in oude tijden zo bang was en zij leven daarvan zonder zelf iets te arbeiden: van deze allen zeg ik, dat zij niet zijn die de apostel noemt (2 Thessalonicenzen 3:12) als degenen die hun eigen brood eten; van deze allen zeg ik, dat zij geen eigen brood hebben, al bidden zij een "Onze Vader"; van deze allen zeg ik, dat de vierde bede in hun mond niet past. Wij moeten volgens deze bede ook verder toezien of het brood, dat wij verwierven, dat wij hebben, ons door God gegeven is; want er staat toch: ons dagelijks brood geef ons heden!" Waaraan weten wij dat? Er zijn onbedrieglijke kentekenen; het ene is dit, het onbedriegelijkste, wanneer op door God aangewezen wegen, in oprechte, door God bevolen arbeid, ten dienste en ten nutte van mensen, iemand zich zijn brood heeft verworven en door goed gedrag, door goed huishouden, vermeerderd heeft en - merk wel op! - ook tot God gebeden heeft dat Hij het geve, dan zeggen wij: het is zijn brood. Maar ik ben snel aan het einde met de opgaaf van de onbedrieglijke kentekenen en toch begin ik eerst en ga slechts behoedzaam een stap verder. Wat iemand ten deel wordt op wegen, die men ook wel die van het geluk noemt en die tot zijn inspanning en zijn arbeid niet in verhouding staan, als te groot daarvoor, of als hem door bijzondere gunst van vrienden, of door sterfgevallen goederen zijn ten deel geworden, die men geluk noemt, ook die willen wij nog laten doorgaan voor van God gegeven. Maar nu ben ik echt al aan het einde en ik weet geen kentekenen meer. Ontwikkeling van bijzondere talenten van lichaam of geest, die enkel verwondering opwekken, of tot wenen of tot lachen bewegen, in het algemeen die slechts de uitwendige zintuigen bezighouden, maar waarvan het edeler deel van de mensen, het hart geen voedsel of nut heeft en de geest meer gedood dan levend gemaakt wordt; wanneer zodanig iets hem, die het heeft, brood in huis en geld in de kast brengt - dan ben ik meer voor "nee" dan voor "ja" wanneer hier gevraagd wordt of het brood van die man van God is gegeven? Ten slotte, wie hetgeen hij heeft met spelen krijgt, door kaarten, dobbelen loterij; wat heeft God met zulke spelen te doen? Zegt niemand van zo'n brood "dat God het heeft gegeven". Vanwaar is het dan gekomen? Eerder dan van God komt dat van de duivel, die daarmee de zielen lokt en vangt, zoals het ook vaak met zo'n goed treurig of zeer verschrikkelijk eindigt. Daarom, wat blijft dan als onbedrieglijk kenteken vaststaan, waarbij men een "Onze Vader" kan bidden? Ten eerste: op gewone weg verworven en ook het tweede: geërfd: u die op zo'n manier het brood verkrijgt, voor u mag het een gegeven heten.
In de tijd van Luther was een vrome vrouw te Wittenberg, de vrouw van Dr. Krappen, gewoon de zeven beden van het "Onze Vader" voor de zeven dagen van de week te verdelen: een gelukkige gedachte! Het "Uw naam worde geheiligd" behoort voor de Zondag, als Gods woord ons wordt gepredikt en wij ook moeten leren als Gods kinderen heilig daarnaar te leven; het "Uw koninkrijk kome!" is een juiste bede voor de Maandag, als de gewone dagen met de aardse arbeid en hun naar het aardse zozeer aftrekkende gedachten en bezigheden opnieuw beginnen, zodat wij onze hemelse roeping niet vergeten; het "Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, als ook op aarde", is een bede voor de Dinsdag (Duits: Dienstag), omdat het woord ons aan "dienst" herinnert, want wij moeten de ene of andere heer dienen; maar hier hoort u, wie u moet dienen en wiens eigendom de aarde eens weer zal worden - help voor uw deel de vorst van de wereld uit zijn aangematigde heerschappij (Lukas 4:6) mee uitdrijven, opdat de rijken van de wereld van onze Heere en van Zijn Christus worden; het "Vergeef ons onze schulden enz. " is de Donderdagse bede, op welke dag Christus in het heilig avondmaal ons een zo heerlijk onderpand heeft gegeven van de vergeving van onze zonden en Zich heeft overgegeven om ons de vergeving te verwerven en voor Zijn moordenaars te bidden; het "leid ons niet in verzoeking" is de Vrijdagse bede, want door Zijn lijden en sterven heeft onze Heiland alle verzoeking van de duivel, van de wereld en van ons vlees overwonnen, zodat zij niets over ons vermag, wanneer wij ons maar aan Hem vasthouden; en het "verlos ons van de boze" is de bede van de Zaterdag, want toen lag de Heere in het graf en wijdde de aarde voor ons, opdat zij voor ons een zoete rustplaats zou worden, nadat wij aan alle nood zijn ontkomen, die ons nu nog houdt omvangen totdat de blijde opstandingsdag komt (Jesaja 26:20; 57:2). Maar hoe is het nu met de bede van de Woensdag: "geef ons heden ons dagelijks brood. " Ach op Woensdag is Judas naar de overpriesters gegaan met de vraag: "Wat wilt u mij geven en ik zal Hem aan u overleveren?" en hij beloofde die misdaad als zij hem dertig zilverlingen boden. Dat is een geschiedenis, die zich iedere dag herhaalt: om ellendige dertig zilverlingen, om geld en winst verraden Christenen nog steeds hun Heere en Meester, voor het loon van de ongerechtigheid laten zij zich tot werktuigen van de duivel gebruiken en offeren plicht en geweten, de vrede hier beneden en de zaligheid daar boven op; en helaas, ieder heeft zijn prijs waarvoor hij zichzelf te koop aanbiedt. Daartegen is de enige hulp, dat wij met de vierde bede Gods gasten worden, niets begeren dan wat uit Zijn hand komt, maar ook tevreden zijn met het door Hem ons bescheiden deel in het zekere vertrouwen dat Hij ons niet zal verlaten, noch vergeten.
