16. En zij, de geesten van de duivelen hebben (Grieks: Hij, de Almachtige God, die Zijn grote dag wil houden (
Vers 14) heeft door middel van datgene, waartoe de drie onreine geesten hebben geraden en gedrongen) hen, de koningen van de aarde en van de hele wereld, vergaderd in de plaats, die in het Hebreeuws genaamd wordt Armageddon (= berg van Megiddo). Omdat hier sprake is van een plaats in het heilige land of van een, afgebeeld door de heilige geschiedenis, moet ook hier de heilige taal worden gebruikt.
Herinneren wij ons, dat in Richteren 4:7 de Heere door de mond van de profetes Debora aan Barak laat zeggen: "Ik zal aan de beek Kison tot u trekken Sisera, de krijgsoverste van Jabin met zijn wagens en zijn menigte en ik zal hem in uw hand geven. " Vergelijken wij daarmee, dat op deze plaats God ook wordt voorgesteld als diegene, die de koningen van de aarde op een plaats in het heilige land vergadert, dan kan er geen twijfel zijn, dat deze plaats eveneens dat Megiddo is, door welks wateren de koningen van de Kanaänieten werden gebracht, om daar door de machten van de hemel een vreselijke nederlaag te ondervinden (Richteren 5:19 v.). Het is dus geheel ten onrechte, als de uitleggers door verschillende kunstige verklaringen willen teweeg brengen, dat hier reeds moet worden gedacht aan de vervulling van de voorspelling in Joël 3:16, en Zacharia 14:4 v. en het dal Josafat bij Jeruzalem moet worden verstaan, terwijl daarop eerst het in Hoofdstuk 19:11, geprofeteerde betrekking heeft, namelijk de nederlaag van de antichrist en diens strijders. Het voorspel na deze nederlaag in de krijgslegers van de antichristische tijdgeest zal meer overeenkomst hebben met de nederlaag van de Kanaänitische schaar, die in het lied van Debora worden bezongen. Van de hemel zal tegen hen worden gestreden, de sterren zullen in hun loop tegen de koningen van de aarde strijden (Richteren 4:15 v.), maar een zichtbare terugkomst van de Heere is daar nog niet nodig. Nog moet eerst Israël's onaantastbaarheid in zijn erfdeel en zijn zekere overwinning zonder zwaardslag (2 Kronieken 20) duidelijk daardoor worden uitgesproken, dat Megiddo, dat toch in de vlakte ligt, bij deze zijn natuurlijke gesteldheid als een Har-mageddon is voorgesteld, dus als een berg, die onwankelbaar vaststaat en waarvan hulp komt (Psalm 121:1; 125:2 genoemd wordt, terwijl in Hoofdstuk 19:11, aan het slot van de kerkgeschiedenis daarover wordt gehandeld wie in waarheid een Koning aller koningen is; of hij, die satan als zodanig heeft gesteld (Hoofdstuk 17:13 v. die God in de hemel daartoe gemaakt heeft.
De almachtige God heeft de koningen van de hele aarde vergaderd ter plaatse van de vergelding; Hij heeft de vijanden van Zijn Kerk tot aan de grenzen van Zijn volk gebracht, om ze te vernietigen. Reeds in het Oude Verbond spreekt de Heere door Joël: "de heidenen zullen zich opmaken en optrekken naar het dal van Josafat; maar daar zal Ik zitten om te richten alle heidenen van rondom. " Het oord, waar de Heere de vijanden van Zijn Kerk vernietigt, heet Armageddon, dat is: de berg van Megiddo. In het dal Megiddo heeft eenmaal een Farao, het "Beest" van zijn tijd, Josia geslagen en gedood een koning, van wie getuigd wordt, dat na David geen andere hem gelijk was in godsvrucht. Op het ombrengen van deze voortreffelijke koning, dat te Hadad-Rimmon, in de vallei van Megiddo plaats had, vervaardigde Jeremia een klaagzang. Van die Josia is onze Heere Jezus Christus het tegenbeeld. Zoals Egypte's leger en koning optrokken tegen Josia, zo verzet zich de macht van de wereld tegen de Heere. Men wil de Opgewekte vernietigen en met Hem Zijn Kerk. Groot is het gevaar, groter dan immer van te voren. Alles schijnt de nederlaag van Christus en Zijn Kerk te voorspellen. Reeds is de Eufraat, dat bolwerk tegen de aanvaller, uitgedroogd en daarmee het pad van de vijand geëffend; het dal Megiddo herinnert Josia's nederlaag en de lijken van de verslagenen door de hand van de Egyptenaren doen het akeligst lot verwachten over deze laatste strijd. De hele wereld niet meer een afzonderlijke wereldheerschappij heeft zich opgemaakt tot de strijd! Maar wee u, u vijanden