1 Corinthiërs 10:15-22
In deze afdeling herhaalt de apostel de algemene waarschuwing tegen afgoderij, in het bijzondere geval van het eten der heidense offeranden als zodanig en uit enigen eerbied voor den afgod, aan welken zij gewijd werden.
I. Hij opent zijne bewijsvoering met een beroep op hun eigen rede en oordeel. Als tot verstandigen spreek ik, oordeelt gij hetgeen ik zeg, vers 15. Gij wendt voor veel wijsheid te hebben en goed te kunnen redeneren en bewijsvoeren, ik laat het aan uw eigen rede en geweten over of ik niet de waarheid zeg. Het is geen oneer voor een geïnspireerden leraar en het kan zijne bewijsvoering niet benadelen, indien hij zich voor de waarheid ervan beroept op de rede en het geweten van zijne hoorders. Zij heeft des te meer kracht wanneer ze met hun overtuiging overeenstemt. Daarom wilde Paulus, ofschoon een geïnspireerd apostel, het in sommige gevallen aan de Corinthiërs overlaten te beoordelen of hetgeen hij hun leerde niet overeenkwam met hun eigen inzicht en verstand.
II. Hij ontleent zijne bewijsvoering aan het avondmaal des Heeren. De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet ene gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet ene gemeenschap des lichaams van Christus? Is niet deze geheiligde instelling een middel van gemeenschap met God? Doen wij daarin niet belijdenis, dat wij met Hem bevriend zijn, gemeenschap met Hem hebben? Is het niet een teken, waardoor wij openlijk gemeenschap oefenen met Christus, wiens lichaam verbroken en wiens bloed gestort werd om ons vergeving onzer zonden en de gunst Gods te verwerven? En kunnen wij in verbond met Christus, in vriendschap met God zijn, zonder Hem gewijd te zijn? In een woord: het avondmaal des Heeren is het feest van het offer van Zijn lichaam en bloed, epulum ex oblatio. En aan dien feestdis te eten is deelnemen aan Zijne offerande, en daardoor de gasten te zijn van Hem, wie het offer gebracht werd, en dit is het teken van vriendschap met Hem. Dus aanzitten aan de tafel des Heeren is erkennen dat wij Zijn gasten en Zijn verbondsvolk zijn. Dit is de reden en het doel van dit symbolisch eten en drinken, het is gemeenschap oefenen met God en deelnemen aan Zijne voorrechten, en erkennen dat op ons de verplichtingen rusten, welke voortspruiten uit den dood en de offerande van Christus, en dat in gemeenschap met alle ware Christenen, met welken wij door deze instelling evenzo gemeenschap hebben. Want een brood is het, zo zijn wij allen een lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn, vers 17. Door deelneming aan een gebroken brood, het zinnebeeld van het gebroken lichaam onzes Zaligmakers, die het enige ware brood is, dat uit den hemel is nedergedaald, worden wij opgenomen in een lichaam, worden leden van Hem en van elkaar. Zij, die daaraan waarlijk door het geloof deelnemen, hebben deze gemeenschap met Christus en met elkaar, en zij, die de uiterlijke tekenen daarvan nuttigen, belijden daardoor deze gemeenschap, van te behoren tot God en tot de gezegende broederschap van Zijn volk en aanbidders. Dit is de ware betekenis van deze heilige plechtigheid.
III. Hij bevestigt dit door den Joodsen eredienst en gewoonten. Ziet Israël, dat naar het vlees is, hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar? dat is met de offeranden, die er op gebracht zijn. Allen, wie toegestaan werd te eten van de offerande, werden geacht deel te nemen aan de offerande zelf, als voor hen geschied en hen heiligende. Ze werden derhalve beschouwd als waarlijk God vererende en met Hem in het verbond te staan, met Hem den God Israël's, wie de offerande gebracht was, dit was het teken van gemeenschapsoefening met Hem. IV. Hij wendt deze bewijsvoering aan tegen het feestvieren met afgodendienaars bij hun offeranden, en ten bewijze dat zij, die zo handelen, afgodendienaars zijn. Dit doet hij:
1. Door het beginsel te bespreken, waaruit zij afleiden dat het geoorloofd was, namelijk dat een afgod niets is. Velen hunner waren niet met al, geen hunner had enige goddelijkheid in zich. Wat aan de afgoden geofferd werd, was niets, het kon in geen enkel opzicht veranderd worden, maar op zichzelf beschouwd, was het geheel geschikt voor voedsel. Het schijnt dat zij beweerden: omdat een afgod niets is, was hetgeen hem gebracht werd geen offerande, maar bleef gewoon voedsel, waarvan zij dus zonder enige bedenking mochten eten. De apostel stemt nu toe dat het voedsel niet van natuur veranderd was, het was als gewoon voedsel geschikt om gegeten te worden, wanneer het voorgezet werd, zonder dat iemand wist dat het den afgod geofferd was geworden. Maar:
2. Hij toont aan dat het eten daarvan als van een heidense offerande was:
A. Deelnemen met hen aan afgoderij. Het was deelachtig zijn aan de tafel der duivelen, omdat hetgeen de heidenen offerden, dat offerden zij den duivelen, en met hen van deze offerande feest te vieren was deelnemen aan de offerande, en derhalve aanbidden van den god, wie het gebracht was, en gemeenschap met hem hebben, juist zoals hij die des Heeren avondmaal gebruikt, ondersteld wordt deel te nemen aan de Christelijke offerande, en zij die eten van de Joodse offeranden deelhebben aan hetgeen op dat altaar geofferd is. Maar de heidenen offeren den duivelen. Neemt daarom geen deel aan de feesten hunner offeranden. Ge zoudt daardoor het bewijs geven van gemeenschap met de duivelen, aan welken zij geofferd worden. Ik wil niet dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.