Vergeef ons onze schulden, zoals wij vergeven onze schuldenaren. 1) Wat dient ons tot deze bede? Ten eerste het bewustzijn van onze diepe schuld, vervolgens de onmogelijkheid om onszelf door eigen kracht te bevrijden; 2) en waartoe dringt nu deze bede? Tot vergeving van anderen, die zowel het kenteken als het middel ter bewaring van de vergeving is, die ons van God ten dele is geworden.
Wij bidden in deze bede om vergeving van onze zonden, d. i. om een goed, dat voor de ziel niet minder nodig is dan het dagelijks brood voor het lichaam. Evenals het lichaam zonder het dagelijks brood niet kan bestaan, maar wegkwijnt ten dode, kan de ziel zonder vergeving van de zonden niet bestaan, maar vervalt in steeds groter zonde en toorn van God, die een geestelijke dood is en beklagenswaardiger dan elke lichamelijke dood. Van alle miljoenen en talloze menigte gebeden, die tot God opstijgen, behoren tot het "Onze Vader" slechts een zevental en onder deze handelen twee over de vergeving van de zonden en de zesde over de bewaring voor de zonde. Daardoor alleen al kunnen wij beide leren kennen: wat een vreselijk kwaad de zonde is en wat een kostbaar goed de vergeving van zonde is. Wij zien het echter niet in, maar zoals voor God de zonde het grootste kwaad is, zo is zij voor mensen het geringste en eveneens kan men van de vergeving van de zonden beide beweren; er is geen groter en ook er is geen verachtelijker goed dan deze. Van elke andere smart kan gezegd worden wat in Hebreeën 12:11 staat: "Alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde maar van droefheid te zijn", maar van de grootste onder alle ellenden moet het tegendeel worden gezegd: de zonde, als zij aanwezig is, schijnt ook geen droefheid maar enkel vreugde toe: want wie acht zich vrolijker dan de spotter, als hij aan zijn spotlust, de lasteraar als hij aan zijn nijdige, boze tong, de twister, als hij aan zijn twistzieke luimen, de onreine, als hij aan zijn onreine gedachten, de hoereerder, als hij aan zijn wellustig, de echtbreker, als hij aan zijn overspelig, de gierige en hebzuchtige, als zij aan hun gierig, hebzuchtig hart de vrije teugel kunnen laten. De zonde is als de aarde in de lente; zij verzwijgt het, dat er een winter komt; als het vlees in de jeugd - het schijnt te loochenen dat het in verrotting zal eindigen; als een roos, om wier vergankelijke bloem men de zomer en winter blijvend doornen van haar hout, als een slang, om wier bonte huid men haar vergif, als een bliksem, om wiens lichte straal men de dood zou willen vergeten, waarin die uitloopt. Het is ongelukkig met de mens gesteld; de kleinste lichaamssmart, de geringste voorbode van de doods kan hij gemakkelijk opmerken, hij voelt die snel, maar de grafsteen van de zonde, de drukkende vloek van God, die met haar over ons neervalt, wordt de ziel niet gewaar.