van de Heere! het oord heet niet meer het dal, maar de berg van Megiddo, ten teken, dat de Heere en Zijn volk niet vallen, maar zegepralen. God zelf heeft al de vijanden op deze plaatse vergaderd, opdat de voormalige overmoed van de heidenen niet vernieuwd, maar gewroken wordt; Hij heeft hen vergaderd, opdat Hij al Zijn vijanden met één slag verplettert, want de grote dag van de Almachtigen is aangebroken! De overwinning door Hem behaald, wordt beschreven onder het beeld van de zevende schaal. Daar op de noordelijke vlakte van Judea zal dus de antichrist zich bevinden in het laatste van de eind-crisis en hij zal de afvallige volken op de Romeinse aarde bijeen verzamelen; (Openbaring 6:15) daar zal de bloem van hun kracht vergaan. De zwijmelgeest, de kracht van de dwaling, zoals de Schrift zegt, die hem naar Juda zal trekken in de dag van de toorn, zal ontspringen uit de drie reeds opgegeven hoofdbronnen: de draak, het keizerlijk beest en de valse profeet, de helse drieheid. Omdat de draak de duivel is (Openbaring 2, 20), zo zal de eerste bron van verleiding zuiver duivels zijn. Omdat het beest het wereldlijke Rome of Rome als wereldrijk is en de vorst, die het zal vertegenwoordigen en het in zijn persoon zal voorstellen, zo zal de tweede bron van verleiding wezenlijk staatkundig zijn. Omdat de valse profeet eindelijk, in de grond dezelfde als het beest met twee horens (Openbaring 3:14 vgl.), de godsdienstige handlanger is van het keizerlijk beest, degene, die maakt, dat de volken het aanbidden (Openbaring 3:14), zo zal de derde bron van verleiding voornamelijk godsdienstig zijn. Deze zijn de drie verleidende geesten, de drie vorsen, zoals de Geest van God ze noemt, de duivelse, de staatkundige en de godsdienstige vors, die dadelijk na het uitgieten van de zesde schaal door hun onrein gekwak de volken van de Romeinse aarde en hun koningen voor de grote en laatste dag van de Heere zullen uitnodigen en hen zullen meeslepen naar Palestina; want daar hebben altijd de grote oordelen van God plaats. Maar met welk oogmerk zullen de verleidende geesten al de bozen van de Romeinse aarde naar Palestina dringen? Welke beweegredenen zullen zij tot dat einde gebruiken, welke drijfveer zullen zij in het werk stellen? Ofschoon de profetie hiervan niets zegt, is het nochtans veroorloofd te geloven, dat die beweegredenen niet geheel en al vreemd zullen zijn aan de worsteling van de koning van het zuiden en die van het noorden, onder wier banier de volken van het oosten zich ook zullen scharen (Daniël 2 Ezechiel 38, 39 Hoe het ook zij, God zal toelaten, dat het keizerlijk beest te Armageddon al de kracht van de tien koninkrijken verenigt; dit feit is duidelijk geopenbaard. God zal (Openbaring 6:16), door middel van de antichrist, in het noorden van Judea al de afvalligen van de Romeinse aarde verzamelen, zoals Hij de oproerige Joden van Jeruzalem verzameld had ten tijde van Nebukadnezar en daarna ten tijde van Titus, zoals Hij nu de volken van het Noorden en Oosten rondom Jeruzalem had vergaderd. Hij zal ze op dit enkel punt bijeenbrengen als de druiven bijeengebracht worden in de pers, om ze allen te samen te treden in de wijnpersbak van Zijn toorn. Judea was het voorname toneel geweest van de afval; dat land moet ook het voorname toneel zijn van de oordelen van God tegen de afvallige volken. In het land van Emmanuel had de koning aan de Koning van Israël en van de volken Zijn onvervreemdbare rechten betwist, daar worden zij nu door de Koning van Israël en van de volken van de koning terug geëist.
De vorsen vergaderden de verenigde machten in een geweldig groot leger, en dat op een plaats, die hun graf zou zijn, zoals Farao en zijn leger; want God zou hen daar slachten door het heirleger van Zijn Kerk, en zou alle vogels van de hemel nodigen, om het vlees van de verslagenen te eten (Openbaring 9:17, 18). Deze plaats wordt niet beschreven in welk rijk of provincie die slag zou voorvallen; maar zij wordt ten opzichte van de uitslag van de strijd in het Hebreeuws genoemd Armageddon, dat is naar het naaste, dat men gissen kan "de berg van het heerlijk oordeel" of "de verwoesting van hun heirlegers".