B. Het was een werkelijke verloochening van het Christendom. Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken en den drinkbeker der duivelen, gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren en aan de tafel der duivelen, vers 21. Deelnemen aan dit Christelijk feest was gemeenschap hebben met Christus, deelnemen aan de feesten, aangericht ter ere van de heidense afgoden en van hun offeranden gemaakt, was gemeenschap hebben met de duivelen. Dat was volkomen tegenstrijdigheid, dat kon in geen geval samengaan. Gemeenschap met Christus en gemeenschap met de duivelen kan men nooit tegelijk hebben. De een moet verloochend worden zal de ander gehandhaafd blijven. Hij, die gemeenschap met Christus wil houden, moet de gemeenschap met de duivelen afbreken, hij, die gemeenschap houdt met de duivelen, doet door die enkele daad afstand van de gemeenschap met Christus. En hoe is het gedrag van iemand in openbare tegenspraak met zich zelven, die deelnemen wil aan de tafel des Heeren en terzelfder tijd aan die der duivelen! God en Mammon kunnen niet tegelijkertijd gediend worden, er is geen gemeenschap met Christus en Satan tegelijkertijd. Zij, die gemeenschap oefenen met de duivelen, verloochenen metterdaad Christus. Dat mogen ook zij bedenken, die zich te buitengaan in gulzigheid en dronkenschap, en die daardoor hun tafel een tafel der duivelen maken, of gemeenschap met Satan houden door een wandel vol zelfbewuste en gewilde boosheid. Zij kunnen niet waarlijk deelnemen aan de tafel en den drinkbeker des Heeren. Zij mogen de tekenen gebruiken, maar ze missen het betekende. Want iemand kan nooit tegelijkertijd zijn in gemeenschap met Christus en Zijne kerk, en met den Satan. Hoeveel reden hebben we om wèl toe te zien, dat we van elke zonde en elke afgod afstand doen, wanneer wij eten en drinken aan de tafel des Heeren! V. Hij waarschuwt hen ten slotte tegen zulke afgoderij door de herinnering, dat God een jaloers God is. Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij? vers 22. Zeer waarschijnlijk nam menigeen onder de Corinthiërs dat bijwonen van heidense feesten zeer licht op en dacht dat het geen kwaad kon doen. Maar de apostel raadt hun voorzichtigheid aan. Het tweede gebod wordt versterkt met de waarschuwing: Ik ben een ijverig (jaloers) God. God kan geen mededinger in Zijne verering dulden, Hij geeft Zijne eer geen ander, en gedoogt niet dat iemand zulks doe. Zij, die gemeenschap hebben met andere goden, verwekken Hem daardoor tot ijver, Deuteronomium 32:16. En alvorens dat te doen behoort men te bedenken of men sterker is dan Hij. Het is gevaarlijk Gods ijver te verwekken, want we kunnen Zijn macht niet weerstaan. Wie zal voor Zijn gramschap staan? Nahum 1:6. Dit mag wel in acht genomen worden door allen, die voortgaan in het beminnen en aanhouden van de zonde, terwijl zij toch belijdenis doen van gemeenschap met Christus. Dat is het rechte middel om Zijn ijver en verontwaardiging op te wekken. De overweging van de grootheid van Gods macht moet ons terughouden van het opwekken van Zijn ijver, en van het verrichten van enig ding, dat Hem mishaagt. Zullen wij Zijn almachtigen toorn doen ontvlammen? En hoe zouden we dien weerstaan? Zijn wij Gods evenknie? Kunnen wij Zijn macht weerstaan of betomen? En indien niet: waarom zullen we haar dan tegen ons in, t harnas jagen door Hem tot jaloersheid te verwekken? Neen, laat ons vrezen voor Zijn macht en alles nalaten wat die kan tergen.