In de dagen van keizer Augustus stierf een man, die vroeger aanzienlijke goederen had bezeten, die verkwist had, een ontzettende schuldenlast op zich geladen en zich om deze schulden niets bekreund had; in de grootste zorgeloosheid had de heiden tot aan zijn dood voortgeleefd. Toen zijn nalatenschap verkocht werd, liet de keizer zijn bed kopen. Hij dacht, op dat bed moest men bijzonder goed kunnen slapen, omdat een zo met schulden beladen mens daarop gerust had kunnen slapen. Zo gerust als deze slapen ook velen met hun schulden aan God. Wij zouden toch echter hun bed niet willen kopen. God zal ze opwekken, hun kussens zullen hun stenen en doornen worden, hun zonden zullen opstaan en wat zij in wenen en knagen hebben verzuimd, dat halen zij dan binnen korte tijd in. Verheug u, als u een wakker geweten hebt, als u iedere zonde drukt, als u voor uw schuld een goed geheugen heb, als de gerechtigheid van God voor u verheven en heilig is: onze schuld moet ons drukken, zij is de zwaarste schuld, zij is de schuld van het hart; zij wordt, als wij geen vergeving ontvangen, een eeuwige schuld.
De vorm van de bede, zoals zij bij Lukas luidt, stelt in het tweede deel geen voorwaarde, maar alleen een beweegreden, ontleend aan de manier waarop wij voor ons gering deel handelen: "Want ook wij vergeven aan een ieder, die ons schuldig is. " Het veronderstelt dat de gelovige al in de atmosfeer van de liefde leeft, die Jezus wil scheppen en is op dezelfde manier op te vatten als het gezegde in Vers 13 : Wij zelf, hoe boos wij zijn, maken gebruik van het ons ten dienste staande recht van genade en schelden de schulden kwijt aan hen, die ons schuldig zijn; hoeveel meer zult Gij, Vader, die de goedheid zelf bent, het recht van Uw genade omtrent ons aanwenden.
Vervolgens schijnt ook het "gelijk ook wij" (vergeven onze schuldenaren) bij Mattheüs niet zozeer in de zin: "In die mate als wij" (Mattheus 20:14. Openbaring 18:6) te moeten worden begrepen, maar alleen een overeenkomst te kennen te geven (Mattheus 18:33). In die zin, dus volgens Hoofdstuk 6:38 : "Met de mate, waarmee u meer, zal u weer gemeten worden", heeft Luther in zijn verklaring van 1518 de woorden opgevat.
Ach wij arme mensen, als God ons niet meer vergaf dan wij elkaar! Ik zou geen drie mensen weten te noemen, aan wie ik niets te vergeven zou hebben en weet er niet een, voor wie de vergeving niet gereed ligt; als God mij niet meer wilde vergeven!
De bedoeling is: wij voelen vertrouwen op Uw vergeving in het gevoel van de begeerte om te verzoenen, die ons vervult en van U is en bidden die af met de belofte van dat gevoel. "Schulden" is zoveel als "zonden", maar beschouwd van de kant van de toerekening, of van het zichzelf straffende gevoel.
Het is voor ons zo goed, als ons de zonde vergeven is; de vrede van God zo liefelijk, als een "heldere hemel, zo'n zachte, lieve, groene, lentegrond; wij zouden steeds in de vrede van God willen wandelen en vrezen de verstoring van deze vrede door nieuwe verzoekingen zozeer - ja daarom vallen wij op onze knieën en smeken van harte: "Leid ons niet in verzoeking!" Wij erkennen toch wel dat de zonde haar grote bekoorlijkheid voor ons heeft, dat onze beste voornemens gemakkelijk omver te werpen zijn, dat verzoeking voor ons gevaarlijk is, ja dat tussen verzoeking en val slechts een stap is; en wij zouden toch zo graag blijven waar wij zijn, in vrede. Zo natuurlijk is het, zo ligt het voor de hand voor hem, die in de vijfde bede verhoord is, de zesde te bidden. Deze twee beden met haar twee verborgen beloften zijn als twee handen van God; met de ene redt Hij ons, met de andere beschermt Hij; met de ene legt Hij ons neer, met de andere dekt Hij ons toe.
Het woord "verzoeken" heeft in de Schrift tweeërlei betekenis: het vrije wezen in staat te stellen om tussen goed en kwaad, gehoorzaamheid en opstand te beslissen - in deze zin verzoekt God zelf (Genesis 22:1); maar: inwendig tot het kwade aanzetten, de zonde in een zo verleidelijk licht plaatsen dat het zwakke, misleide schepsel zich daarin stort - zo verzoekt de duivel (Hoofdstuk 4:2) en zo kan God niet verzoeken (Jakobus 1:13). In die betekenis nu kunnen wij het woord verzoeking hier niet nemen: hoe kunnen wij God bidden ons te verschonen van beproevingen, die tot ontwikkeling van onze zedelijkheid en tot openbaring van haar heerlijke macht in ons (Jakobus 1:2 v. ) noodzakelijk zijn! De bewerker van de verzoekingen, waarop de zesde bede doelt, is de duivel. God hoeft slechts Zijn hand van ons af te trekken, dan vinden wij ons in de macht van de vijand overgegeven, die overal op onze wegen strikken legt; aan zichzelf overgelaten vervalt de mens dadelijk in de macht van de vorst van de duisternis. Dat voelt de gelovige op het diepst; vandaar de bede: "Leid ons niet in verzoeking" d. i. trek Uw hand deze dag geen enkel ogenblik van mij af, opdat ik niet komen zal in een van de verzoekingen, die de boze mij in de weg zal leggen; houd mij in die streken, waar Gij regeert en de boze mij niet raken kan. Een godzalige omschreef de bede op deze manier: als de gelegenheid tot zonde zich aanbiedt, geef dan dat de begeerlijkheid niet in mij wordt gevonden; en is er de begeerte, geef dan dat de gelegenheid ontbreekt.
Vóór vele zondige daden bevindt zich de mens in zo'n toestand, waarin hij in hoge graad tot zonde zich gedrongen gevoelt, maar nog niet vast besloten is, ja nog in een zekere strijd daartegen is. Waar hij echter de gelegenheid zoekt en op een bepaling door een aanleiding van buiten wacht, die hem dan voor zichzelf zal rechtvaardigen (vgl. Spreuken 7:6, ), dat is een verachten van de bede, die de Heere ons geleerd heeft. - De boze verzoekingen zijn niet allen van dezelfde aard, maar zij zijn of bekoorlijk of smartelijk en het is moeilijk te beslissen welke van deze de gevaarlijkste zijn. Bij de bekoorlijke verzoekingen maakt de satan gebruik van een bondgenootschap van het vlees. Zijn allereerste verzoeking op aarde was een zodanige - hoewel hier slechts een appel lag en daar de dood, overwon toch de appel - zo gevaarlijk zijn de verzoekingen van de satan. De geschiedenis van de gelovigen van alle tijden levert de treurigste bijdragen daartoe. De koninklijke zanger David, de man naar Gods hart, bezweek voor de bekoorlijke verzoeking van de satan bij het zien van de schone Bathseba. Maar niet minder brengt de vorst van de duisternis de kleine kudde in schrik door zijn smartelijke verzoekingen. Deze zijn deels van lichamelijke, deels van geestelijke aard; bij de lichamelijke verzoekingen van smartelijke aard maakt de satan gebruik van het bondgenootschap van de wereld, bij de geestelijke verzoekingen nadert hij zonder hulptroepen in eigen persoon. Het is, zegt Dr. Luther, nog het minste lijden dat de duivel door de wereld over ons brengt, als de Christenheid uitwendig en met lichamelijke wapenen aanvalt, als zwaard, kerker, beroving van goederen en leven; maar het is veel zwaarder als hij zelf inwendig drijft, als hij de harten aangrijpt, martelt en plaagt met zijn vurige pijlen, d. i. met schrik en angst van de zonde en Gods toorn, als hij de mens, die overigens blode en vreesachtig is, een drankje schenkt, niet van bittere gal, maar dat helse angst heet en in een bad voert, waar hij als in een gloeiende oven ligt, zodat hem het hart zou versmelten. Al deze verzoekingen van de satan, de aanlokkelijke, zowel als de smartelijke, de lichamelijke zowel als de geestelijke, zitten in de lucht van deze en de volgende tijd en kunnen zich ieder ogenblik over het hoofd van een gelovig mens als een zwaar onweer ontlasten; zij staan echter alle tezamen en elk in het bijzonder onder Gods heilig bestuur, onder de toelating van Zijn heiligen wil. Zo is er dan, om voor satanische verzoekingen bewaard te blijven, geen andere weg dan die van de bede tot de Almachtige: "Leid ons niet in de boze verzoekingen! Laat geen satanische aanvechtingen over ons komen, zodat wij niet ondanks de vergeving van onze vorige schulden door zonden van de toekomst de eeuwige zaligheid verliezen!" Laat God evenwel de verzoekingen ten kwade toe, dan kan Hij ze toch in beproevingen ten goede voor ons veranderen en ons uit Zijn hemels tuighuis op ons gebed, bescherming en wapenen bieden, zodat wij niet alleen tegen de boze vijand ridderlijk strijden, maar die ook in geloof overwinnen.
Er zijn dus twee zaken in deze bede begrepen: 1) bewaar ons, zoveel mogelijk, voor de verzoeking, dat wij niet daarin komen; 2) bewaar ons ten minste, wanneer Gij ons tot ons welzijn bezoeken wilt, in de verzoeking, dat wij er niet in bezwijken; het is niet anders mogelijk, wij moeten in de verzoeking blijven; maar daarom bidden wij, dat wij er niet inkomen, noch er in verdrinken.
Wat ons geleerd wordt in het gebed te zoeken of te mijden, moeten wij evenzeer in onze wandel najagen of bestrijden. Met de meeste ernst moeten wij daarom de verzoeking mijden en met zoveel omzichtigheid in het pad van de gehoorzaamheid proberen te wandelen, dat wij nooit de duivel verzoeken om ons te verzoeken. Wij hoeven het woud niet in te gaan om de leeuw op te zoeken. Wij zouden voor zo'n vermetelheid duur kunnen boeten. De leeuw kan ons wel tegenkomen, of ons uit het woud bespringen, maar wij hoeven hem niet te gaan opjagen. Wie hem tegenkomt, al behaalt hij de overwinning, zal toch ondervinden dat het een geweldig worsteling is. Laat de Christen bidden dat hem de strijd wordt bespaard. Onze Heiland, die de kracht van de verzoeking bij ondervinding kende, richtte de ernstige vermaning tot zijn jongeren "Bid dat u niet in de verzoeking komt. " Maar wat wij ook doen, wij zullen toch in verzoeking komen; vandaar de bede: "Verlos ons van de boze. " God had een Zoon zonder zonde; maar Hij heeft geen Zoon die de verzoeking niet kent. De natuurlijke mens is tot zonde geboren, als de spranken die opwaarts vliegen en de Christen is niet minder tot verzoeking geboren. Wij moeten altijd op onze hoede wezen tegen de satan, want evenmin als een dief geeft hij vooraf kennis van zijn komst. Gelovigen, die de handelwijze van de satans bij ondervinding kennen, weten dat er zekere tijden zijn waarop hij naar alle waarschijnlijkheid een aanval doen zal, evenals er op bepaalde tijden kille winden verwacht kunnen worden; zo wordt de Christen tot dubbele waakzaamheid aangespoord door de vrees voor gevaar en het gevaar wordt groter door de toebereiding zelf om het te ontmoeten. Afwending van het gevaar is beter dan genezing. Het is veiliger zo goed gewapend te zijn dat de duivel u niet zal aanvallen, dan de gevaren van de strijd te verduren, ook al blijft u overwinnaar. Bid deze avond eerst om niet verzocht te worden en dan dat, als de verzoeking mocht komen, u van de boze mag worden verlost.
Bij de zevende bede komt eerst de vraag in aanmerking hoe wij de woorden moeten verklaren; want het woord, in onze bijbel door "de boze" vertaald en dus persoonlijk opgevat als de duivel of verzoeker (2 Thessalonicenzen 3:3) kan ook zakelijk worden verklaard met "het boze. " In de grote catechismus geeft Luther aan de eerste opvatting de voorkeur, omdat hij schrijft: In het Grieks luidt het: "Verlos ons van de boze" en het staat er als spreekt Hij van de duivel, als wilde Hij alles op een hoop nemen, dat de hele inhoud van het hele gebed tegen deze hoofdvijand is: want deze is het, die alles wat wij bidden, onder ons verhindert, Gods naam of eer, Gods rijk of wil enz. Daarom verenigen wij dat alles met elkaar en zeggen: "Lieve Vader, help ons toch, dat wij van al dat ongeluk bevrijd worden. " Van die laatste omschrijving komt hij terug in de kleine catechismus, omdat hij de Christenen, die sinds lang (in aansluiting aan de Latijnse tekst van de Vulgata) gewoon waren het Onze Vader te bidden, bij hun gewoonte wilde laten. De uitlegging neemt dan het woord "het boze" meer bepaald van de gevolgen van de zonde, van de velerlei verdrukkingen, die op ons leven hier beneden drukken. Ook in Mattheus 5:37 vinden wij bij de woorden: "Wat daarboven is, is uit de boze" dezelfde dubbelzinnigheid van uitdrukking. Houden wij nu vast dat het woord naar onze vertaling in de nauwste verbintenis treedt met de derde bede (zoals in de hemel zo ook op aarde kan Gods wil pas dan gebeuren als de duivel ook van de aarde is weggedaan, zoals hij uit den hemel is gestoten), dan ligt voor het bewustzijn van ons, Christenen uit de heidenen, zoals dat nog heden is, het binden van de satan voor duizend jaren en de oprichting van het duizendjarig rijk (Openbaring 20:1-6) nog vrij ver, ja bij de meesten verzet zich het Christelijk bewustzijn tegen dat leerstuk en houdt het voor een dwaalleer; en toch zal juist bij het herstelde en geheiligde Israël ook dat woord (Mattheus 5:37. Jakobus 5:12) tot zijn volle recht komen: "Uw woord zij ja, ja! nee, nee! Wat daarboven is, is uit de boze" want evenals de leden van de gemeente op Zion maagden zijn en met vrouwen niet bevlekt, zo is ook in haar mond geen bedrog gevonden, maar zij zijn onstraffelijk voor de troon van God (Openbaring 14:1-5). Wij kunnen bij de beide beden, bij de zevende zowel als bij de derde, onze gedachten alleen op datgene richten dat op de jongste dag zal gebeuren na de overwinning van Gog en Magog, op de neerwerping van de duivel in de poel van sulver en zwavel en op de herstelling van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont (Openbaring 20:7-21:8. 2 Petrus 3:12 v. ). Omdat nu de vereniging van de zevende bede met de derde voor onze gedachte niet zo voor de hand ligt, als die tussen de vijfde en zesde, zo komt het ons beter voor de zakelijke vooral in het oog te houden en de vertaling "van het kwade" boven die "van het boze" te stellen, want met de laatste uitdrukking zouden wij slechts een voortzetting van de vorige bede hebben.
Hiermee komen wij dan tot de behandeling van de tweede vraag: zijn het werkelijk twee beden: "Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze", of hebben wij beide slechts als één bede, de zesde, te beschouwen? De Gereformeerde kerk neemt ze als een bede tezamen en noemt die de zesde. Zij plaatst zich op die manier over de bijbelse getallensymboliek heen, evenals wanneer zij de beide tafels van de wet in 4, 6 geboden verdeelt Ex (20:1 en Exodus 20:2 en Exodus 31:18) en verliest dan ook de schone harmonie, waarin de beden van het "Onze Vader" tot de kruiswoorden staan. Streng opgevat kan eigenlijk niet worden gezegd dat Jezus voor Zijn eigen persoon het gebed, dat Hij ons geleerd heeft, zou hebben kunnen bidden; Hij kon het hoogstens in medelijden met ons en Zich in onze toestand verplaatsend doen; want zo min Hij de vijfde bede kon uitspreken: "Vergeef ons onze schulden" zo min kon Hij, die uit de hemel tot ons is gekomen om met Zichzelf ons het rijk der hemelen te brengen, bidden: "Uw koninkrijk kome" en hetzelfde kan ook van de overige beden worden gezegd. Evenals daarentegen Christus' eerste woord op Golgotha: "Vader vergeef het hen" en de vijfde bede in die vorm weergeeft, waarin die voor hem geschikt was, dan komt de eerste bede overeen met het woord: "Mij dorst" de tweede met het woord: "Heden zult u met Mij in het paradijs zijn" de derde bede met het woord: "Het is volbracht", de vijfde bede met het woord: "Vrouw! zie uw Zoon enz. ", de zesde bede met het woord: "Mijn God, Mijn God, waarom enz. " en de zevende bede met het woord: "In Uw handen beveel ik Mijn Geest. " Daarom verenigen wij (Dächsel) ons met de volgende woorden: verstaat men onder pouhroude duivel, dan zou de nazin zeker positief uitspreken wat de voorzin negatief uitsprak en het geheel zou slechts één bede zijn; juist daaruit zou een nieuwe reden ontstaan om hier niet aan de duivel te denken, omdat het het beste moet voorkomen om in dit korte gebed geen herhaling van dezelfde gedachte toe te laten en zo'n herhaling wordt alleen vermeden wanneer wij onder dat woord het gehele gebied van ellende en kwaad verstaan, waardoor de zin omvattender wordt dan van de voorgaande bede en wij werkelijk zeven beden verkrijgen.
Zoals de zesde bede het verlangen uitsprak om niet overweldigd te worden door de zonde, zo verheft zich nu de zevende en laatste tot het verlangen naar verlossing van de macht van het kwaad in het algemeen.
Zeker is de satan een vader van alle kwaad en van alle ellende en is hij de listigste vijand van onze zielen, tegen wie wij wel onze handen mogen opheffen en bidden "Verlos ons van de boze!" Hij is de zaaier, die de aarde vol ellende gezaaid heeft, evenals de aarde in de winter met sneeuwvlokken bedekt is; van hem is het kwaad en hij zelf is het grootste kwaad in Gods rijk. Maar juist daarom nemen wij van hem en alles, wat door hem ons van God en Zijn zaligheid, van ons volkomen geluk scheidt, tezamen in het woord kwaad, wensen niet alleen van hem, maar van alle ellende vrij te worden en spreken volgens de meer omvattende bedoeling van de Heere: "Verlos ons van de boze!" Ja met de zevende bede vatten en werpen we als het ware alles in een vat tezamen wat voor Gods ogen lelijk en afschuwelijk is, alle ellende van de wereld, die Gods heilig, onschuldig schepsel tot een schouwspel van de bozen van de beginne, tot een spotlied van de hel heeft gemaakt, alle boosheid, alle smart, die de Zoon van God van Zijn troon tot deze aarde heeft doen komen; ja, alle ellende met alle ergernissen vatten wij tezamen in de zevende bede. Wij zouden ze graag biddend uit de wereld wegdoen, wij zouden willen dat de Heere Zijn wereld weer terugvoerde tot de oorspronkelijke heerlijkheid, tot de vreugde van Zijn hemel, maar ook dat de boze zijn vreugde werd vernietigd.
Het woord in de grondtaal kan alle drie betekenen, zowel de zonde als de duivel als het smartelijke; omdat wij echter om verlossing van de zonde en om bewaring van de verzoekingen van de boze al in de beide vorige beden gebeden hebben, mag men zo'n gebed tegen zonde en duivel wel mee opnemen in de zevende bede, maar als iets dat tot hiertoe niet genoemd werd en waartegen zich vooral de zevende bede keert, blijft alleen de rampspoed over.
Niet invoeren, uitvoeren, geheel uitvoeren, verlossen, dat zijn toch twee verschillende zaken: wij blijven dus bij het scheiden en tellen zeven beden en de bede zeggen: "Verlos ons van het kwade" is 1) een oordeel over het leven hier beneden geveld, waarvoor wij het moeten houden; 2) Een gedane vraag: hoe is het bidden: met uw behagen of uw tegenzin daarin? 3) een gegevene herinnering, langs welke weg wij daaruit moeten komen; 4) een troostwoord als wij vroeg het heengaan van de onzen betreuren; 5) een troostwoord nog eens als wijzelf moeten strijden totdat onze verandering komt; 6) een hemelse klank als van de verlosten daarboven tot ons; 7) een evangelische klank van een verlossing, die al hier beneden te vinden is. Tegenover de boven uitgesproken mening van Dächsel en anderen, geven wij de voorkeur aan onze Gereformeerde vertaling zonder het zevental beden te willen verminderen. Hierin volgen wij prof. v. Oosterzee, die in zijn "leven van Jezus" daarover zegt: "Wij kunnen de gedachte niet van ons weren dat de Heere ook in dit voorschrift van de gebeden zich aan het heilige zevental houdt en menen dat de woorden: "Verlos ons van de boze" schoon door "maar" in organische eenheid met het vorige verbonden, pas tot hun recht komen, wanneer men ze als slot en culminatiepunt van het gebed in de uitgebreidste betekenis opvat. Wij verenigen ons overigens het liefst met de mening van hen, die pouhrov met de boze vertalen, die schoon hij ook niet meer in Jezus' discipel regeert, echter nog daarbuiten heerst in de wereld en vandaar op hem probeert te werken. Is men echter van de boze verlost, men is dan ook van al het zedelijk kwade ontslagen, waarvan hij werkmeester is en in zoverre mogen wij tot opheldering van deze woorden ook de taal van Paulus 2 Timotheus 4:18 vergelijken. "
Er stond in oude tijd, zo bericht ons een zinrijk Zweeds lied, in het hoge noorden een dicht bos en in het bos een klooster en in het klooster leefde een monnik met een vroom gemoed en een onderzoekende geest. Deze monnik gaat op een lentemorgen biddend en nadenkend in het bos en komt onder bidden en nadenken steeds verder en verder; het bos wordt steeds schoner en prachtiger; allang had hij de eiken- en pijnbomen achter zich, vervolgens is hij door myrtenbossen gegaan, daarna door statelijke rijen van ceders en ten slotte ziet hij zich door enkel palmen omgeven. Hij wil blijven staan, hij is als een dromende, maar het van verre klinkende gezang van een vogel lokt hem verder. Uit de top van een palm komt het gezang en aan haar voeten staat de monnik stil, de vogel met de prachtige veren en het wonderbare gezang bewonderend. En de vogel zingt zo weemoedig, als klaagde hij over iets dat verloren was; maar deze tonen van weemoed zijn niet de grondtonen van het gezang, tussenin klinkt een vrolijke zalige melodie van een eeuwige onvergankelijke heerlijkheid. De monnik luistert verrukt; rondom waait als een lucht van het paradijs en zijn ogen vloeien over van tranen van voldaan verlangen. - Wij zijn tezamen ook door een wonderbaar bos gegaan, door het heilige bos van het Onze Vader: biddend en nadenkend zijn wij voortgegaan, voorbij zijn de eiken, voorbij de myrten en ceders, nu staan wij aan de voet van de palmen, uit de top klinkt ons het gezang van de paradijsvogel tegen, zacht klinken nog na de drie sombere tonen: schulden, verzoeking, boze, maar zij dragen een blijde, een zalige, een onuitsprekelijk heerlijke melodie, een lied doortrokken van de adem uit de heilige stilte. Dat is het lied - engelen en aartsengelen tokkelen hun harpen en stemmen mee in en verloste zondaars van de aarde bidden juichend mee: "Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid Amen.
De woorden komen geheel overeen met die in Romeinen 11:36. : Uit God zijn alle dingen, want van Hem is het Koninkrijk; door God zijn alle dingen, want van Hem is de kracht; tot God zijn alle dingen, want van Hem is de heerlijkheid. Daarmee worden de drie hoofdbezwaren weerlegd, die men gewoonlijk tegen de mogelijkheid van verhoring van onze gebeden maakt: 1) God wil ons verhoren, want van Hem is het Koninkrijk; 2) God kan ons verhoren, want van Hem is de kracht; 3) God zal ons verhoren, want van Hem is de heerlijkheid.
Het "Amen" is het zegel onder het lieve "Onze Vader. " 1) Ons zegel, dat wij niets anders in ons gebed voor God hebben gebracht dan wat echt in ons leeft, wat wij werkelijk graag zouden hebben; 2) Gods zegel, dat wij de bede zullen verkrijgen, die wij van Hem hebben gebeden.
O Gij, wien al de hemelkringen, Die uw nabijheid zalig maakt, Met heilgen eerbied, Heilig zingen, Van ongeschapen vuur geblaakt! Mijn ziel, terwijl ik tot U nader, Verheft zich in heur heuglijkst lot, Dat Gij mijn Vader zijt, o Vader! Gij, aller Vader, aller God.
Oneindig boven ons verheven, Ons, wriemlende op deze aardse kluit, Vermogen we U gene eer te geven, Maar staamlen slechts onze onmacht uit. Doch zij (hetgeen uw glorie dulde: ) Uw naam geheiligd en verbreid, Door de aller uitgezochtte hulde! Door daden van weldadigheid!
Wat zou, o God, Uw macht vergroten, Die duizend werelden gebiedt? Wiens vuist den teugel houdt besloten, Dien Ge alles onderworpen ziet? Gij echter, die aan onze vaderen Uw rijk verzekerd hebt op de aard, O doe dat rijk, dat Godsrijk, naderen, Waarop de hoop des Christen staart!
Uw wil is heilig, vlekloos Wezen, Ja zaligend, is eeuwig goed: Uw wil, waarin Uwe eng'len lezen, Van ijver van Uw dienst doorgloeid! O laat ons hart geen doel bejagen, Dat met Uw wijsheid strijden zou, Voltrek Uw eeuwig welbehagen, En maak ons aan Uw wil getrouw!
Gij, die wat ademt, riept in `t leven, Gij weet wat ieder nodig is. Gij, die geen schepsel zult begeven, Gij rust op Uw beloftenis! Voorzienige in Uw zorg tevreden, Begeren wij geen overvloed; O neen, wij smeken slechts voor heden Waarmeê zich `t broze lichaam voedt!
Ontsla ons van de wanbedrijven, Geweld uit dat bedorven hart, Waaraan wij steeds gekluisterd blijven, En dat Uw wraakvuur telkens tart! Wil ons die zondeschuld vergeven, Gelijk ons hart, hoe fel gekrenkt, Ook hun, die tegen ons misdreven, Blijmoedige vergeving schenkt!
Gij kent de zwakheid onzer zielen, O God, die hart en nieren proeft! Hoe diep, hoe gruwzaam diep wij vielen, En hoe ons hart Uw schuts behoeft! O voer ons des, op onze bede, In geen verlokking tot het kwaad: Maar keer ons af, bij de eerste schrede, Die tot den weg der zonde gaat!
Verlos ons uit de harde banden, Waar onder wij beladen gaan! Met opgeheven oog en handen, Schreit de aarde U om bevrijding aan. O God, voleind den loop der tijden, Die Uw verschijning nog vertraagt! Verhaast om ons erbarmlijk lijden, Den dag waar onze ziel naar jaagt!
Want U alleen, o Opperkoning, Behoort de rijksstaf; U de macht, Met aller schepselen eerbetoning, Door tijd, noch eeuwigheid verkracht. Genadig God! op wien onze ogen in zeekre hoop gevestigd staan, Neem, door Uw vrije gunst bewogen, Ons smeken met ontferming aan. 5. Met de aanwijzing hoe Zijn discipelen moesten bidden, wilde de Heere een onderwijzing verbinden over de zekerheid van de verhoring, die het vertrouwvolle gebed heeft te wachten. Deze verzekering kleedde de Heere in een gelijkenis in en Hij zei tot hen: Wie van u zal een vriend hebben en zal te middernacht tot hem gaan en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden, een voor hem die ik wens te onthalen, een voor mij opdat ik hem gezelschap hou en een dat overblijft, opdat mijn onthalen niet al te armoedig voorkomt (Genesis 18:6 v. ).